Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/1.1
1.1 Aanleiding en belang
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85869:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
M. Olaerts, ‘Perikelen in concernverhoudingen’, TvOB 2011/1, p. 6. In voetnoot 2 liet zij volgen dat BP de CEO van het bedrijf als afgevaardigde naar president Obama stuurde om daar de verontwaardiging van de Verenigde Staten aan te horen. Cf. P.I. Blumberg et al., Blumberg on Corporate Groups, volume 1, New York: Wolters Kluwer Law & Business, p. 2-4 (losbladig): ‘Today, in the multitiered group, limited liability protects each successive tier of companies from the liabilities of their lower-tier subsidiaries, creating layer upon layer of limited liability for the parent coporation. Although they are all collectively engaged in conducting integrated parts of the enterprise, each holding company and subholding company in the corporate group today enjoys the same benefits of limited liability that historically were available only to the ultimate investors in the enterprise [curs. RPJ].’ Vide ook P.I. Blumberg et al., Blumberg on Corporate Groups, volume 1, New York: Wolters Kluwer Law & Business, p. xiii (losbladig), alwaar wij lezen dat ‘[t]he expansive limited liability provided under these circumstances goes far beyond the original policy goals of limited liability – limited protection for the public investor shareholders of the parent corporation [curs. RPJ]’.
Aldus ook S.M. Bartman, A.F.M. Dorresteijn en M. Olaerts, Van het concern, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 1. S.M. Bartman, Concernbeleid en aansprakelijkheid. Over (o.a.) convergentie in rechtsdenken op het gebied van concernverhoudingen tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland (diss. Utrecht), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 6, Deventer: Kluwer 1989, p. 1 noemde dit het ‘wezenskenmerk’ van het concernverband.
D.J. Sannes, De Rechtsverhouding van Moeder- en Dochtermaatschappij. Onderling en ten aanzien van derden (diss. Utrecht), Utrecht 1926.
W.K. Franken, Aspecten van het concernrecht (diss. Utrecht), Groningen: H.D. Tjeenk Willink 1976.
H.J.M.N. Honée, Concernrecht en medezeggenschapsregelingen (diss. Nijmegen), Serie Vennootschaps- en rechtspersonenrecht, deel 21, Deventer: Kluwer 1981.
L. Timmerman, Over multinationale ondernemingen en medezeggenschap van werknemers (diss. Utrecht), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 4, Deventer: Kluwer 1988.
M.P. van Achterberg, De juridische definitie van het economische verschijnsel concern in het ondernemingsrecht. Een beschouwing over de problemen die samenhangen met de juridische definiëring van het economische verschijnsel concern, mede aan de hand van de definitieproblematiek die in de geconsolideerde jaarrekening naar voren komt (diss. Amsterdam VU), Serie Vennootschaps- en rechtspersonenrecht, deel 33, Deventer: Kluwer 1989.
Bartman 1989.
J.W. Winter, Concernfinanciering (diss. Groningen), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 15, Deventer: Kluwer 1992.
L.G.H.J. Houwen, A.P. Schoonbrood-Wessels en J.A.W. Schreurs, Aansprakelijkheid in concernverhoudingen. Een rechtsvergelijkende studie naar de positie van crediteuren van concernafhankelijke vennootschappen in Duitsland, Frankrijk, Engeland en Nederland (diss. Nijmegen), Serie Vennootschaps- en rechtspersonenrecht, deel 42, Deventer: Kluwer 1993.
M.L. Lennarts, Concernaansprakelijkheid (diss. Groningen), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 32, Deventer: Kluwer 1999.
C.H.A. van Oostrum, Regres bij concernfinanciering (diss. Leiden), Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 156, Deventer: Wolters Kluwer 2019.
P.G.F.A. Geerts, Enkele formele aspecten van het enquêterecht. Analyse van de relevante rechtspraak (diss. Groningen), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 46, Deventer: Kluwer 2004.
F. Veenstra, Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (diss. Groningen), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 69, Deventer: Kluwer 2010.
F. Eikelboom, De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (diss. Groningen), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 105, Deventer: Wolters Kluwer 2017.
