type: DS
Rb. Limburg, 15-01-2025, nr. C/03/311019 / HA ZA 22-491
ECLI:NL:RBLIM:2025:1143
- Instantie
Rechtbank Limburg
- Datum
15-01-2025
- Zaaknummer
C/03/311019 / HA ZA 22-491
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBLIM:2025:1143, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 15‑01‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2024:89
ECLI:NL:RBLIM:2024:89, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 03‑01‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2025:1143
- Vindplaatsen
JERF Actueel 2025/117
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0191
ERF-Updates.nl 2025-0191
JERF Actueel 2024/14
ERF-Updates.nl 2024-0042
JERF 2024/56
Uitspraak 15‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Gedaagde slaagt niet in de bewijsopdracht. De rechtbank beoordeelt vervolgens vanuit dat perspectief de vorderingen van eiser.
Partij(en)
RECHTBANK Limburg
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/311019 / HA ZA 22-491
Vonnis van 15 januari 2025
in de zaak van
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] ,
handelend in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de heer [erflater] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. J. van der Wende te Rosmalen,
tegen
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks te Kerkrade.
Partijen zullen hierna “ [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ” en “ [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ” worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 januari 2024 (hierna: “het tussenvonnis”),
- de akte uitlaten, opgave verhinderdata en in het geding brengen van nadere producties 9 tot en met 13 van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] van 31 januari 2024,- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 1 juli 2024,
- de conclusie na enquête van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ,
- de antwoordconclusie na enquête van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het tussenvonnis en de bewijslevering
2.1.
De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis. In het tussenvonnis is [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in de gelegenheid gesteld feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt:
I. dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op het moment van het verrichten van de rechtshandelingen, te weten de overboekingen op 14 april 2019 en 29 juli 2019, niet wist noch behoorde te weten dat van de rechtshandelingen benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn, en
II. dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op 16 februari 2022, het moment waarop de buitengerechtelijke vernietiging van de rechtshandelingen is ingeroepen, niet ten gevolge van de overboekingen van de gelden van in totaal € 30.000,- was gebaat.
2.2.
In het kader van deze bewijsopdracht, die uit twee – cumulatieve – onderdelen bestaat, heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] de producties 9 tot en met 13 overgelegd en, in enquête, zichzelf, mevrouw [getuige 1] , de heer [getuige 2] en de heer [getuige 3] als getuigen gehoord.
2.3.
Bij de waardering van de getuigenverklaringen en de schriftelijke bewijsstukken stelt de rechtbank het volgende voorop. Om te slagen in de bewijsopdracht hoeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] niet met absolute zekerheid feiten en omstandigheden te bewijzen, waaruit volgt dat zij op
14 april en 29 juli 2019 niet wist of behoorde te weten dat de rechtshandelingen van erflater zijn schuldeisers zouden benadelen en waaruit volgt dat zij niet gebaat was op 16 februari 2022 ten gevolge van de overboeking van in totaal € 30.000,-. Het gaat erom dat deze feiten en omstandigheden in voldoende mate aannemelijk zijn geworden op grond van de voorhanden bewijsmiddelen.
De schriftelijke bewijsstukken
2.4.
Als productie 9 heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] een overeenkomst ingebracht waaruit volgens haar blijkt dat de spaarrekening van erflater bij de Rabobank met het rekeningnummer eindigend op 2612 erflater is omgezet naar een en/of-rekening met [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] als tweede rekeninghouder vanaf 2 mei 2019. Op grond van deze overeenkomst kreeg [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] toegang tot de rekening van erflater.
2.5.
Wat betreft de datum van omzetting van de rekening naar een en/of-rekening heeft de rechtbank in het tussenvonnis in rov. 2.4. overwogen dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] – anders dan zij zelf stelt – per 30 april 2019 toegang had tot de rekening. Gelet op de inhoud van productie 9 is het de vraag of dat juist is. Dat maakt voor de beoordeling echter geen verschil, omdat de rechtshandelingen waarop de discussie zich toespitst, niet tussen 30 april 2019 en 2 mei 2019 zijn verricht.
De getuigenverklaringen
2.6.
Op 1 juli 2024 heeft de rechtbank als getuigen achtereenvolgens gehoord: [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .
2.7.
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:
“(…)
De bankrekening van de heer [erflater] was onze gezamenlijke rekening. Ik had nog een aparte rekening. Ik had toegang tot de gezamenlijke en/of-rekening vanaf april 2019. Ik had er ook vanaf dat moment een bankpas van. Ik had ook toegang tot internetbankieren, maar daar maakte ik voor zijn rekening geen gebruik van. Ik kreeg geen afschriften te zien, want die kreeg je niet meer. Het ging allemaal digitaal. Ik wist niet veel van de financiële administratie van de heer [erflater] . Hij zei er niet veel over en afschrijvingen gebeurden automatisch.
