Rb. Utrecht, 13-10-2010, nr. 290802 / HA ZA 10-1685
ECLI:NL:RBUTR:2010:BO0349
- Instantie
Rechtbank Utrecht
- Datum
13-10-2010
- Magistraten
Mr. S.C. Hagedoorn
- Zaaknummer
290802 / HA ZA 10-1685
- LJN
BO0349
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBUTR:2010:BO0349, Uitspraak, Rechtbank Utrecht, 13‑10‑2010
Uitspraak 13‑10‑2010
Mr. S.C. Hagedoorn
Partij(en)
Vonnis in incident van 13 oktober 2010
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [woonplaats],
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. J.M. van Noort te Utrecht,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CVB BOUW B.V.,
gevestigd te Woudenberg,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. N.P. van Dijk te Amersfoort.
Partijen zullen hierna [eiseres] en CVB genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
de dagvaarding
- —
de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring
- —
de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De vaststaande feiten in het incident
2.1.
Op 9 april 2009 hebben partijen een overeenkomst van onderaanneming gesloten. Deze overeenkomst is door beide partijen ondertekend en bevat, voor zover thans van belang, onder meer de volgende bepaling:
‘[…] Alle geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de overeenkomst tot onderaanneming welke voortvloeien uit deze overeenkomst, zullen worden beslecht door een ter zake bevoegde rechter. […]’
2.2.
Op 23 april 2009 heeft CVB een brief gestuurd aan [eiseres] met daarin, voor zover thans van belang, het volgende:
‘[…] Indien u blijft bij uw voorwaarden, stellen wij voor de aanvullende tekst van toepassing te verklaren: ‘Naast de algemene voorwaarden van CVB Bouw B.V. zijn tevens de algemene voorwaarden van [eiseres] Dakbedekking van toepassing in geval van tegenstrijdigheden tussen de wederzijdse voorwaarden is het Nederlandse recht van toepassing. […]’
2.3.
Bij brief van 24 april 2009 heeft [eiseres] aan CVB geschreven akkoord te gaan met het voornoemde voorstel van CVB.
2.4.
De Algemene Voorwaarden van CVB bepalen, voor zover thans van belang, het volgende (hierna: artikel 9 AV-CVB):
‘[…] Alle geschillen — welke ook — daaronder begrepen die, welke slechts door één der partijen als zodanig worden beschouwd — die naar aanleiding van de overeenkomst of van overeenkomsten, die daarvan een uitvloeisel mochten zijn tussen hoofdaannemer en onderaannemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, zoals deze drie maanden voor de dag van prijsopgaven van het door de hoofdaannemer aangenomen werk luiden. […]’
2.5.
De Algemene Voorwaarden van [eiseres] bepalen, voor zover thans van belang, het volgende (hierna: artikel 16 AV-[eiseres]):
‘[…] In afwijking van de wettelijke regels voor de bevoegdheid van de burgerlijke rechter zal elk geschil tussen de leverancier en de opdrachtgever worden beslecht door de Rechtbank in het arrondissement waar de leverancier is gevestigd. De leverancier blijft echter bevoegd de opdrachtgever te dagvaarden voor de volgens de wet of het toepasselijk internationale verdrag bevoegde rechter. […]’
3. De beoordeling in het incident
3.1.
CVB vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.2.
CVB beroept zich — kort samengevat — op de vernietigbaarheid van de AV-[eiseres] omdat deze haar niet ter hand zijn gesteld. Door deze vernietiging zijn thans alleen de AV-CVB van kracht en artikel 9 AV-CVB wijst de Raad voor Arbitrage voor de Bouwbedrijven als bevoegde instantie aan.
3.3.
De rechtbank kan CVB niet in haar stelling volgen en overweegt daartoe als volgt.
Gebleken is dat partijen in hun initiële overeenkomst zijn overeengekomen dat zij geschillen aan de daartoe bevoegde rechter zullen voorleggen. Partijen hebben daarbij geen keuze voor arbitrage gemaakt.
3.4.
Voorts staat vast dat partijen het aanvankelijk niet eens konden worden over de vraag welke set algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zou zijn. Partijen hebben daarna in een aanvullende overeenkomst afgesproken dat hun beider sets algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat, ingeval van tegenstrijdigheden tussen deze sets algemene voorwaarden, het Nederlandse recht van toepassing is. Gebleken is dat de algemene voorwaarden van CVB en [eiseres] op het punt van geschilbeslechting tegenstrijdig zijn: de AV-CVB kent een arbitragebeding terwijl de AV-[eiseres] de gewone rechter aanwijst.
3.5.
De rechtbank stelt voorop dat het geen (ongeschreven) rechtsregel is dat een specifieke bepaling in de overeenkomst zélf prevaleert boven een bepaling in de algemene voorwaarden. Dit is echter wel een gezichtspunt bij de uitleg van de overeenkomst met behulp van het Haviltex-criterium. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het gegeven dat partijen zijn overeengekomen hun geschillen aan de bevoegde rechter voor te leggen en bij tegenstrijdigheid tussen hun algemene voorwaarden het Nederlandse recht van toepassing te laten zijn, dat partijen de intentie hadden om de gewone rechter als bevoegde instantie aan te wijzen. De (eventuele) vernietiging van artikel 16 AV-[eiseres] doet aan het bestaan van deze intentie niet af. Ook wanneer er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat artikel 16 AV-[eiseres] vernietigd wordt en alleen artikel 11 AV-CVB van kracht is, dan nog blijkt uit de overeenkomst en de strekking van de conflictregel de intentie van partijen om hun geschillen aan de gewone rechter voor te leggen.
3.6.
De rechtbank legt de overeenkomst dan ook aldus uit dat het onderhavige geschil beslecht dient te worden door de relatief bevoegde civiele rechter. Uit het Nederlandse recht, meer in het bijzonder art. 99 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), volgt dat — gelet op de vestigingsplaats van CVB — de rechtbank Utrecht bevoegd is van dit geschil kennis te nemen.
3.7.
Hetgeen overigens door of namens partijen is aangevoerd kan de rechtbank niet tot een ander oordeel brengen en behoeft daarom geen bespreking. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol van 24 november 2010 voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van CVB.
3.8.
[eiseres] heeft vergoeding van de volledige door haar gemaakte proceskosten gevorderd. Op grond van het bepaalde in de artikelen 237 e.v. Rv worden de proceskosten door de rechter ambtshalve vastgesteld. De proceskosten plegen — om de toegang tot een betaalbare rechtsgang te waarborgen — te worden begroot aan de hand van het Besluit liquidatietarieven rechtbanken en hoven (het liquidatietarievenbesluit), dat in zijn algemeenheid als redelijk wordt beschouwd. Alleen in uitzonderlijke situaties wordt hiervan afgeweken. Van een dergelijke situatie is in dit geval niet gebleken. De vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten wordt dan ook afgewezen.
CVB zal als de in het ongelijk gestelde partij wel in de proceskosten worden veroordeeld.
3.9.
[eiseres] heeft voorts wettelijke rente ex art. 6:119a BW gevorderd over de proceskosten. Artikel 6:119a BW is echter niet van toepassing op een vordering tot betaling van een bedrag bij wijze van schadeloosstelling, zodat de gevorderde handelsrente over de proceskosten niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt CVB in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 452,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 november 2010 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2010.