In de navolgende overwegingen geeft het hof een juiste samenvatting van de hier van belang zijnde bewijsmiddelen, die (ook) ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde met parketnummer 96- 225746-19 zijn opgenomen in de Aanvulling als bedoeld in art. 365a juncto 415 Sv op het arrest van het hof. Ik zie er daarom vanaf deze bewijsmiddelen hier nog eens volledig weer te geven.
HR, 22-10-2024, nr. 22/01553
ECLI:NL:HR:2024:1495
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-10-2024
- Zaaknummer
22/01553
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1495, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑10‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:2966
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:832
ECLI:NL:PHR:2024:832, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑08‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1495
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0254
Uitspraak 22‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit omstandigheden dat besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs per aangetekende brief is verzonden naar verdachte, dat verdachte op de hoogte is geweest van inhoud van brieven die naar hem zijn gestuurd door CBR (hij moet op straffe van ongeldigverklaring van rijbewijs meewerken aan onderzoek naar alcoholgebruik), dat namens verdachte bezwaar is gemaakt tegen besluit tot schorsing van geldigheid van rijbewijs, dat verdachte heeft gereageerd op oproep voor onderzoek en dat CBR zijn rijbewijs reeds heeft ontvangen, worden afgeleid dat verdachte “redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? Uit bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat verdachte op 2-8-2019 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Anders dan hof heeft geoordeeld, is omstandigheid dat besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs van verdachte per aangetekende brief is verzonden naar verdachte, daarvoor niet voldoende. Ook uit overige omstandigheden, die verband houden met onderzoek naar rijgeschiktheid en het al voorafgaand aan besluit tot ongeldigverklaring inleveren van rijbewijs, die hof in onderlinge samenhang in aanmerking heeft genomen, kan dit niet worden afgeleid. Bewezenverklaring is daarom op dit punt ontoereikend gemotiveerd (vgl. HR:2019:1146). Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/01554 en 22/01555.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01553
Datum 22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 april 2022, nummer 21-004577-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat in Almere, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het onder 1 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 96-225746-19, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat die zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 96-225746-19 onder 1 ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ‘redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 96-225746-19 onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 2 augustus 2019 te [plaats] terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen d.d. 3 maart 2017, inhoudende:
AANGETEKEND[verdachte][b-straat 1][plaats]
Dossiernummer: 2017003240Datum: 3 maart 2017Onderwerp: Besluit: onderzoek naar uw alcoholgebruik, voorlopig geen rijbewijs
Geachte [verdachte] ,
U bent aangehouden met te veel alcohol op. Daarom hebben we besloten dat u een onderzoek moet laten doen naar uw alcoholgebruik. De gemeten hoeveelheid alcohol was 785 ug/l of meer. Bij deze grens moeten we volgens de regelgeving ‘de geldigheid van uw rijbewijs schorsen’. Dat wil zeggen: u mag niet meer rijden tot de uitslag van het onderzoek. Het onderzoek is niet vrijblijvend. Werkt u niet mee, dan wordt uw rijbewijs ongeldig.
2. Een schriftelijk bescheid, te weten een bezwaarschrift d.d. 14 maart 2017, ondertekend door mr. J.J. van ’t Hoff van VTH Advocatuur met referentienummer 2017003240 en bijbehorende bijlagen, inhoudende:
Personalia en adresgegevens belanghebbendeAchternaam: [verdachte]Voornamen: [verdachte]Geboortedatum: [geboortedatum] 1960
Belanghebbende verklaart uitdrukkelijk woonplaats te kiezen ten kantore van de hierna te noemen advocaat, die door hem bepaaldelijk gevolmachtigd is om onderhavig bezwaarschrift te ondertekenen en namens hem in te dienen:
Gegevens advocaatNaam: Mr. J.J. van ’t HoffKantoor: VTH AdvocatuurPostcode en woonplaats: 5037 AC Tilburg
Het onderhavig bezwaarschrift richt zich tegen het besluit van het CBR met de navolgende kenmerken.Datum besluit: 3 maart 2017Inhoud/strekking: Oplegging onderzoek naar de rijgeschiktheidSchorsing geldigheid van het rijbewijsKenmerk: 2017003240
Een afschrift van de beslissing wordt als productie 1 aan dit bezwaarschrift gehecht.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen d.d. 22 mei 2017, inhoudende:
AANGETEKEND[verdachte][b-straat 1][plaats]
Datum: 22 mei 2017
Onderwerp: Oproep voor een onderzoek naar uw alcoholgebruik
Geachte [verdachte] ,
Hierbij ontvangt u een oproep voor een onderzoek naar uw alcoholgebruik. We hebben hiervoor een afspraak voor u gemaakt met [betrokkene 1] . Het onderzoek is op 20 juni 2017 om 12:45 uur. Het adres is: [c-staat 1] te [plaats] .
4. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen d.d. 2 juni 2017, inhoudende:
[verdachte][b-straat 1][plaats]
Datum: 2 juni 2017Onderwerp: Uitstel onderzoek
Geachte [verdachte] ,
We hebben een afspraak voor u gemaakt voor een onderzoek naar uw alcoholgebruik. Deze afspraak kan niet doorgaan, omdat uw dochtertje op die dag geopereerd wordt. Met u is telefonisch een nieuwe afspraak gemaakt.
5. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen d.d. 2 juni 2017, inhoudende:
[verdachte][b-straat 1][plaats]
Datum: 2 juni 2017Onderwerp: Oproep voor een onderzoek naar uw alcoholgebruik
Geachte [verdachte] ,
Hierbij ontvangt u een oproep voor een onderzoek naar uw alcoholgebruik. We hebben hiervoor een afspraak voor u gemaakt met [betrokkene 2] . Het onderzoek is op 31 juli 2017 om 09:30 uur. Het adres is: [d-straat 1] te [plaats] .
6. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen d.d. 4 oktober 2017, inhoudende:
AANGETEKEND[verdachte][b-straat 1][plaats]
Datum: 4 oktober 2017Onderwerp: Besluit: rijbewijs ongeldig
Geachte [verdachte] ,
Op 3 maart 2017 hebben we u een brief gestuurd. In die brief stond dat u een onderzoek naar uw alcoholgebruik moest laten doen. Helaas heeft u niet (volledig) aan het onderzoek meegewerkt. U bent dus ook niet (volledig) onderzocht. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 11 oktober 2017. U heeft de arts geen toestemming gegeven om het onderzoeksverslag naar ons te sturen. U bent verplicht om mee te werken aan alle onderdelen van het onderzoek. U mag uw rijbewijs niet meer gebruiken. U hoeft uw rijbewijs niet meer naar ons op te sturen. We hebben het namelijk al ontvangen.
7. Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mail, ondertekend door [betrokkene 3] , medewerkster Team Beoordeling van het CBR Divisie Rijgeschiktheid, inhoudende:
Betrokkene had bezwaar aangetekend maar deze weer ingetrokken. Het rijbewijs met [nummer] is ontvangen op 14-08-2017.
(...)
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal ZSM Artikel 9 WVW d.d. 2 augustus 2019 (...) en bijbehorende bijlagen, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0200-020820190137151166 d.d. 19 september 2019, inhoudende als verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] :
Ik, verbalisant, zag dat op 2 augustus 2019 om 01:37 uur op de [a-straat] te [plaats] , verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] , als bestuurder reed op genoemde weg/locatie. Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard. Zie de als bijlage bijgevoegde uitdraai BVI-IB.”
2.2.3
Het hof heeft verder overwogen:
“Standpunt van de verdedigingDoor de raadsman is namens verdachte naar voren gebracht dat verdachte moet worden vrijgesproken van (...) het onder 1 tenlastegelegde feit met parketnummer 96-225746-19, nu verdachte niet op de hoogte was van het feit dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, dan wel dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, omdat hij daar geen documenten van heeft ontvangen. Door de raadsman is voorts aangevoerd dat uit het enkele feit dat er een bezwaarschrift is ingediend namens verdachte, geen wetenschap bij de verdachte zelf kan worden afgeleid omdat in de praktijk het zo kan zijn dat het contact en de correspondentie met het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) via een raadsman of -vrouw loopt.
(...)
Oordeel van het hof
(...)