(…)
Vanaf januari 2016 woonde ik samen met de heer [erflater] . Ik lag toen in scheiding en hij bood mij aan bij hem te komen wonen. Vanaf dat moment is een relatie er langzamerhand ingeslopen. Ter toelichting op hetgeen in de conclusie van antwoord staat, te weten dat sprake was van een gezamenlijke financiële huishouding met de heer [erflater] , antwoord ik dat wij deden als een getrouwd stel; wij deden alles samen.
Met mijn privérekening bedoel ik de Rabobank rekening die eindigt op [rekeningnummer 1] . Daar hoort ook een spaarrekening van mij bij, die eindigt op [rekeningnummer 2] . Ik heb geen andere bankrekeningen, even los van de gezamenlijke en/of-rekening. Dat is nu zo en dat was ook al zo toen ik met de heer [erflater] een relatie had.
(…)”
3. De standpunten van partijen na de bewijslevering
3.1.
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft in haar akte na bewijslevering het standpunt ingenomen dat zij is geslaagd in haar bewijsopdracht en heeft hiertoe als volgt gesteld. Ten aanzien van het eerste onderdeel van de bewijsopdracht is het duidelijk dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] niet wist of hoefde te weten dat schuldeisers benadeeld zouden worden door de overboekingen. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] had slechts kennis van één schuldeiser en die schuld had ze voor erflater opgelost. Als ze had geweten dat er meerdere schuldeisers waren, dan had ze zich ingespannen om ook die schulden op te lossen. Ten aanzien van het tweede onderdeel van de bewijsopdracht is duidelijk dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] het bedrag van € 30.000,- niet meer op haar rekening had op 16 februari 2022 en dat dit bedrag dus volledig was uitgegeven, aldus nog steeds [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] .
3.2.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft zich daarentegen in zijn akte op het standpunt gesteld dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] niet is geslaagd in de bewijsopdracht. Ten aanzien van het eerste onderdeel van de bewijsopdracht heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] onvoldoende aangetoond dat zij geen kennis zou hebben gehad van schuldeisers, aldus [eiser in conventie, verweerder in reconventie] . Ten aanzien van het tweede onderdeel van de bewijsopdracht voert [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aan dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] onvoldoende inzicht heeft gegeven in de betalingsstromen, geen volledige inzage heeft gegeven in bankafschriften en zij tevens geen afschriften van haar spaarrekening heeft verstrekt.
4. De verdere beoordeling
In conventie
De bewijsopdracht
4.1.
Bij de beoordeling of [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft voldaan aan de – cumulatieve – onderdelen van de bewijsopdracht zal de rechtbank een onderscheid maken tussen de schenking van 14 april 2019 ten bedrage van € 10.000,- en de schenking van 29 juli 2019 ad € 20.000,- en deze achtereenvolgens beoordelen.
4.2.
Het eerste onderdeel van de bewijsopdracht heeft betrekking op de vraag of [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] kennis van benadeling van schuldeisers had. Wat betreft de overboeking die erflater op 14 april 2019 heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] geen kennis had en geen kennis behoefde te hebben van benadeling van schuldeisers, hoewel zulks, gelet op de getuigenverklaring van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dat zij en erflater een gezamenlijke financiële huishouding voerden en als een getrouwd stel samen alles deden (vgl. rov. 2.7.), ook niet valt uit te sluiten. Doorslaggevend voor de rechtbank is dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op dat moment (14 april 2019) nog geen toegang had tot de bankrekeningen van erflater. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft namelijk aangetoond dat zij pas vanaf 30 april 2019 dan wel vanaf 2 mei 2019 toegang kreeg tot die bankrekeningen. Ten aanzien van de overboeking op 14 april 2019 is [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dan ook geslaagd in het eerste onderdeel van de bewijsopdracht. Aangezien de onderdelen van de bewijsopdracht van cumulatieve aard zijn, zal [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ook in het tweede onderdeel van de bewijsopdracht moeten slagen (zie hierna rov. 4.4.).
4.3.
Op het moment van de tweede overboeking op 29 juli 2019 had [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] wel toegang had tot de gezamenlijke rekening. De rechtbank overweegt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] – vanaf het moment dat zij toegang had tot de rekening – op de rekeningafschriften had kunnen zien dat periodieke betalingen werden verricht aan [naam] en Syncasso wegens schulden. Ten tijde van deze tweede overboeking had [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dan ook kunnen en behoren te weten dat schuldeisers benadeeld zouden worden. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen kennis had van schuldeisers van erflater die benadeeld konden worden door de overboeking van 29 juli 2019. Op dit punt slaagt zij dus niet in het eerste onderdeel van de bewijsopdracht.
4.4.
