Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.4
5.3.4 Periodieke stille cessie/verpanding
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480530:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Janssen 1992, p. 157-166, heeft verdedigd dat de verpanding bij voorbaat kan worden verrichten onder opschortende voorwaarde van het ontstaan van de rechtsverhouding die de grondslag vormt voor de toekomstige vordering. Deze opvatting moet worden verworpen. Bij gebreke van een bestaande rechtsverhouding is een stille verpanding bij voorbaat simpelweg ongeldig. Het verrichten van die handeling onder de genoemde opschortende voorwaarde is mijns inziens evenmin mogelijk.
Indien de cessionaris of pandhouder daarbij de bevoegdheid tot incasso (voorwaardelijk of tot een nadere mededeling) verleent aan de cedent/pandgever, ontstaat een toestand die praktisch overeenstemt met een stille cessie of verpanding bij voorbaat. De teruggave van de bevoegdheid om de betreffende vordering te incasseren kan bij pandrecht worden gebaseerd op art. 3:246 lid 4 BW. Bij cessie kan zij worden gebaseerd op een contractuele (privatieve) machtiging (vgl. art. 7:424 jo. 423 BW) van de cedent door de cessionaris.
Vgl. HR 20 september 2002, NJ 2004/182, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./Rabobank).
Vgl. HR 25 februari 1987, NJ 1987/657, m.nt. W.C.L. van der Grinten; TM en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 263-265; en Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/ 26. Zie ook HR 1 februari 2013, JOR 2013/155, m.nt. B.A. Schuijling & N.E.D. Faber, NJ 2013/156, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Van Leuveren q.q./ING).
218. De beperking van art. 3:94 lid 3/239 lid 1 BW verhindert dat met één handeling alle toekomstige vorderingen van een persoon stil gecedeerd/ verpand kunnen worden. Voor deze wettelijke beperking bestaan twee praktische ‘oplossingen’: een openbare cessie/verpanding of een periodieke (herhaalde) stille cessie/verpanding.1
Voor zover de toekomstige vorderingen vooralsnog geen rechtstreekse grondslag hebben in een reeds bestaande rechtsverhouding, maar de toekomstige schuldenaar reeds bekend is, kunnen de vorderingen zonder bezwaar bij voorbaat openbaar worden verpand of gecedeerd. Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, geldt voor de openbare cessie of verpanding bij voorbaat niet de beperking dat de toekomstige vordering rechtstreeks moet voortvloeien uit een ten tijde van de levering reeds bestaande rechtsverhouding.2
Is de toekomstige schuldenaar van de vorderingen nog niet bekend, dan vormt de openbare cessie of verpanding bij voorbaat geen alternatief. In dat geval resteert slechts de optie om periodiek een aanvullende cessie of verpanding te verrichten waarbij steeds de nieuwe daarvoor vatbare (huidige en toekomstige) vorderingen worden geleverd of verpand. In de bancaire kredietverlening is de periodieke stille verpanding van vorderingen de gebruikelijke methode om de nakoming te bewerkstelligen van de verplichting van de kredietnemer jegens de bank tot vestiging van zekerheid op al zijn huidige en toekomstige vorderingen. De administratieve lasten die gepaard gaan met een periodieke verpanding kunnen sterk worden verlicht. De toelaatbaarheid van een generieke omschrijving van de te verpanden vorderingen heeft de rol van de pandgever gereduceerd tot het enkele ondertekenen van een gestandaardiseerde aanvullende pandakte. De herhaalde medewerking van de pandgever aan het opmaken van de aanvullende pandaktes (pandlijsten) kan door de pandhouder worden verricht als vertegenwoordiger van de pandgever. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de pandhouder tot verpanding van vorderingen wordt gebaseerd op een daartoe strekkende en door de pandgever verstrekte (onherroepelijke) volmacht.3 Deze volmacht kan vormvrij worden verleend. Dat de volmacht strekt tot het verrichten van een rechtshandeling waarvoor een authentieke akte of geregistreerde onderhandse akte is vereist, brengt – zonder een daartoe strekkend wettelijk voorschrift – nog niet met zich dat de volmacht ook in deze vorm moet worden verleend.4