Zaak met parketnummer 96-225746-19 - Feiten 1 (...):Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat verdachte op 2 augustus 2019 in verband met een vermoeden van rijden onder invloed is staande gehouden. Na onderzoek bleek dat het rijbewijs van verdachte was ingevorderd.
Vanuit het CBR is reeds op 3 maart 2017 een aangetekende brief naar verdachte gestuurd waarin verdachte op de hoogte wordt gesteld van het besluit dat de geldigheid van zijn rijbewijs is geschorst en dat hij moet meewerken aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik. Indien verdachte niet aan het onderzoek naar zijn alcoholgebruik meewerkt, wordt zijn rijbewijs ongeldig verklaard, zo blijkt uit voornoemde brief.
Uit het dossier volgt dat verdachte bij aangetekende brief van 22 mei 2017 is opgeroepen voor een onderzoek naar zijn alcoholgebruik op 20 juni 2017. Blijkens een brief van 2 juni 2017 van het CBR aan verdachte kan de gemaakte afspraak op voornoemde datum niet doorgaan, omdat de dochter van verdachte op 20 juni 2017 wordt geopereerd. Door het CBR is een nieuwe afspraak met verdachte gemaakt.
Bij brief van 2 juni 2017 is verdachte door het CBR opgeroepen voor een onderzoek naar zijn alcoholgebruik op 31 juli 2017. Uiteindelijk wordt het rijbewijs van verdachte ongeldig verklaard, omdat verdachte de arts geen toestemming heeft gegeven om het onderzoeksverslag naar het CBR te sturen. Uit het dossier volgt dat dit besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aan verdachte per aangetekende brief van 4 oktober 2017 is verzonden.
Uit het vorenstaande leidt het hof af dat verdachte op de hoogte is geweest van de inhoud van de brieven die hem zijn gestuurd door het CBR. Daaruit bleek immers dat verdachte op straffe van ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik diende mee te werken. Verdachte heeft, nadat er namens hem bezwaar tegen het besluit tot schorsing was ingesteld, gereageerd op de oproep voor het onderzoek door contact op te nemen met het CBR om zijn afspraak te verzetten. Uit voornoemde brieven blijkt wat de gevolgen voor de geldigheid van het rijbewijs van verdachte zouden zijn, wanneer hij niet zou meewerken aan het onderzoek, te weten een ongeldigverklaring van het rijbewijs.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 2 augustus 2019 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af.”
2.3
Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat de verdachte op 2 augustus 2019 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Anders dan het hof heeft geoordeeld, is de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief is verzonden naar de verdachte, daarvoor niet voldoende. Ook uit de overige omstandigheden, die verband houden met het onderzoek naar de rijgeschiktheid en het al voorafgaand aan het besluit tot ongeldigverklaring inleveren van het rijbewijs, die het hof in onderlinge samenhang in aanmerking heeft genomen, kan dit niet worden afgeleid. De bewezenverklaring is daarom op dit punt ontoereikend gemotiveerd. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.)
2.4
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 96-225746-19 en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.
Conclusie 27‑08‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. De klacht over het oordeel van het hof dat de verdachte 'redelijkerwijs moest weten' dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, is terecht. De conclusie strekt in zoverre tot vernietiging van de uitspraak en terugwijzing naar het hof.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01553
Zitting 27 augustus 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte
Inleiding
- 1.
De verdachte is bij arrest van 13 april 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren wegens parketnummer 96-039556-18 onder 1 “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994" (verder: WVW 1994), onder 2 “overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de WVW 1994”, onder 3 “overtreding van artikel 9, zevende lid, van de WVW 1994” en parketnummer 96-225746-19 onder 1 “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de WVW 1994” en onder 2 “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de WVW 1994 (495 microgram)”, en tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van acht maanden (parketnummer 96-225746-19 onder 2).
- 2.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/01555 en 22/01554. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
- 3.
Namens de verdachte heeft D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat in Almere, een middel van cassatie voorgesteld.
Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
4. Het middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 96-225746-19 onder 1 tenlastegelegde feit. Dit feit houdt kort gezegd in, dat de verdachte een personenauto heeft bestuurd terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9, tweede lid, WVW 1994).