Nu [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] enkel ten aanzien van de overboeking op 14 april 2019 is geslaagd in het eerste onderdeel van de bewijsopdracht, zal de rechtbank alleen ten aanzien van die overboeking beoordelen of [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ook slaagt in het tweede onderdeel van de bewijsopdracht. Dit onderdeel ziet op de vraag of [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ten tijde van de vernietiging van de rechtshandeling gebaat was. In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder rov. 4.15. overwogen dat, in het geval [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op het moment van de vernietiging niets meer van de overgeboekte bedragen tot haar beschikking had, zij niet zou zijn gebaat door de rechtshandelingen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet gebaat was door de overboeking van 14 april 2019 op de datum van vernietiging van deze rechtshandeling te weten, 16 februari 2022. De rechtbank komt met name tot dit oordeel, omdat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] onvoldoende inzicht heeft gegeven in de betalingsstromen vanaf 14 april 2019. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft weliswaar rekeningafschriften als producties 1, 12 en 13 ingediend, maar daarbij springt in het oog dat die rekeningafschriften niet volledig – en niet op volgorde – zijn overgelegd. In productie 1 van de zijde van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] is op blad 168 van de rekeningafschriften te zien dat het bedrag van € 10.000,- door erflater aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] is overgeboekt. De vervolgbladen 169 tot en met 171 ontbreken echter, waardoor niet inzichtelijk is geworden wat er kort na de overboeking met het bedrag is gebeurd. Dat roept vragen op, waarop [eiser in conventie, verweerder in reconventie] terecht heeft gewezen. Daarnaast is op die rekeningafschriften geen saldo per vervolgblad zichtbaar, waardoor ook op die manier niet wordt verklaard wat er met het overgeschreven bedrag van € 10.000,00 is gebeurd. Het lag op de weg van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] om een volledig beeld te schetsen aan de hand van de overgelegde rekeningafschriften. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk was voor haar en zij heeft ook geen reden gegeven voor het ontbreken van de afschriften. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] slaagt aldus niet in dit onderdeel van de bewijsopdracht.
4.5.
Dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] niet is geslaagd in de bewijsopdracht is van belang voor de beoordeling van de vorderingen in conventie.
Ten aanzien van de vorderingen
4.6.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft onder I. een verklaring voor recht gevorderd dat de rechtshandelingen inzake het overboeken van € 30.000,- en het schenken van de auto bij brief van 16 februari 2022 rechtsgeldig zijn vernietigd. In het tussenvonnis heeft de rechtbank omtrent de schenking van de auto reeds overwogen dat deze rechtshandeling rechtsgeldig is vernietigd door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis). Deze vordering kan wat betreft de schenking van de auto dan ook worden toegewezen. Nu [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] daarnaast niet is geslaagd in de bewijsopdracht, ligt deze vordering wat betreft de overboekingen eveneens voor toewijzing gereed.
De geschonken bedragen
4.7.
Onder II. vordert [eiser in conventie, verweerder in reconventie] betaling van het bedrag van € 30.000,- vermeerderd met de wettelijke rente van 3 maart 2022 tot en met 15 maart 2022 ten bedrage van € 348,49 en de wettelijke rente van vanaf 16 maart 2022 tot de dag van betaling. Aangezien de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat de rechtshandelingen van het overboeken van de bedragen van in totaal € 30.000,- rechtsgeldig zijn vernietigd, dient [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] om die reden het bedrag van € 30.000,- aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te betalen en kan de vordering worden toegewezen. De wettelijke rente is niet betwist en zal tevens worden toegewezen.
De auto
4.8.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de schenking van de auto op 16 februari 2022 mocht vernietigen en dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] geen beroep toekomt op derdenbescherming in de zin van artikel 3:45 lid 3 BW. De hieraan gekoppelde vordering onder III. tot afgifte van de auto zal dan ook worden toegewezen, waarbij de afgifte van de auto binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis dient te geschieden.
De door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gevorderde dwangsommen zullen ondanks de betwisting door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] eveneens worden opgelegd. De rechtbank overweegt hiertoe dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] sinds het tussenvonnis ervan op de hoogte is dat de auto afgegeven dient te worden aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] . Voor zover bij de rechtbank bekend is dat tot op heden niet gebeurd. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om aan de afgifte van de auto een dwangsom te verbinden.
4.9.
Wat betreft de gevorderde schadevergoeding per gereden kilometer overweegt de rechtbank als volgt. Alhoewel de rechtbank het redelijk acht dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op grond van ongerechtvaardigde verrijking ex artikel 6:212 BW een vergoeding dient te betalen voor het gebruik dat zij jarenlang van de auto heeft gehad, ziet de rechtbank geen grond om [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] een vergoeding te laten betalen vanaf het moment van de schenking. Immers, zoals [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft gesteld heeft erflater samen met haar in de auto gereden tot aan zijn overlijden. Om die reden zal de rechtbank de schadevergoeding per kilometer toewijzen vanaf de datum van overlijden van erflater tot de dag van teruggave. De gevorderde kilometervergoeding van
€ 0,19 wordt evenmin redelijk geacht, nu dit bedrag lijkt te zijn gebaseerd op de fiscaal voordelige vergoeding. Die vergoeding bestaat niet alleen de afschrijvingskosten van het voertuig, maar ook uit andere componenten zoals het onderhoud van het voertuig en benzinekosten. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft onbetwist gesteld dat zij de benzinekosten en de kosten van onderhoud zelf heeft betaald. Bij gebreke van feitelijke gegevens zal de rechtbank de kilometervergoeding op grond van artikel 6:97 BW naar redelijkheid en billijkheid schatten op een bedrag van € 0,05 per kilometer.
