Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.2.1.1.2
6.2.1.1.2 De stichting als Vorerbin, Nacherbin of Ersatzerbin
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232285:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
MükoBGB 2017/Grunsky § 2100 Rn 1-2. Daarmee wijkt het Duitse recht op dit punt fundamenteel af van het Nederlandse systeem waarbij tijdelijk erfgenaamschap wordt geconverteerd in vruchtgebruik ten behoeve van de eerste verkrijger en hoofdgerechtigdheid voor de opvolgende verkrijger (artikel 4:138 BW). De Vorerbe is geen erfgenaam onder ontbindende voorwaarde en de Nacherbe geen erfgenaam onder opschortende voorwaarde. De ‘Nacherbefall’ kan ook intreden op een door de erflater bepaald tijdstip.
De erflater kan de Vorerbe vrijstellen van de verplichtingen uit § 2113 Abs. 1, § 2114, § 2116 tot en met § 2119, § 2123, § 2127 tot en met § 2131, §2133 en § 2134 BGB. Vrijstelling van het verbod tot het doen van schenkingen (§ 2113 Abs. 2 BGB) is niet mogelijk. Zie voor kritiek op de dertig-jaar termijn in de erfbelasting, Günter Isfort, ‘Die Erbersatzsteuer ist kein Ersatz für die Erbschaftsteuer’, Der Betrieb Nr. 27-28 / 14.07.2017. Door de gestegen levensverwachting is volgens Isfort de termijn van dertig jaar te kort geworden.
Zie hierover Reinhard Kössinger in: Nieder/Kössinger, Handbuch der Testamentsgestaltung, 4. Aflage, München: Verlag C.H. Beck 2011, Rn 48.
MüKoBGB 2013/Reuter § 83 Rn 7.
Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010, § 83 Rn 11.
MüKoBGB 2013/Reuter § 83 Rn 7.
Als bijzondere omstandigheid noemt Hof in v.Campenhausen/Richter 2014 § 6 Rn 85 dat het doel in tijd beperkt is.
MüKoBGB 2013/Reuter § 83 Rn 7; Hof in v.Campenhausen/Richter 2014 § 6 Rn 85.
De Ersatzerbe kan worden vergeleken met plaatsvervulling naar Nederlands recht. § 2096 BGB luidt: ‘Der Erblasser kann für den Fall, dass ein Erbe vor oder nach dem Eintritt des Erbfalls wegfällt, einen anderen als Erben einsetzen (Ersatzerbe).’ De Ersatzerbe kan ook in de plaats treden van een na de erflater overleden erfgenaam. Vanwege onduidelijkheid bij de formulering, worstelt men in Duitsland regelmatig met de vraag of de erflater heeft bedoeld een Ersatzerbe te benoemen of dat sprake is van een Nacherbe, MüKoBGB 2017/Rudy § 2096 Rn. 4.
Schewe 2004, p. 220-222; Hof in v.Campenhausen/Richter 2014 § 6 Rn 86.
Brengt het zijn van (mede-)erfgenaam slechts praktische problemen met zich mee, zo anders is dat met de bij dode opgerichte stichting als Vorerbin, Nacherbin of Ersatzerbin. Het stichtingenrecht kan ertoe leiden dat de stichting niet zal ontstaan bij een dergelijke wijze van begunstigen vanwege de fixatie op het vermogen van de stichting. Door het zijn van Vorerbin of Nacherbin is het mogelijk dat de stichting niet langdurig over voldoende vermogen beschikt om haar doel te bereiken. Om dit goed te doorzien is enig inzicht in de figuren van Nacherbe en Vorerbe nuttig.
