Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/4.8.4
4.8.4 De temporele reikwijdte in het licht van de wetsgeschiedenis
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648766:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II, 1969/70, 10689, nr. 7 (MvA), p. 7: “Crediteuren wier vordering dateert van voor de aansprakelijkstelling hebben voor zover zij geen garanties hebben bedongen genoegen genomen met de kredietwaardigheid van de vennootschap. Er bestaat geen reden aan hen ongevraagd een extra zekerheid uit de aansprakelijkstelling toe te kennen.”
Handelingen II 1970/71, p. 2979 en 2998.
In eerste instantie was de formulering ‘verbintenissen die de NV zal aangaan’ wat uiteindelijk is gewijzigd in ‘door de onderneming aangegane schulden’. De tekstuele wijziging moet niet worden opgevat als een uitbreiding van de temporele reikwijdte, zie Kamerstukken II 1973/74, 11005, nr. 64, p. 2.
In gelijke zin Bartman, Dorresteijn en Olaerts, “Immers, ook bestaande schuldeisers – en zeker zij die een duurcontract met de vrijgestelde rechtspersoon zijn aangegaan – wordt inzicht in de financiële positie van hun debiteur onthouden bij toepassing van het groepsregime. Dit ontneemt hen niet alleen het zicht op mogelijk verhaal bij wanprestatie, maar belet ook een zorgvuldige afweging bij (stilzwijgende) voortzetting van hun contractrelatie.” zie Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2016 met verwijzing naar Asser/Maeijer & Kroeze 2-I*, 2015/583.
Zie dezelfde passage, iets verderop; Kamerstukken II 1992/93, 22 896, nr. 3, p. 25.
Volgens sommige auteurs heeft de wetgever zich nooit gedistantieerd van de beperkte temporele reikwijdte; zie: Bartman & Dorresteijn 2006, p. 198. Ik meen dat de wetgever dit wel heeft gedaan, zij het enigszins impliciet.
De wetsgeschiedenis van artikel 2:403 BW brengt eveneens weinig duidelijkheid ten aanzien van de vraag of artikel 2:403 lid 1 sub f BW de ruime of de enge temporele reikwijdte beoogt. In de parlementaire geschiedenis van de voorlopers van artikel 2:403 BW zijn wel een aantal te vinden. aanwijzingen over hoe er in het verleden tegen de temporele reikwijdte aan werd gekeken. De tekst van het huidige artikel 2:403 BW sluit echter niet meer aan bij de tekst van al haar voorgangers.
Het oude artikel 42c lid 2 WvK sprak van verbintenissen die de vrijgestelde rechtspersoon ‘zal aangaan’. Daarin kan een duidelijke beperkte temporele reikwijdte worden gelezen. Bovendien wordt in de parlementaire geschiedenis uitdrukkelijk aangegeven dat aan bestaande schuldeisers geen extra zekerheden behoeven te worden verstrekt.1
Met de invoering van artikel 38 WJO werd de temporele reikwijdte van de aansprakelijkheid die de consoliderende rechtspersoon op zich diende te nemen teneinde de groepsvrijstelling te mogen toepassen wat minder duidelijk. Artikel 38 WJO sprak van ‘aangegane schulden’. Dat lijkt ook te slaan op in het verleden ontstane schulden. In de parlementaire geschiedenis van dit artikel zijn indicatoren te vinden die erop wijzen dat de aansprakelijkheidsverklaring niet geldt voor schulden die reeds bestaan wanneer de aansprakelijkheidsverklaring wordt gedeponeerd maar alleen ziet op schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die worden verricht na het deponeren van de aansprakelijkheidsverklaring.2 De minister van Justitie heeft onder andere opgemerkt dat de tekstuele wijziging niet tot doel had de aansprakelijkheid te verruimen. Toch doet de wijziging dat de aansprakelijkheidsverklaring geldt voor ‘door de onderneming aangegane schulden’ vermoeden dat de werking wel degelijk is verruimd.3
De opvolger van artikel 38 WJO is artikel 2:343 BW (oud). In dat artikel is de formulering gebruikt zoals die thans in artikel 2:403 BW is opgenomen. Dit betreft de ruime en geheel ongeclausuleerde formule ‘uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden’. Aangezien bestaande schulden die uit eerder verrichte rechtshandelingen ook uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden zijn, meen ik dat artikel 2:403 lid 1 sub f BW vereist dat ook bestaande schuldeisers die het zicht in de financiële stukken wordt ontnomen daarvoor moeten worden gecompenseerd.4
De communautaire wetgever spreekt van een garantstelling voor ‘aangegane verplichtingen’. Volgens de minister van Justitie is het huidige artikel 2:403 BW gebaseerd op artikel 57 van de Vierde Richtlijn.5 Vervolgens meldt de minister dat de aansprakelijkheid ook geldt voor schulden die reeds voor het afleggen van de verklaring uit rechtshandelingen zijn voortgevloeid.6 Uit deze aanwijzingen kan worden afgeleid dat de meest recente opvatting van de wetgever is dat de ruime temporele reikwijdte in acht dient te worden genomen bij het toepassen van de vrijstelling van de jaarrekeningenplicht.7