In reconventie
4.10.
In voorwaardelijke reconventie heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] twee vorderingen ingesteld, voor het geval de vorderingen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] geheel danwel gedeeltelijk zouden worden toegewezen. Nu de vorderingen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] (gedeeltelijk) zijn toegewezen, is aan die voorwaarde voldaan.
4.11.
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt een vordering op de nalatenschap te hebben van € 4.150,-. Zolang de vereffening van de nalatenschap van erflater nog niet is geëindigd, is – zoals [eiser in conventie, verweerder in reconventie] stelt – individuele executie door een schuldeiser niet mogelijk op grond van artikel 4:223 BW. Om deze reden liggen de vorderingen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gereed voor afwijzing. Desondanks acht de rechtbank het ook van belang om partijen duidelijkheid te geven over de inhoudelijke juistheid van de vorderingen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . Om die reden zal de rechtbank hierna de vorderingen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] toch beoordelen.
De lening
4.12.
Ten eerste stelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dat zij een vordering van € 400,- op de nalatenschap heeft omdat zij en erflater op 6 maart 2020 een bedrag aan de dochter van erflater hebben uitgeleend van € 800,-, waarvan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] uit eigen middelen een bedrag van € 400,- heeft uitgeleend. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] betwist dat het genoemde bedrag aan de dochter van erflater is uitgeleend en voert aan dat dit een schenking betrof uit het vermogen van erflater. Deze schenking is door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aangemerkt als een paulianeuze schenking en vernietigd. Het bedrag is door de dochter van erflater terugbetaald aan de nalatenschap.
4.13.
De rechtbank overweegt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] de gemotiveerde betwisting van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet heeft weersproken. In dat licht heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] onvoldoende gesteld en dient haar vordering te worden afgewezen.
Inruilwaarde auto
4.14.
Ten tweede stelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dat zij een bedrag van € 3.750,- uit de nalatenschap dient te ontvangen. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] hiertoe gesteld dat haar Renault met kenteken [kenteken 2] is ingeruild tegen een bedrag van € 3.750,- bij de aankoop van de Renault met kenteken [kenteken 1] . Ter zitting heeft de raadsvrouw van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] verduidelijkt dat dit onjuist is. Volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] is een Nissan van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] tegen een inruilwaarde van€ 500,- ingeruild voor de Renault met kenteken [kenteken 2] . Deze Renault is vervolgens ingeruild voor de Renault met kenteken [kenteken 1] . [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt dus dat haar inruilwaarde indirect is gebruikt voor de aankoop van de Renault Twingo.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] betwist deze vordering en voert aan dat de Renault met kenteken [kenteken 2] aan erflater toebehoorde. Het bedrag dat deze auto bij de inruil van de Renault Twingo heeft ‘opgebracht’, behoort daarmee ook tot het vermogen van erflater, aldus [eiser in conventie, verweerder in reconventie] .
4.15.
De rechtbank begrijpt dat het inruilbedrag van € 3.750,- ziet op de Renault met kenteken [kenteken 2] en niet op de Nissan, die bij de aankoop van de Renault met kenteken [kenteken 2] ingeruild voor een bedrag van € 500,-. Los van het feit dat de feitelijke gang van zaken rondom de auto’s (te) onduidelijk is gebleven, heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] onvoldoende concreet gesteld waarom zij op grond van het voorgaande een vordering van € 3.750,- op de nalatenschap zou hebben. Om die reden moet die vordering worden afgewezen.
In conventie en in reconventie
Proceskosten
4.16.
Alhoewel in onderhavige zaak een vereffenaar betrokken is, ziet de rechtbank toch aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.
5. De beslissing
De rechtbank
In conventie
5.1.
verklaart voor recht dat de rechtshandelingen inzake het overboeken van in totaal
€ 30.000,- en het schenken van de auto bij brief van 16 februari 2022 rechtsgeldig zijn vernietigd,
5.2.
veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] om aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te betalen een bedrag van € 30.348,49 vermeerderd met de wettelijke rente, over de hoofdsom van € 30.000,- vanaf 1 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] om aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de auto met kenteken [kenteken 1] over te dragen, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis door afgifte van de sleutels, tenaamstelling van het kenteken en afgifte van de bij de auto behorende documenten, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 11.799,-.
