Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.10
14.10 Vrijwillige terugtrekking
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS452175:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dat terugtrekking van een lidstaat in het algemeen bepaald niet denkbeeldig is, laat de huidige politieke situatie in het Verenigd Koninkrijk zien. Nadat op 23 juni 2016 een meerderheid van de Britse bevolking in een referendum voor een zogenoemd ‘Brexit’ heeft gestemd, lijkt zich een dergelijke terugtrekking binnen afzienbare termijn daadwerkelijk voor te gaan doen. Het moge duidelijk zijn dat in het Verenigd Koninkrijk meer aan de hand is dan wantrouwen in andere lidstaten, nog afgezien van de omstandigheid dat het Verenigd Koninkrijk door middel van de in de volgende paragraaf te bespreken opt-outs grotendeels zelf in de hand heeft (gehad) aan welke vormen van samenwerking wel of niet wordt deelgenomen.
Een oplossing, zij het een vrij rigoureuze, voor het geval een lidstaat niet langer wenst deel te nemen aan de samenwerking binnen de EU, is te vinden in artikel 50 VEU, dat de vrijwillige terugtrekking uit de EU regelt. Dit is een vernieuwing ten opzichte van het oude institutionele kader. De terugtrekking kan op twee manieren gebeuren: in goed overleg of in zekere zin eenzijdig. Het tweede lid van het genoemde artikel bepaalt dat de lidstaat die zich wenst terug te trekken, van dat voornemen kennisgeeft aan de Europese Raad. Vervolgens kan er volgens de in dat lid neergelegde procedure een terugtrekkingsakkoord worden gesloten. Komt dat er, dan treedt de betrokken lidstaat met de inwerkingtreding van dat akkoord uit, zo niet, dan treedt de betrokken staat na verloop van twee jaar na de hiervoor besproken kennisgeving uit, tenzij de Europese Raad met eenparigheid tot verlenging van die termijn besluit, maar dat is alleen mogelijk met instemming van de betrokken lidstaat (art. 50, derde lid, VEU). Indien de lidstaat weer zou willen toetreden dan geldt opnieuw de procedure van artikel 49 VEU (art. 50 vijfde lid, VEU). Het behoeft nauwelijks toelichting dat ook deze optie met het oog op het vertrouwensbeginsel weinig realistisch is, behoudens zeer extreme veranderingen binnen de EU of een lidstaat.1