Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.4.2:4.4.2 Universeel niveau
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.4.2
4.4.2 Universeel niveau
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633683:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Temperman 2008, p. 159, voetnoot 4.
Evans, Malcolm 1997, p. 237, 238.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht op geloofsvrijheid is met name vastgelegd in de UVRM (art. 18), het BUPO (art. 18) en de VN-Godsdienstverklaring van 25 november 1981 (art. 1).
Artikel 18 UVRM beschermt het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Temperman wijst erop dat het begrip ‘godsdienst’ in de Nederlandse vertaling niet goed gekozen is omdat volgens het VN-Mensenrechtencomité dit recht zo ruim mogelijk moet worden opgevat zodat ook non-theïstische en seculiere geloofsrichtingen daaronder vallen.1 Vrijheid van religie, vrijheid van geloofsovertuiging of het recht op geloofsvrijheid zouden daarom volgens hem betere vertalingen zijn.2 Dit geldt ook voor de vertaling van de equivalente bepalingen in andere mensenrechtenverdragen. Anders dan het BUPO-verdrag kent de UVRM alleen een algemene limiteringsclausule in artikel 29 UVRM, die bepaalt dat beperkingen van de uitoefening van de UVRM-rechten en -vrijheden ‘bij de wet moeten zijn vastgesteld en uitsluitend gehanteerd mogen worden ter verzekering van de onmisbare erkenning en eerbiediging van de rechten en vrijheden van anderen en om te voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van de moraliteit, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische gemeenschap’.
In tegenstelling tot artikel 18 UVRM (en het hierna te bespreken artikel 9 EVRM) bevat artikel 18 BUPO geen expliciete vermelding van het recht om van godsdienst of overtuiging te veranderen. Het beperkt zich tot de vermelding dat eenieder het recht heeft een zelfgekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden. In 1993 heeft het VN-Mensenrechtencomité echter verklaard dat deze ‘freedom to ‘have or to adopt’ a religion or belief necessarily entails the freedom to choose a religion or belief, including the right to replace ones’ current religion or belief with another or to adopt atheistic views, as well as the right to retain one’s religion or belief.’3 Omdat in de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging uiteindelijk niet het recht om van geloof te veranderen is opgenomen, biedt deze verklaring vergeleken met de UVRM en het BUPO volgens Malcolm Evans de minste bescherming van geloofsvrijheid.4
Artikel 18 BUPO maakt een duidelijk onderscheid tussen het forum internum en het forum externum door in lid 3 alleen de vrijheid van het tot uiting brengen van een overtuiging te onderwerpen aan beperking en wel slechts in die mate als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen. Het gaat om een limitatieve opsomming van beperkingsgronden. Bovendien mag de beperking van het forum externum de vrijheid niet volstrekt ondermijnen, moet de beperking rechtstreeks verband houden met het publieke belang dat ermee wordt gediend, proportioneel zijn en mag de beperking niet op discriminatoire wijze toegepast worden.5 Artikel 4 lid 2 BUPO bepaalt dat in noodtoestanden niet mag worden afgeweken van artikel 18 BUPO.
Wat betreft het beschermingsbereik van de in artikel 18 BUPO verankerde vrijheid van godsdienst en overtuiging beklemtoont het Mensenrechtencomité dat dit grondrecht niet beperkt is tot “traditional religions or (…) religions and beliefs with institutional characteristics or practices analogous to those of traditional religions”. Het comité spreekt zich uit tegen “any tendency to discriminate against any religion or belief for any reason, including the fact that they are newly established, or represent religious minorities that may be the subject of hostility on the part of a predominant religious community.”6