5.4.
veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] om aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te voldoen een schadevergoeding van
€ 0,05 per gereden kilometer, gereden tussen de datum van overlijden van erflater (29 mei 2020) en de dag van teruggave van de auto, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover,
5.5.
verklaart de veroordelingen in rov. 5.2. tot en met 5.4. uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
5.7.
wijst de vorderingen af,
In conventie en in reconventie
5.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.
DS
Uitspraak 03‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Actio Pauliana in de zin van art. 3:45 BW. Bewijsopdracht.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rolnummer: C/03/311019 / HA ZA 22-491
Vonnis van 3 januari 2024
in de zaak van
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] ,
handelend in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de heer [erflater] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. J. van der Wende te Rosmalen,
tegen
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. E.G.W. Hendriks te Kerkrade.
Partijen zullen hierna “ [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ” en “ [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ” worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 24 oktober 2022 met de producties 1 tot en met 16,
- -
de conclusie van antwoord in conventie, tevens voor eis in voorwaardelijke reconventie met de producties 1 tot en met 8,
- -
de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie,
- -
de aanvullende producties 17 tot en met 19 van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] van 10 augustus 2023,
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 september 2023.
1.2.
Tenslotte is vonnis bepaald
2. De feiten
2.1.
Op [overlijdensdatum] 2020 is de heer [erflater] (hierna: “erflater”) overleden. Door notaris [naam notaris] is op 20 augustus 2020 een verklaring van erfrecht afgegeven. Erflater heeft als erfgenamen zijn twee kinderen achtergelaten. De kinderen zijn ieder voor een gelijk deel erfgenaam.
2.2.
De kinderen hebben de nalatenschap van erflater op 17 juli 2020 beiden beneficiair aanvaard. De erfgenamen hebben deze rechtbank verzocht een vereffenaar te benoemen. Deze rechtbank heeft op 12 maart 2021 [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot vereffenaar van de nalatenschap benoemd.
2.3.
Erflater had een affectieve relatie met [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] en zij woonden samen in de huurwoning van erflater.
2.4.
Op 14 april 2019 heeft erflater een bedrag van € 10.000,- overgeboekt naar de privérekening van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . Per 30 april 2019 zijn de betaal- en spaarrekening van erflater omgezet naar een en/of-rekening, met [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] als tweede rekeninghouder. Op 29 juli 2019 heeft erflater vanaf de gezamenlijke rekening een bedrag van € 20.000,- overgeboekt naar de privérekening van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . Op 26 augustus 2019 heeft erflater een bedrag van € 11.799,- voldaan aan een autobedrijf voor de aankoop van een Renault Twingo (hierna: “de auto”) voor [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] .
2.5.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft op 16 februari 2022 de overboeking van € 10.000,-, de overboeking van € 20.000,- en de schenking van de auto aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] buitengerechtelijk vernietigd.
3. Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren dat de rechtshandelingen inzake het overboeken van in totaal
€ 30.000,00 en het schenken van de auto bij brief van 16 februari 2022 rechtsgeldig zijn vernietigd, dan wel deze rechtshandelingen zal vernietigen;
2. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zal veroordelen om aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te betalen een bedrag van € 30.348,49 vermeerderd met de wettelijke rente, over de hoofdsom van € 30.000,00 vanaf 1 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
3. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zal veroordelen om aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de auto met kenteken [kenteken 1] over te dragen, binnen veertien dagen na een daartoe veroordelend vonnis door afgifte van de sleutels, tenaamstelling van het kenteken en afgifte van de bij de auto behorende documenten. Zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 11.799,- dan wel een in goede Justitie te bepalen dwangsom;
4. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zal veroordelen om aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te voldoen een schadevergoeding van
€ 0,19 per gereden kilometer, gereden tussen de schenking en de teruggave van de auto, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover;
5. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zal veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de raadsman van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het in deze procedure te wijze vonnis.
3.2.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] legt aan zijn vorderingen – samengevat – het navolgende ten grondslag. Als vereffenaar van de nalatenschap heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] geconstateerd dat de nalatenschap negatief is. Erflater heeft aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] onverplicht gelden overgeboekt en een auto voor haar gekocht, terwijl hij wist of had moeten weten dat hij daarmee zijn schuldeisers zou benadelen. De schuldeisers zijn benadeeld omdat hun mogelijkheden om zich op de opbrengsten van de vermogensbestanddelen te verhalen, geringer zijn dan ze zouden zijn geweest indien erflater die rechtshandelingen niet had verricht. Er is sprake van paulianeus handelen en de schenkingen zijn daarom terecht buitengerechtelijk vernietigd. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] is tot op heden niet overgegaan tot terugbetaling van de bedragen en afgifte van de auto waardoor ze in verzuim verkeert, aldus nog steeds [eiser in conventie, verweerder in reconventie] .
3.3.
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] betwist de vorderingen en concludeert – samengevat – tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in de kosten van deze procedure vermeerderd met rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
3.5.
