RvS, 26-01-2021, nr. 201903708/1/V1
ECLI:NL:RVS:2021:227
- Instantie
Raad van State
- Datum
26-01-2021
- Magistraten
Mrs. J.J. van Eck, H. Troostwijk, D.A. Verburg
- Zaaknummer
201903708/1/V1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2021:227, Uitspraak, Raad van State, 26‑01‑2021
Uitspraak 26‑01‑2021
Mrs. J.J. van Eck, H. Troostwijk, D.A. Verburg
Partij(en)
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 19 april 2019 in zaak nr. 18/7799 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 4 mei 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 27 september 2018 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. H.C. van Asperen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Desgevraagd heeft de staatssecretaris twee vragen van de Afdeling beantwoord. De vreemdelingen hebben daar op gereageerd.
Overwegingen
1.
De vreemdelingen hebben gesteld dat zij een 47-jarige man en 39-jarige vrouw zijn en dat zij de Eritrese nationaliteit bezitten. Zij beogen verblijf bij referent, een 22-jarige vrouw die de Eritrese nationaliteit bezit, naar gesteld hun dochter. Referent was minderjarig toen zij de machtigingen tot voorlopig verblijf aanvroeg. Deze uitspraak gaat over de vraag of bij de beoordeling van een mvv-aanvraag voor ouders een bijstandskuitkering meetelt bij de bepaling of een inmiddels volwassen kind van (naar gesteld) die ouders in eigen onderhoud voorziet en over de vraag welk recht op het besluit van toepassing is.
2.
Volgens de staatssecretaris is er geen reden om bij de vreemdelingen te twijfelen aan de identiteit van de man, maar hij twijfelt aan de gestelde identiteit van de vrouw. Hij heeft haar toch geen nader onderzoek aangeboden en de afwijzing van de aanvragen gehandhaafd, omdat de gezinsband tussen referent en de vreemdelingen volgens hem is verbroken. Referent heeft namelijk de zorg voor een buitenechtelijk kind gekregen. Zij woont zelfstandig en voorziet in haar eigen onderhoud. De uitkomst van het nader onderzoek naar de identiteit van de vrouw kan daarom niet tot een ander besluit leiden, aldus de staatssecretaris in de bestuurlijke-besluitvormingsfase.
3.
In de eerste grief klagen de vreemdelingen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat referent zelfstandig woont met haar dochter, dat zij een uitkering en toeslagen ontvangt en dat zij hiermee voorziet in haar eigen levensonderhoud, omdat de uitkering die zij ontvangt zelfstandig inkomen vormt. Ook heeft de rechtbank volgens de vreemdelingen ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de feitelijke gezinsband tussen de vreemdelingen en referent is verbroken. Volgens de vreemdelingen heeft de rechtbank niet onderkend dat een uitkering geen zelfstandig inkomen is als bedoeld in paragraaf C2/4 van de Vc 2000 (hierna: het beleid). Als dat wel zo was, zou elke voormalige alleenstaande minderjarige vreemdeling nadat hij achttien jaar is geworden voorzien in zijn eigen onderhoud. Dit zou dat criterium tot een loze bepaling maken. Referent voorziet dan ook niet in haar eigen onderhoud en zij behoort nog tot hun gezin, aldus de vreemdelingen.
3.1.
Het beleid luidde ten tijde van de aanvraag, voor zover relevant: ‘Het uitgangspunt is dat voor biologische minderjarige kinderen geldt dat de biologische band tussen de ouder(s) en het kind als feitelijke gezinsband wordt aangemerkt. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties eindigt de gezinsband tussen ouders en hun minderjarige biologische kinderen. Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden (contra-indicaties), kan in ieder geval worden aangenomen dat het kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort: (1) het kind woont zelfstandig en voorziet in eigen onderhoud; (2) het kind is een huwelijk of relatie aangegaan; (3) het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind. Indien het kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, is dit alleen een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien daarnaast sprake is van één van de eerste twee hiervóór genoemde omstandigheden. […] Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden (contra-indicaties), kan in ieder geval worden aangenomen dat het meerderjarige kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort: […] het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind.’
3.2.
De staatssecretaris heeft zich in zijn beantwoording van de vragen van de Afdeling op het standpunt gesteld dat hij in het besluit ten onrechte als contra-indicatie heeft aangenomen dat referent zelfstandig woont en in haar eigen onderhoud voorziet. Een bijstandsuitkering kan niet als zodanig worden aangemerkt. Hieruit volgt al dat de staatssecretaris het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd en dat de grief slaagt.
4.
De staatssecretaris heeft aan zijn standpunt vastgehouden dat het enkele feit dat op referent, nadat zij meerderjarig is geworden, de zorg is komen te rusten voor een buitenechtelijk kind, reden is om aan te nemen dat zij niet meer feitelijk behoort tot het gezin van haar ouders. Volgens de staatssecretaris volgt dat uit het beleid zoals dat tegenwoordig luidt, namelijk dat het beleid voor meerderjarigen van toepassing is waar het gaat om feiten en omstandigheden die zich na binnenkomst van referent in Nederland hebben voorgedaan als een referent meerderjarig was toen die feiten en omstandigheden zich voordeden. Dit beleid vloeit volgens de staatssecretaris voort uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 32, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
4.1.
De staatssecretaris stelt zich tevergeefs op dit standpunt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2914, onder 5.1, volgt namelijk dat artikel 1.27 van het Vb 2000 van toepassing is op een mvv-aanvraag. Ingevolge dat artikel moet de staatssecretaris, voor zover hier relevant, het recht toepassen zoals dat gold op het tijdstip waarop hij de aanvraag heeft ontvangen. Referent was minderjarig toen de staatssecretaris de aanvraag ontving en meerderjarig toen het kind werd geboren. Uit de onder 4 genoemde artikelen of andere wettelijke bepalingen volgt niet dat de staatssecretaris het beleid moet toepassen dat hoort bij de leeftijd van de referent op het moment dat de contra-indicatie zich voordoet. Dat het huidige beleid wel voorziet in deze mogelijkheid kan niet afdoen aan het wettelijk voorschrift dat artikel 1.27 van het Vb 2000 is. Er bestaat daarom geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.
5.
Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdelingen verder aanvoeren te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit wordt vernietigd. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen op het door de vreemdelingen gemaakte bezwaar. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
- I.
verklaart het hoger beroep gegrond;
- II.
vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 19 april 2019 in zaak nr. 18/7799;
- III.
verklaart het beroep gegrond;
- IV.
vernietigt het besluit van 27 september 2018, V-nrs. […] en […];
- V.
veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.869,00 (zegge: achttienhonderdnegenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- VI.
gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van beroep en hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2021