De Nacherbe is erfgenaam nadat eerder een ander, de Vorerbe, erfgenaam is geweest (§ 2100 BGB, Nacherbe). Uit § 2106 BGB blijkt dat de Vorerbschaft voortduurt tot het overlijden van de Vorerbe of zoveel eerder als bepaald door de erflater. De erflater kan zowel een tijdstip als een gebeurtenis aanwijzen waarop de Nacherbe tot de nalatenschap gerechtigd wordt. Een Vorerbe is daardoor een tijdelijk erfgenaam, niet een erfgenaam onder ontbindende voorwaarde.1 Als de erflater niet heeft bepaald wanneer de Nacherbe aantreedt, is dat bij het overlijden van de Vorerbe (§ 2106 BGB). Is de Nacherbe of Vorerbe een rechtspersoon, dan eindigt de Vorerbschaft bij het intreden van het tijdstip of de gebeurtenis genoemd in de uiterste wilsbeschikking maar uiterlijk na dertig jaar (§ 2109 Abs. 2 BGB).2
Aan de Vorerbe worden vele beperkingen met derdenwerking opgelegd. Zo is het de Vorerbe in beginsel niet toegestaan onroerende zaken te vervreemden die onderworpen zijn aan de Vorerbschaft (§ 2113 Abs. 1 BGB), anders dan met toestemming van de Nacherbe (§ 185 BGB). De erflater kan de Vorerbe van deze verplichtingen geheel of gedeeltelijk vrijstellen (§ 2136 BGB).3 Als de erflater van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, wordt gesproken van een befreiter Vorerbe.4
Een Nacherbe met een befreiter Vorerbe moet maar hopen dat zodra dat hij erfgenaam wordt, de Vorerbe nog iets voor hem heeft overgelaten.
Als de bij dode opgerichte stichting tot Nacherbin is benoemd, is de vraag of sprake is van een befreiter Vorerbe van groot belang. Als de stichting Nacherbin is, is Anerkennung pas mogelijk nadat de stichting tot het vermogen gerechtigd wordt.5 Indien het als Nacherbin te verkrijgen vermogen bestaat uit onroerende zaken, wordt de stichting niettemin direct als Nacherbin in het Grundbuch opgenomen, zelfs als de Anerkennung nog niet heeft plaatsgevonden. De reden hiervoor is de fictie van § 84 BGB (de Städel-Paragraph, zie 3.4.2.1) die ervan uit gaat dat de stichting geacht wordt te hebben geërfd vanaf het overlijden van de erflater. De inschrijving in het Grundbuch vindt ambtshalve plaats, gelijk met de inschrijving van de Vorerben.6
De stichting als Nacherbe is echter haar daadwerkelijke ontstaan niet zeker. De stichting als Nacherbe zal de procedure tot Anerkennung niet doorkomen zolang zij niet feitelijk is gerechtigd tot de nalatenschap van de erflater. Pas als dat het geval is, is het mogelijk te beoordelen of de stichting over voldoende vermogen zal beschikken. Hetgeen noodzakelijk is voor het duurzaam bereiken van haar doel als bedoeld in § 80 Abs. 2 BGB.7
De stichting als Vorerbin is, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, uitgesloten.8 Door de tijdelijke gerechtigdheid tot het geërfde vermogen, zal niet worden voldaan aan het bepaalde uit § 80 Abs. 2 BGB, de duurzaamheid van de stichting is niet gewaarborgd zodat Anerkennung achterwege blijft.9
In Duitsland kent men ook nog de Ersatzerbe (§ 2096 BGB).10 Een Ersatzerbe is te beschouwen als ‘reserve erfgenaam’ die aantreedt als de oorspronkelijke bedoelde erfgenaam geen erfgenaam blijkt te zijn geworden. Dit kan doordat die erfgenaam is vooroverleden maar ook omdat hij de nalatenschap heeft verworpen. Voor de bij dode op te richten stichting die is benoemd tot Ersatzerbin speelt een vergelijkbare problematiek als met de bij dode op te richten stichting als Nacherbe: het hoeft ten tijde van het openvallen van de nalatenschap nog niet duidelijk te zijn of zij ook tot de nalatenschap is gerechtigd. Tot dat die zekerheid er is, kan geen Anerkennung plaatsvinden.11
Omdat in Nederland een stichting zonder of met weinig vermogen binnen het concept van de stichting als organisatievorm valt, is in Nederland bovenstaande problematiek onbekend.