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] vordert – samengevat – voorwaardelijk, voor het geval de vorderingen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] geheel danwel gedeeltelijk zouden worden toegewezen, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser in conventie, verweerder in reconventie] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] van een bedrag ad € 4.150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in de kosten van deze procedure vermeerderd met rente.
3.6.
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] legt aan haar vorderingen – samengevat – het navolgende ten grondslag. Volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft zij nog een bedrag tegoed van de vereffenaar. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt dat zij samen met erflater een bedrag van in totaal € 800,- heeft uitgeleend aan [naam dochter] (de rechtbank begrijpt dat bedoeld is: [naam dochter] , de dochter van erflater). [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft hiermee een vordering van € 400,- op de vereffenaar. Daarnaast stelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dat zij een bedrag van € 3.750,- tegoed heeft van de vereffenaar, omdat dit de inruilwaarde van haar eerdere voertuig vertegenwoordigt. Dit voertuig is ingeruild bij de aankoop van de auto, aldus nog steeds [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] .
3.7.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] betwist de vorderingen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] en concludeert – samengevat – tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in de kosten van deze procedure vermeerderd met rente.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
Is sprake van paulianeus handelen?
4.1.
Tussen partijen staat in de eerste plaats ter discussie of er sprake is van paulianeus handelen in de zin van artikel 3:45 BW. Uit dit artikel volgt dat indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, de rechtshandeling vernietigbaar is en de vernietigingsgrond kan worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser, onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is ontstaan. Het al dan niet inroepen van de actio pauliana behoort tot de gebruikelijke taken of werkzaamheden van een vereffenaar in het kader van de vereffening van de nalatenschap (Rechtbank Rotterdam 5 september 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7592).
4.2.
De rechtbank zal toetsen of op 16 februari 2022, zijnde het moment van beroep op vernietiging door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] , aan de voorwaarden van artikel 3:45 BW was voldaan en of [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aldus de rechtshandelingen zoals genoemd in rov. 2.5. op terechte gronden buitengerechtelijk heeft vernietigd.
Onverplichte rechtshandeling?
4.3.
In de eerste plaats is vereist dat de rechtshandeling onverplicht is verricht. Voor zowel de overgeboekte bedragen als de auto is de rechtbank van oordeel dat dit onverplichte rechtshandelingen betreffen. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.
4.4.
Volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zijn de overboekingen van de bedragen van in totaal € 30.000,- door erflater geen onverplichte rechtshandelingen. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] voert aan dat er sprake was van een onderhoudsverplichting, althans van een morele verplichting tussen haar en erflater op grond waarvan de bedragen zijn overgeboekt. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] betoogd dat zij de bedragen van erflater had ontvangen als tegemoetkoming voor de kosten die [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] voor zichzelf en erflater maakte.
4.5.
Onverplichte rechtshandelingen zijn rechtshandelingen die worden verricht zonder dat daartoe een op wet of overeenkomst berustende verplichting bestaat. Aangezien erflater en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ongehuwd samenwoonden, bestond er op grond van de wet geen verplichting voor erflater tot het overboeken van gelden aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft daarnaast ook niet gesteld, noch is anderszins gebleken, dat zij en erflater in dit verband afspraken hadden gemaakt op basis van een overeenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert het overboeken van de bedragen door erflater aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] als een onverplichte rechtshandeling en meer in het bijzonder als een rechtshandeling om niet, aangezien [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] geen tegenprestatie hoefde te verrichten.
4.6.
Voor wat betreft de auto erkent [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dat erflater deze aan haar geschonken heeft, maar blijft zij erbij dat deze rechtshandeling niet als onverplichte rechtshandeling kan worden aangemerkt. Dat de auto mede ten behoeve van erflater werd gebruikt, zoals [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft aangevoerd, maakt, zou dit al feitelijk juist zijn, naar het oordeel van de rechtbank niet dat de rechtshandeling daarmee het karakter van een verplichte rechtshandeling verkrijgt. Overigens stelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dat zij gedeeltelijk heeft meebetaald aan de aankoop van de auto, omdat onderdeel van die transactie het inruilen van haar eigen auto (een Renault met kenteken [kenteken 2] ) was. Tijdens de mondelinge behandeling is echter vast komen te staan dat die auto voor het overgrote deel ook door erflater was gefinancierd. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ’s bijdrage daaraan bestond uit de inruilwaarde van haar Nissan (met kenteken 95-HT- [kenteken 3] ) voor een bedrag van € 250,- (productie 8 bij conclusie van antwoord). [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft, zo volgt uit het voorgaande, feitelijk dus niet meebetaald aan de auto. De schenking van de auto door erflater aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dient dan ook te worden gekwalificeerd als een onverplichte rechtshandeling en meer in het bijzonder als een rechtshandeling om niet.