R.M. Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure. Een normatieve beschrijving van de wijze waarop de onderzoekers het onderzoek moeten uitvoeren en de Ondernemingskamer het onderzoek moet aansturen, alsmede een vergelijking met het deskundigenonderzoek in de civiele procedure (diss. Nijmegen), Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 145, Deventer: Wolters Kluwer 2017.
G.P. Oosterhoff, Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang. Synthetische belangen in aandelen en daaraan te verbinden vennootschapsrechtelijke rechten en verplichtingen (diss. Nijmegen), Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 144, Deventer: Wolters Kluwer 2017, para 4.3 en hoofdstuk 7.
K. Spruitenburg, De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV. Een onderzoek naar de toegang tot het enquêterecht bij de NV en de BV (diss. Nijmegen), Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 153, Deventer: Wolters Kluwer 2018.
Geerts heeft enige aandacht besteed aan de enquêtebevoegdheid in concernverhoudingen; vide Geerts 2004, op. cit., para 2.7. Hetzelfde geldt voor Spruitenburg; vide Spruitenburg 2018, op. cit., hoofdstuk 6. Vide ook Eikelboom, op. cit., para 2.6.2.4; Hermans 2017, op. cit., para 4.4.3; Oosterhoff 2017, op. cit., p. 127.
Olaerts schreef eens over de olieramp in de Golf van Mexico in 2010 dat het opmerkelijk was dat ‘diegene die door de publieke opinie voor de vervuiling verantwoordelijk werd gehouden, niet noodzakelijk dezelfde juridische entiteit was die de vervuiling had veroorzaakt. Het BP-concern werd als zondebok aangemerkt en ongeacht de juridische structuur van het concern, werd doorgegrepen naar de top’.1 Dit raakt de kern van de in dit onderzoek centraal staande problematiek, namelijk dat het concern naar zijn aard beschouwd (vanbinnen) een economische eenheid is, maar tegelijkertijd (vanbuiten) een juridische veelheid (van juridische entiteiten) is.2
Dit fascinerende verschijnsel doet, vanwege het evenbedoelde (en continue) spanningsveld, op een tal van terreinen legio vragen oproepen. Het wekt dan ook geen verbazing dat het concern meermaals, al dan niet als zodanig, object van studie is geweest. Ik noem, zonder te streven naar volledigheid, de dissertaties van Sannes, over De Rechtsverhouding van Moeder- en Dochtermaatschappij,3 Franken, over Aspecten van het concernrecht,4 Honée, over Concernrecht en medezeggenschapsregelingen,5 Timmerman, over Over multinationale ondernemingen en medezeggenschap van werknemers,6 Van Achterberg, over De juridische definitie van het economische verschijnsel concern in het ondernemingsrecht,7 Bartman, over Concernbeleid en aansprakelijkheid,8 Winter, over Concernfinanciering,9 Houwen, Schoonbrood-Wessels en Schreurs, over Aansprakelijkheid in concernverhoudingen,10 Lennarts, over Concernaansprakelijkheid,11 en Van Oostrum, over Regres bij concernfinanciering.12
Kijken wij naar het enquêterecht, dan valt op dat aan verschillende onderdelen daarvan aandacht is besteed in dissertaties. Ik noem Geerts, over Enkele formele aspecten van het enquêterecht,13 Veenstra, over Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht,14 Eikelboom, over De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure,15 Hermans, over Het onderzoek in de enquêteprocedure,16 Oosterhoff, over Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang,17 en Spruitenburg, over De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV.18 Ofschoon eveneens op het terrein van het enquêterecht het concern – als economische realiteit waar (ook) dat rechtsgebied niet omheen kan – een tal van vragen doet oproepen aangezien onze enquêteregeling ontworpen is voor de enkelvoudige rechtspersoon, met name, in dit verband, vragen aangaande uitlegging en toepassing van die regeling in – daar niet voor geschreven zijnde – concernverhoudingen, is daar in de bovengenoemde dissertaties, en evenmin in de, voor zover mij bekende, nog lopende onderzoeken, niet of slechts in beperkte mate aandacht aan besteed.19 Ziedaar de aanleiding voor en het belang van dit onderzoek.