Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.5.3.2
6.5.3.2 Noodzaak tot verruiming definitie begrip ‘bouwterrein’
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291479:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 3, p. 36-36 en Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 19, p. 11.
A.F. Fruijtier en M.D.J. van der Wulp, ‘Slopen: niets is wat het lijkt?’, WFR 2010/383, R.A. Wolf, ‘Europees hof wil eerder een bouwterrein’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2013/2, p. 5-6, W. Nieuwenhuizen, ‘Maasdriel? Wetgever, keep it simple?!’, BTW-Bulletin 2013/85, B.G. van Zadelhoff, ‘Wat wij al jaren moesten weten, maar nooit eerder hebben gevraagd’, FBN 2013/3-11, M.M.W.D. Merkx, ‘Waarom conform?’, NTFR-A 2013/30, R.A. Wolf, Omzetbelasting en onroerend goed (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 67, B.G. van Zadelhoff, ‘Vrijstelling overdrachtsbelasting voor verkrijging btw-bouwterrein’, FBN 2016/7-8-33, E.W.E.M. Cox, 'Fiscale vastgoedbegrippen herontwikkeld', FTV 2016/48 en M.M.W.D. Merkx, ‘Belastingplan 2017: Vereenvoudiging en reparatie in de omzetbelasting’, WFR 2016/195, p. 1255-1256.
In gelijke zin: W. Tigchelaar en F.Y. Weeber, ‘Kennelijke (bouw)bestemming - het verschil tussen (on)bebouwd en bouwterrein’, WPNR 2017/7168, p. 839.
MvT, Kamerstukken II, 2016/17, 34 552, nr. 3, p. 36.
M. van der Wulp, ‘Bouwbestemming als toegevoegde waarde?’, BtwBrief 2016/107. In gelijke zin: R.A. Wolf, ‘Btw en bouwterreinen; het HvJ doet zich gelden’, FTV 2014/5-26 en besluit Staatssecretaris van Financiën 2 juni 2016, nr. BLKB2016/508M, V-N 2016/35.11. Anders: Rb Zeeland-West-Brabant 17 december 2015, nr. BRE 14/6545, V-N Vandaag 2016/862, r.o. 4.4 en Rb Zeeland-West-Brabant 7 juni 2018, nrs. BRE 16/7257, V-N 2018/67.23.12. In deze zaken heeft de rechtbank geoordeeld dat de richtlijnconforme uitleg van het begrip ‘bouwterrein’ doorwerkt naar de samenloopvrijstelling. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de toepassing van de samenloopvrijstelling in deze zaken (wel) in overeenstemming was met haar strekking, omdat de levering van de onbebouwde terreinen bestemd waren om te worden bebouwd maar niet voldeden aan de Nederlandse bouwterreincriteria en over de levering van deze terreinen btw was voldaan.Zie ook: M. Wörsdörfer, ‘Btw en overdrachtsbelasting - communicerende vaten of toch niet?’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2016/5-4, p. 13-16.
De wetgever heeft uit het Woningstichting Maasdriel-arrest afgeleid dat het Hof hierin het (unie)begrip ‘bouwterrein’ definieert als een onbebouwd terrein dat daadwerkelijk bestemd is om te worden bebouwd.1 Naar mijn mening is dat niet zuiver. Het begrip ‘bouwterrein’ is door het Hof van Justitie niet aangemerkt als een uniebegrip en het Hof heeft in het Woningstichting Maasdriel-arrest ook geen definitie van dit begrip gegeven. Het Hof heeft in dit arrest de grenzen aangegeven van de omschrijvingsvrijheid die art. 12 lid 3 Btw-richtlijn biedt. De wetgever kan echter worden toegegeven dat die grenzen maken dat de omschrijvingsvrijheid de facto een wassen neus is (zie paragraaf 6.5.1.2). Op grond van de definitie van het begrip ‘bouwterrein’ tot 1 januari 2017 werden niet alle onbebouwde terreinen die bestemd zijn om te worden bebouwd aangemerkt als een bouwterrein. Omdat een belastingplichtige zich rechtstreeks kan beroepen op de overschrijding van de grenzen aan de omschrijvingsvrijheid van het begrip ‘bouwterrein’ (zie paragraaf 6.5.1.2), heeft de wetgever terecht de mogelijkheid onderkend dat de belastingplichtige zich rechtstreeks beroept op art. 135 lid 1, onderdeel k jo. art. 12 lid 3 Btw-richtlijn.
Het voorgaande betekent dat het tot 1 januari 2017 mogelijk was dat een belastingplichtige bij de belastbare levering van een onbebouwd terrein dat daadwerkelijk bestemd was om te worden bebouwd, maar (nog) niet voldeed aan de oude bouwterreincriteria, met een rechtstreeks beroep op art. 135 lid 1, onderdeel k jo. art. 12 lid 3 Btw-richtlijn kon bewerkstelligen dat sprake was van de belaste levering van een bouwterrein. Hierdoor had de leverancier – naargelang voor hem het voordeligst was – de keuze om de levering van dit terrein op grond van het nationale begrip ‘bouwterrein’ als een vrijgestelde levering aan te merken dan wel op grond van een rechtstreeks beroep op art. 135 lid 1, onderdeel k jo. art. 12 lid 3 Btw-richtlijn aan te merken als de belaste levering van een bouwterrein.2 Door de verruiming van de definitie van het begrip bouwterrein tot onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd met één of meer gebouwen is aan die keuzemogelijkheid – en dus aan de té ruime toepassing van de vrijstelling van art. 135 lid 1, onderdeel k Btw-richtlijn – een einde gekomen. In zoverre kan gezegd worden dat de verruiming van de definitie van het begrip ‘bouwterrein’ noodzakelijk was.3
In de parlementaire geschiedenis is – zij het impliciet – ook gewezen op het gevaar van non-heffing, doordat de leverancier op grond van het nationale begrip ‘bouwterrein’ de vrijstelling toepast beroept en de verkrijger de ‘samenloopvrijstelling’ kan toepassen, omdat op grond van de Btw-richtlijn sprake is van de verkrijging van een bouwterrein (zie paragraaf 6.8).4 Naar mijn mening valt echter te betwijfelen of de verkrijger zich in dat geval, zoals in de parlementaire geschiedenis wordt verondersteld, rechtstreeks kon beroepen op art. 135 lid 1, onderdeel k jo. art. 12 lid 3 Btw-richtlijn. De samenloopvrijstelling was en is op grond van art. 15 lid 1, onderdeel a WBR van toepassing bij een verkrijging van een onroerende zaak krachtens een levering op grond van art. 11 lid 1, onderdeel a, 1° Wet OB. Op grond van de wetgeving tot 1 januari 2017 werd alleen een onbebouwd terrein dat aan één van de vier bouwterreincriteria in art. 11 lid 4 Wet OB voldeed, beschouwd als de (belaste) levering van een bouwterrein als bedoeld in art. 11 lid 1, onderdeel a, 1° Wet OB. De bewoordingen van de samenloopvrijstelling lieten naar mijn mening dan ook voldoende ruimte om alleen de verkrijging krachtens de (belaste) levering van een bouwterrein die voldeed aan de oude nationale definitie van het begrip ‘bouwterrein’ vrij te stellen, terwijl deze uitleg ook in overeenstemming is met de strekking van de samenloopvrijstelling (het voorkomen van dubbele belasting).5 Naar mijn mening was de verruiming van de definitie van het begrip ‘bouwterrein’ dan ook niet nodig om het gevaar van non-heffing af te wenden.