Benadeling? 4.7. In de tweede plaats is vereist dat door de rechtshandeling schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld. Voor de vaststelling of een schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden benadeeld wordt, is het ogenblik waarop de schuldeiser zijn rechten doet gelden, beslissend. Dat op dat moment sprake was van benadeling staat naar het oordeel van de rechtbank vast. Uit de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] opgestelde tussentijdse rekening en verantwoording en de voorlopige lijst van erkende schuldeisers blijkt dat de nalatenschap negatief is. De benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden als bedoeld in artikel 3:45 BW is hiermee gegeven.
Wetenschap van benadeling?
4.8.
In de derde plaats dient vast komen te staan dat bij het verrichten van de rechtshandeling de schuldenaar wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] stelt dat de rechtshandelingen ongeveer binnen één jaar voor het overlijden hebben plaatsgevonden en dat erflater op het moment van het verrichten van de rechtshandelingen wist dat hij niet meer lang zou leven. Volgens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] wist of had erflater in ieder geval moeten weten dat het verrichten van deze rechtshandelingen zou leiden tot benadeling van zijn schuldeisers.
4.9.
De bewijsvermoedens van artikel 3:46 jo. 3:47 BW, waarop [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zich beroept, zijn niet van toepassing, omdat de rechtshandelingen niet zijn verricht binnen één jaar voor de inroeping van de buitengerechtelijke vernietiging. Of er sprake was van wetenschap van benadeling is, is een feitelijke vraag, die aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval beoordeeld moet worden. Uit het procesdossier volgt dat erflater betalingsregelingen heeft getroffen met Syncasso en [naam gerechtsdeurwaarders] . Van het treffen van een betalingsregeling met schuldeisers moet erflater op de hoogte zijn geweest, omdat hij daar zelf om verzocht zal hebben, althans daar zelf mee ingestemd moet hebben. Voor de rechtbank staat hiermee voldoende vast dat erflater bekend was met zijn schuld aan voornoemde schuldeisers. De rechtbank is dan ook van oordeel dat erflater wist of behoorde te weten dat hij met het overboeken van de bedragen en het schenken van de auto een (of meer) schuldeiser(s) zou benadelen.
Tussenconclusie
4.10.
Nu de rechtbank van oordeel is dat aan de vereisten van artikel 3:45 lid 1 BW is voldaan, brengt dit met zich mee dat de rechtshandelingen, te weten de in rov. 2.4. bedoelde betalingen en schenking van de auto, door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] op goede gronden zijn vernietigd.
Derdenbescherming artikel 3:45 lid 3 BW?
4.11.
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] doet subsidiair een beroep op derdenbescherming van artikel 3:45 lid 3 BW. Op grond van voornoemd artikellid heeft de vernietiging van een rechtshandeling geen werking jegens een verkrijger te goeder trouw, voor zover deze aantoont dat hij ten tijde van het beroep op de vernietigbaarheid niet ten gevolge van de rechtshandeling was gebaat. De eis van goede trouw houdt in dat een bevoordeelde alleen een beroep op derdenbescherming kan toekomen, wanneer hij op het moment van de rechtshandeling de benadeling van de schuldeiser(s) niet kende noch behoorde te kennen. De rechtbank zal per rechtshandeling moeten beoordelen of [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] aan deze twee voorwaarden voldoet. Indien zij aan beide voorwaarden voldoet, dan heeft de vernietiging van de rechtshandelingen geen werking jegens haar.
4.12.
Voor een succesvol beroep op derdenbescherming is aldus vereist dat de verkrijger ten tijde van de verklaring of het instellen van de vordering tot vernietiging niet was gebaat ten gevolge van de rechtshandeling. Volgens de parlementaire geschiedenis is dit het geval indien het verkregene zich op het tijdstip van de verklaring of het beroep op vernietigbaarheid niet meer in het vermogen van de verkrijger bevindt, bijvoorbeeld omdat het is verteerd of verbruikt (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 399).
4.13.
Voor wat betreft de schenking van de auto overweegt de rechtbank als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is onweersproken vast komen te staan dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] de auto nog steeds in haar bezit heeft en ook gebruikt. Daarmee staat tevens vast dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] door de rechtshandeling is gebaat. Het gevolg daarvan is dat aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] geen beroep op derdenbescherming toekomt.
4.14.
Voor wat betreft de overboekingen van in totaal € 30.000,- ligt dit mogelijk anders. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat dit bedrag is besteed aan vakanties en andere zaken. Het geld is volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] volledig uitgegeven. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling echter gemotiveerd betwist en heeft aangevoerd dat het ongeloofwaardig is dat een zodanig groot bedrag is opgemaakt in een relatief korte periode. De precieze betalingsstromen volgen ook niet duidelijk uit de bankafschriften, aldus [eiser in conventie, verweerder in reconventie] .
