HR, 26-03-2024, nr. 23/00236
ECLI:NL:HR:2024:443
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-03-2024
- Zaaknummer
23/00236
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:443, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑03‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:52
- Vindplaatsen
Uitspraak 26‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op diverse voorwerpen onder klaagster t.z.v. verdenking van witwassen, terwijl haar partner is veroordeeld wegens deelname aan criminele organisatie en handel in verdovende middelen en tegen hem ontnemingsprocedure loopt ten behoeve waarvan op voorwerpen ook beslag ex art. 94a Sv is gelegd. Heeft Rb de juiste maatstaf toegepast? Bij beoordeling van klaagschrift van beslagene dat is gericht tegen beslag ex art. 94 Sv moet rechter a. beoordelen of belang van strafvordering het voortduren van beslag vordert en, zo nee, b. teruggave van inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. dat voorwerp moet worden beschouwd. Rb heeft met toepassing van deze maatstaf geoordeeld dat strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van beslag, omdat onderzoek nog loopt. Rb heeft daartoe o.m. overwogen dat voorwerpen in beslag zijn genomen met het doel w.v.v. aan te tonen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen dat Rb heeft vastgesteld dat klaagster verdachte is van witwassen, niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat Rb daarnaast heeft overwogen dat beslag mede kan dienen als zekerheidsstelling in ontnemingsprocedure tegen partner van klaagster. V.zv. middel klaagt over ongegrondverklaring van beklag ex art. 94a Sv gelegd beslag mist het feitelijke grondslag, nu beklag zich niet tegen dat beslag richtte en Rb daarover dus niet heeft geoordeeld. Volgt verwerping. Samenhang met 22/03732 B. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00236 B
Datum 26 maart 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 16 augustus 2022, nummer RK 22-012203, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht maar alleen voor zover deze betrekking heeft op het beklag over de op 8 oktober 2018 in beslag genomen voorwerpen, teneinde op het bestaande beklag over die voorwerpen opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de ongegrondverklaring van het beklag tegen het op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gelegde beslag.
2.2.1
Het klaagschrift houdt onder meer in:
“1. [klaagster] , hierna te noemen klaagster, zijnde degene onder wie het beslag is gelegd, heeft mij verzocht beklag in te stellen tegen de inbeslagname van de voorwerpen welke op 8 oktober 2018 en op 1 november 2021 tijdens de doorzoekingen van de woning van klaagster aan [a-straat 1] te [plaats] in beslag zijn genomen. (...)
2. De volgende voorwerpen zijn in beslag genomen onder klaagster op de grondslag van artikel 94 WvSr. Dit betreffen voorwerpen waar nog geen beslissing over genomen is en die eigendom zijn van klaagster, welke zij graag terug wil:
Doorzoeking woning van 8 oktober 2018
(...)
Doorzoeking woning 1 november 2021
(...)
6. Naar het oordeel van klaagster verzet het belang van strafvordering zich niet tegen de teruggave van deze voorwerpen. Er is geen reden om aan te nemen dat deze voorwerpen nog kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. De voorwerpen zijn in het huis van klaagster in beslag genomen en in het geval van de voorwerpen genoemd in bijlage 1 is het buiten redelijke twijfel dat de klaagster als eigenaar van de voorwerpen moet worden aangemerkt.
7. Volgens hetgeen bepaald in artikel 116 lid 1 Wetboek van Strafvordering dienen de in beslag genomen voorwerpen te worden teruggeven aan klaagster, indien het strafvorderlijk belang niet of niet langer aanwezig is.”
2.2.2
De rechtbank heeft het klaagschrift van de klaagster ongegrond verklaard voor zover het ziet op de voorwerpen waarvan de teruggave niet is bevolen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen:
“Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv, blijkt dat op 8 oktober 2018 en op 1 november 2021 onder klaagster in het strafvorderlijk onderzoek tegen haar en tegen de belanghebbende [betrokkene 1] een groot aantal goederen in beslag is genomen.
(...)
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
de op 8 oktober 2018 inbeslaggenomen voorwerpen:
(...)
en de op 1 november 2021 inbeslaggenomen voorwerpen
(...)
Beoordeling
(...)
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager -, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
De partner van klaagster, [betrokkene 1] , is veroordeeld ter zake tot een langdurige gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie en – kortgezegd – handel in verdovende middelen. Tegen hem loopt verder nog een ontnemingsprocedure in het kader van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Klaagster is zelf verdachte van witwassen en onder haar zijn op 1 november 2021 een groot aantal goederen inbeslaggenomen op grond van artikel 94 Sv.
Op de onder klaagster inbeslaggenomen voorwerpen rust tevens conservatoir beslag ten behoeve van de ontnemingsprocedure tegen de belanghebbende [betrokkene 1] .
Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag, omdat het onderzoek nog loopt. De voorwerpen zijn immers in beslag genomen met het doel wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en te kunnen dienen als zekerheidsstelling in de ontnemingsprocedure tegen de belanghebbende [betrokkene 1] .
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard voor zover het ziet op de voorwerpen waarvan de teruggave niet is bevolen.”
2.3
De rechtbank heeft vastgesteld dat op 8 oktober 2018 en op 1 november 2021 onder de klaagster op grond van artikel 94 Sv beslag is gelegd op de in het klaagschrift bedoelde voorwerpen. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat. Bij die belangen kan het gaan om het aan de dag brengen van de waarheid – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het belang van strafvordering vordert ook het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 552f Sv.
2.4
De rechtbank heeft met toepassing van deze maatstaf geoordeeld dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag omdat het onderzoek nog loopt. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat de voorwerpen in beslag genomen zijn met het doel wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de klaagster verdachte is van witwassen, niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de rechtbank daarnaast heeft overwogen dat het beslag mede kan dienen als zekerheidsstelling in de ontnemingsprocedure tegen [betrokkene 1] .
2.5
De klacht faalt.
2.6
Voor zover het cassatiemiddel klaagt over ongegrondverklaring van het beklag tegen het op de voet van artikel 94a Sv gelegde beslag mist het feitelijke grondslag, nu het beklag zich niet tegen dat beslag richtte en de rechtbank daarover dus niet heeft geoordeeld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2024.