Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/11.2.6
11.2.6 Toepasselijk nationaal recht
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS416876:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599, r.o. 24; Ekehnans, CDE 1985, p. 444; Gaudemet-Tallon, Rev Crit 1985, p. 395; Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 117; Killias, Gerichtsstandsvereinbarungen p. 243; Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 117.
11R 11 juni 1993, NJ 1993, 776; Polak, Meerpartijenverhoudingen, p. 61.
Polak, Meerpartijenverhoudingen, p. 51 en 61.
Schultsz, noot onder HvJ 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ/Nova, Jur. 1984, p. 2417, NJ 1984, 735, p. 2625
Wet van 18 maart 1993, Stb. 1993, 168 (zoals gewijzigd door art. VII van de Wet van 26 januari 1995, Stb. 1995, 71).
Art. 1 lid 2 onder c EVO sluit verhandelbare waardepapieren van het bereik van het EVO uit. Tot deze categorie behoort echter niet het cognossement, zie Strikwerda, Overeenkomst in het 1PR, p. 81.
Strikwerda, Inleiding NIPR, p. 207, Polak, Meerpartijenverhoudingen, p. 61.
Schultsz, noot onder HvJ 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ/Nova, Jur. 1984, p. 2417, NJ 1984, 735, p. 2625 merkt hierover op, dat het toepasselijk recht vaak geen antwoord zal geven op deze vraag omdat de vraagstelling een andere is: Kan de inhoud van het cognossement aan de derde-houder worden tegengeworpen of kan de laatste daarop een beroep doen. Mijns inziens komt de laatste vraag neer op de vraag of de derde-houder opvolgt. Indien de derde-houder van het cognossement daarop een beroep kan doen, lijkt hij eveneens een beroep te kunnen doen op een forumkeuze in het cognossement.
Gaudemet-Tallon, Rev Crit 1985, p. 395 en Ekehnans, CDE 1985, p. 444, noot 46.
Aannemende dat (i) geen sprake is van een forumkeuze waarbij de derde-houder van het cognossement zelf partij is en (ii) geen clausule over opvolging in het cognossement voorkomt, is de eerste vraag welk recht bepaalt of er een overgang van rechten en verplichtingen kan plaatsvinden. Een tweede vraag is welk recht van toepassing is op de rechtsgeldigheid van de opvolging van de derde-houder in de rechten van de afzender.
Beantwoording van de vraag welk recht van toepassing is op de opvolging van de derde in de rechten en plichten, zal plaats vinden aan de hand van het conflicten-recht van de aangezochte rechter.1 De Nederlandse rechter zal dus aan de hand van het Nederlands conflictenrecht bepalen of de rechten en verplichtingen uit het cognossement voor overgang op de derde-houder vatbaar zijn. Naar Nederlands conflicten-recht is dat het recht dat op de rechten en verplichtingen van toepassing is.2 Het recht dat van toepassing is op de vervoerovereenkomst bepaalt derhalve of een overgang van rechten en verplichtingen mogelijk is.
Op grond van art. 12 lid 1 EVO dient daarnaast te worden aangenomen dat het overgangsstatuut bepaalt of een overgang van de rechten en verplichtingen rechtsgeldig plaatsvindt. Niet de lex causae van de vervoerovereenkomst, maar een apart overgangsstatuut regelt daarom de overgang van rechten en plichten van de afzender op de derde-houder van het cognossement.3
Voor het overgangsstatuut dat van toepassing is op de rechten en verplichtingen tussen de derde en de partij van wie hij de rechten en verplichtingen heeft overgenomen opperde Schultsz destijds twee oplossingen voor het Nederlandse recht:4
Het recht van het land van de contractuele loshaven;
Het recht dat van toepassing is op de overeenkomst.
Schultsz heeft een voorkeur voor het recht van de contractuele loshaven. Dit standpunt stemt overeen met art. 5 lid 1 Wet houdende Enige Bepalingen van Internationaal Privaatrecht met betrekking tot zeerecht, het binnenvaartrecht en het luchtrecht, dat nadien tot stand is gekomen 5 De vraag wie drager is van de uit het cognossement voortvloeiende rechten en verplichtingen jegens de vervoerder, moet op grond van dit artikel worden beantwoord naar het recht van de contractuele loshaven. De lex causae van de vervoerovereenkomst is minder voor de hand liggend, omdat bij overgang van rechten en verplichtingen het overgangsstatuut conflictenrechtelijk zelfstandig moet worden beoordeeld. De lex causae is dus niet op het overgangsstatuut van toepassing, maar alleen op de vorderingen van de derde-houder van het cognossement op de vervoerder.6 Het overgangsstatuut dient zelfstandig te worden vastgesteld.7
Gelet op het bijzondere karakter van een cognossement en de specifieke bepaling van art. 5 lid 1 voornoemd, lijkt het voor de hand te liggen om het recht van de contractuele loshaven beslissend te achten voor de vraag of de derde-houder opvolgt in rechten en verplichtingen van de afzender. Nadeel van deze oplossing is de moeilijke bepaling van toepasselijk recht of vaststelling van de inhoud daarvan. Vaak zal in cognossementen sprake zijn van `Gleichlauf tussen de rechtsmacht van de gekozen rechter en het recht dat van toepassing is op het cognossement. Het recht van de loshaven zal minder vaak samenlopen met het recht van het land van de geadieerde rechter. Beantwoording naar vreemd recht van de vraag over opvolging zou derhalve vaak niet gemakkelijk zijn.8 Andere rechtsstelsels gaan niet steeds uit van het recht van de contractuele loshaven. Naar Belgisch recht geldt bijv. dat de lex causae van toepassing is.9