5. In de toelichting op het middel onderscheid ik twee deelklachten. Ik begrijp de steller van het middel aldus, dat naar zijn mening uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid (i) dat een besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte is verzonden of anderszins op geschikte wijze aan hem is bekend gemaakt, zodat niet vaststaat dat de ongeldigverklaring van het besluit van kracht is geworden, en (ii) dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Volgens de steller van het middel heeft het hof feitelijk niet méér vastgesteld dan dat er een aangetekende brief (ik, A-G, begrijp: die betrekking heeft op de ongeldigverklaring van het rijbewijs) aan de verdachte is verzonden en niet retour is gekomen.
De bewezenverklaring en de bewijsoverweging van het hof
6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“Zaak met parketnummer 96-225746-19 (gevoegd):
1. hij op 2 augustus 2019 te [plaats] terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;”
7. De bewijsoverweging van het hof houdt ter zake het volgende in:1.
“Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat verdachte op 2 augustus 2019 in verband met een vermoeden van rijden onder invloed is staande gehouden. Na onderzoek bleek dat het rijbewijs van verdachte was ingevorderd.
Vanuit het CBR is reeds op 3 maart 2017 een aangetekende brief naar verdachte gestuurd waarin verdachte op de hoogte wordt gesteld van het besluit dat de geldigheid van zijn rijbewijs is geschorst en dat hij moet meewerken aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik. Indien verdachte niet aan het onderzoek naar zijn alcoholgebruik meewerkt, wordt zijn rijbewijs ongeldig verklaard, zo blijkt uit voornoemde brief.
Uit het dossier volgt dat verdachte bij aangetekende brief van 22 mei 2017 is opgeroepen voor een onderzoek naar zijn alcoholgebruik op 20 juni 2017. Blijkens een brief van 2 juni 2017 van het CBR aan verdachte kan de gemaakte afspraak op voornoemde datum niet doorgaan, omdat de dochter van verdachte op 20 juni 2017 wordt geopereerd. Door het CBR is een nieuwe afspraak met verdachte gemaakt.
Bij brief van 2 juni 2017 is verdachte door het CBR opgeroepen voor een onderzoek naar zijn alcoholgebruik op 31 juli 2017. Uiteindelijk wordt het rijbewijs van verdachte ongeldig verklaard, omdat verdachte de arts geen toestemming heeft gegeven om het onderzoeksverslag naar het CBR te sturen. Uit het dossier volgt dat dit besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aan verdachte per aangetekende brief van 4 oktober 2017 is verzonden.
Uit het vorenstaande leidt het hof af dat verdachte op de hoogte is geweest van de inhoud van de brieven die hem zijn gestuurd door het CBR. Daaruit bleek immers dat verdachte op straffe van ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik diende te mee te werken. Verdachte heeft, nadat er namens hem bezwaar tegen het besluit tot schorsing was ingesteld, gereageerd op de oproep voor het onderzoek door contact op te nemen met het CBR om zijn afspraak te verzetten. Uit voornoemde brieven blijkt wat de gevolgen voor de geldigheid van het rijbewijs van verdachte zouden zijn, wanneer hij niet zou meewerken aan het onderzoek, te weten een ongeldigverklaring van het rijbewijs.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 2 augustus 2019 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. Nu verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend op voornoemde datum onder invloed van alcohol te hebben gereden, acht het hof het onder 2 tenlastegelegde feit eveneens wettig en overtuigend bewezen.”
Beoordeling van het middel
8. Ik houd het kort en volsta voor een uiteenzetting van het toepasselijke juridisch kader naar HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. Vellinga,2.waarin de Hoge Raad in dit verband drie bewijsvereisten formuleert. Ik meen dat de bewijsvoering van het hof niet aan dat kader voldoet. Zo kan al uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte "redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
9. Het middel is reeds om die reden gegrond.
Slotsom
10. Het cassatiemiddel slaagt.
11. Ambtshalve merk ik op dat de behandeltermijn in cassatie is overschreden nu de Hoge Raad de zaak niet meer binnen de daarvoor gestelde termijn van twee jaren kan afdoen. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen of teruggewezen kan daarmee rekening houden.
12. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het onder 1 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 96-225746-19, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat die zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑08‑2024
Zie ook mijn conclusie van 21 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:512 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/).