HR, 27-09-2024, nr. 24/01100
ECLI:NL:HR:2024:1301
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-09-2024
- Zaaknummer
24/01100
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2024
ECLI:NL:HR:2024:1301, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑09‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:1094
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2024/1582
NLF 2024/2175
NTFR 2024/1619 met annotatie van A. Oosters Bec
Viditax (FutD) 2024092712
FutD 2024-2039
Beroepschrift 27‑09‑2024
Datum: 21 maart 2024
Betreft: zaaknummer BK-ARN 23/1166 van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13-02-2024.
Geschil: Het is, volgens artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet, verboden om een tarief vast te stellen dat afhankelijk is van inkomen, winst of vermogen omdat dit voorbehouden is aan het Rijk.
Omschrijving van de uitspraak:
In de uitspraak worden diverse gerechtelijke uitspraken benoemd. In het beroepschrift wordt duidelijk gemaakt dat het gaat om het begrip afhankelijk maar in geen van deze uitspraken en ook niet in deze uitspraak komt naar voren wat er mis is aan de het begrip afhankelijk zoals ik dat in het beroepschrift vermeld heb conform beschreven in het Groot Woordenboek der Nederlandse taal. Het begrip afhankelijk is geheel genegeerd en kan het niet terugvinden in de uitspraak.
Gronden voor het beroep in cassatie:
Juist uitgelegd: Het begrip afhankelijk wordt niet uitgelegd. Voor de juiste uitleg verwijs ik naar mijn beroepschrift van 17-04-2023.
Juist toegepast: Het begrip afhankelijk is niet uitgelegd en dan kan een rechter niet oordelen of het tarief van de forensenbelasting wel of niet afhankelijk is van vermogen.
Uitspraak voldoende gemotiveerd? In de uitspraak onder punt 4.4 worden aan diverse uitspraken gerefereerd.
ECLI:NL:2021:8099 Onder punt 2.10 is het begrip vermogen omschreven. Het begrip afhankelijk niet.
ECLI:NL:GHARL:2023:5911 onder 4.8.4 is het begrip vermogen omschreven. Het begrip afhankelijk niet.
ECLI:NL:HR:2022:1098 de HR heeft niet gemotiveerd welke klachten beoordeeld zijn.
ECLI:NL:HR:2021:648 onder 4.2 staat dat de gemeente het tarief afhankelijk mag maken van de WOZ-waarde. Dit is onvoldoende gemotiveerd. Namelijk de WOZ-waarde behoord tot het vermogen en is daarmee in strijd met artikel 219, lid 2, van de gemeentewet.
Uitspraak begrijpelijk gemotiveerd? Het begrip afhankelijk is niet gemotiveerd dus ook niet begrijpelijk.
Punt 4.6 is onbegrijpelijk geformuleerd. Indien het over het toetsen gaat dan is dat niet van belang voor het afhankelijk zijn van vermogen. Het kan daarmee genegeerd worden.
Rechtsontwikkeling:
Voor de rechtsontwikkeling is het van essentieel belang duiding te geven aan het begrip afhankelijk.
Belang van het cassatieberoep:
Het belang van dit beroep is dat er een einde komt aan dit slepende conflict. Na te veel rechtszaken heeft de rechter deugdelijk gemotiveerd dat de WOZ-waarde een vermogensbestanddeel is en dus tot het vermogen behoord. In deze motivatie kan ik en alle Nederlanders zich prima vinden. Nu gaat het om een deugdelijke motivering van het begrip afhankelijk.
Uitspraak 27‑09‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01100
Datum 27 september 2024
ARREST
in de zaak van
[X1] en [X2] (hierna: belanghebbenden)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE OMMEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 februari 2024, nr. BK-ARN 23/11661., op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel (nr. ZWO 22/745) betreffende de aan belanghebbenden voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de forensenbelasting van de gemeente Ommen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Aangezien dit geschrift bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbenden is voor het jaar 2021 een aanslag in de forensenbelasting opgelegd ter zake van een woning waarvan zij eigenaar zijn en die niet hun hoofdverblijf is. De belasting is geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen (de WOZ-waarde) die geldt voor de woning voor het desbetreffende belastingjaar.
2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de WOZ-waarde geen verboden maatstaf van heffing is voor de forensenbelasting. Dat de heffing van de forensenbelasting direct afhankelijk is van de WOZ-waarde van een vermogensbestanddeel, te weten een woning, maakt die heffing niet afhankelijk van het in artikel 219 van de Gemeentewet bedoelde vermogen, aldus het Hof.
3. Beoordeling van de klachten
3.1
Voor zover de klachten zijn gericht tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof, falen zij op de gronden die zijn vermeld in het op 13 september 2024 uitgesproken arrest van de Hoge Raad met nummer 23/00801, ECLI:NL:HR:2024:1178, rechtsoverweging 4.3.
3.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑09‑2024