4.15.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit de verklaringen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] en de bankafschriften kan de rechtbank niet voldoende duidelijk afleiden of de door erflater overgeboekte bedragen al volledig waren verbruikt ten tijde van de buitengerechtelijke vernietiging op 16 februari 2022. Indien [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op het moment van de vernietiging niets meer van het overgeboekte bedrag van € 30.000,- tot haar beschikking had, dan is het gevolg daarvan dat zij niet is gebaat door de rechtshandelingen.
4.16.
Gelet op de – naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerde – onderbouwing van de stelling van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] en gelet op de – eveneens voldoende gemotiveerde – betwisting van die stelling door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] , zal de rechtbank [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , overeenkomstig het bepaalde in artikel 150 Rv, opdragen de feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op 16 februari 2022, het moment waarop de buitengerechtelijke vernietiging van de rechtshandelingen is ingeroepen, niet ten gevolge van de overboekingen van de gelden van in totaal € 30.000,- was gebaat.
4.17.
Voor een succesvol beroep op derdenbescherming is voorts vereist dat de verkrijger aantoont dat hij te goeder trouw was. Hierbij is het tijdstip waarop de rechtshandeling werd verricht van belang. De overboekingen door erflater aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zijn verricht op 14 april 2019 en 29 juli 2019.
4.17.1.
[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt dat zij te goeder trouw was en dat zij nooit heeft geweten dat erflater openstaande en opeisbare schulden had. Erflater wist dat hij wegens zijn ziekte niet meer lang te leven had en hij wilde daarom graag leuke dingen doen met de schadevergoeding die hij had ontvangen als compensatie voor het werken met asbest. Dat erflater in het verleden persoonlijk failliet is geweest en dat dit faillissement met schulden en betalingsregelingen is geëindigd, wist [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] naar eigen zeggen niet. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft ook verklaard dat, toen zij erachter kwam dat erflater een belastingschuld had, zij erflater heeft geholpen om de belastingschuld af te betalen.
4.17.2.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] betwist dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] te goeder trouw was. Hij acht dit standpunt niet houdbaar, omdat erflater en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] een gezamenlijke bankrekening hadden en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] inzage had in de financiën van erflater. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] had volgens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] op zijn minst moeten kunnen zien dat er betalingsregelingen met schuldeisers liepen.
4.18.
Aangezien [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] naar oordeel van de rechtbank heeft voldaan aan haar stelplicht en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] die stelling voldoende gemotiveerd heeft betwist, zal de rechtbank [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ook op dit punt een bewijsopdracht verstrekken overeenkomstig het bepaalde in artikel 150 Rv. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dient derhalve de feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat zij op het moment van het verrichten van de rechtshandelingen, te weten de overboekingen op 14 april 2019 en 29 juli 2019, niet wist noch behoorde te weten dat van die rechtshandelingen benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn.
4.19.
De zaak zal worden verwezen naar na te noemen rol voor akte aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] over de wijze waarop zij het vereiste bewijs wil leveren.
4.20.
In afwachting van bewijslevering van de in rov. 4.16 en 4.18 genoemde uitlatingen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , wordt iedere verdere beslissing in conventie aangehouden.
in voorwaardelijke reconventie
4.21.
In afwachting van bewijslevering in conventie wordt iedere verdere beslissing in voorwaardelijke reconventie aangehouden.
5. 5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
laat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] toe om door alle middelen rechtens te bewijzen de feiten en omstandigheden, waaruit blijkt:
- dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op het moment van het verrichten van de rechtshandelingen, te weten de overboekingen op 14 april 2019 en 29 juli 2019, niet wist noch behoorde te weten dat van de rechtshandelingen benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn, en
- dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op 16 februari 2022, het moment waarop de buitengerechtelijke vernietiging van de rechtshandelingen is ingeroepen, niet ten gevolge van de overboekingen van de gelden van in totaal € 30.000,- was gebaat.
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 31 januari 2024 voor akte aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , waarbij zij zich kan uitlaten over de wijze waarop zij het bewijs wenst te leveren,
5.3.
bepaalt dat als [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] bewijs wil leveren door middel van schriftelijke stukken, zij deze stukken op de hiervoor vermelde rolzitting dient over te leggen,
5.4.
bepaalt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , als zij bewijs door getuigen wil leveren, de naam en woonplaats van de te horen getuigen moet opgeven met de verhinderdata over de maanden mei tot en met september 2024 van haarzelf, haar advocaat en de getuigen en de wederpartij en diens advocaat, waarna een dag voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld,
5.5.
bepaalt dat, als een getuigenverhoor wordt gehouden, dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. V.E.J. Noelmans in het gerechtsgebouw te Maastricht aan Sint Annadal 1 en dat beide partijen daarbij aanwezig moeten zijn om eventueel aansluitend aan het verhoor de zaak te bespreken en om te bekijken of een schikking mogelijk is,
5.6.
bepaalt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] uiterlijk twee weken vóór het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moet toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in voorwaardelijke reconventie
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2024.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑01‑2024