Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.2.4
4.2.4 Kanttekeningen
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633718:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Bijsterveld 2018, p. 154, 156, 159.
Van Bijsterveld 2018, p. 154 e.v.
Van Bijsterveld 2018, p. 156-158.
Sasse van Ysselt 2013, p. 69.
Van de Donk & Plum 2006, p. 43.
Zie ook Mac Lean 2011, p. 64, die opmerkt dat bij de beoordeling van een subsidieverzoek differentiatie tussen levensbeschouwingen op lokaal niveau onvermijdelijk en soms zelfs nodig is gezien het feit dat plaatselijke omstandigheden bepalen hoe een lokale overheid zich ten opzichte van een bepaalde groepering opstelt. Zie verder over de lokale diversiteit aan beleidsvisies en praktijken ook Nickolson 2012, p. 29, 34, 39.
Van Bijsterveld 2018, p. 158.
Volgens Van Bijsterveld dienen de drie klassieke beginselen van scheiding van kerk en staat, van de neutraliteit van de staat en van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging niet langer als startpunt voor de beschouwing van de verhouding tussen overheid en godsdienst maar moeten ze in een ander perspectief komen als zorgend voor een gepaste distantie tussen overheid en godsdienst.1
Zo merkt zij over het beginsel van de scheiding van kerk en staat op dat het beginsel mede door het ontbreken van een schriftelijke vastlegging niet of nauwelijks een rol in de rechtspraak heeft gespeeld.2 Mede daardoor is volgens haar de betekenis van dit begrip niet uitgekristalliseerd. Het beginsel vormde meer een duiding van wat historisch gezien niet meer aanvaardbaar was in de relatie tussen overheid en godsdienst in plaats van hoe die verhouding wel moest zijn. Toen het begrip als model in Nederland werd geïntroduceerd, ging het vooral om de ontvlechting van institutionele, organisatorische banden tussen staat en kerk. Het scheidingsbeginsel is ongeschikt gebleken om uiteenlopende vragen over die relatie te beantwoorden. Maar in de loop der tijd is er naar de mening van Van Bijsterveld ten onrechte een te groot belang aan dit beginsel toegekend als de kwalificatie en een allesomvattende karakterisering van die onderlinge verhouding. Het beginsel dient in haar visie veeleer als randvoorwaarde voor de institutionele verhouding tussen staat en kerk. In die nieuwe functie komt het beginsel hierop neer: de staat eerbiedigt de vrijheid van richting, inrichting en oprichting van de kerk, en de kerk komt geen formele zeggenschap in publieke besluitvorming toe.3 Ook Sasse van Ysselt beklemtoont deze relatief beperkte, institutionele betekenis, die erop neerkomt dat de staat en genootschappen op geestelijke grondslag als zelfstandige lichamen functioneren.4
Ook andere auteurs plaatsen kanttekeningen bij het belang van dit beginsel. Hiervoor bleek al dat het scheidingsbeginsel in Europa verschillende betekenissen en dus geen eenduidig principe is. De term ‘scheiding’ duidt in de praktijk op uiteenlopende verhoudingen tussen kerk en staat. Een ander punt van kritiek op dit beginsel is dat de aanduiding ‘kerk’ niet langer de lading dekt. Inmiddels doen nieuwe vormen van religiositeit die geen affiniteit hebben met de term ‘kerk’, beroep op dit beginsel.5
Wat betreft het beginsel van de neutraliteit van de staat jegens godsdienst moet neutraliteit volgens Van Bijsterveld niet opgevat worden als een formalistische benadering van gelijke behandeling van godsdiensten. De relevante verschillen tussen religieuze stromingen in de manier waarop ze zich in de samenleving manifesteren, nopen de overheid ertoe die stromingen navenant – gedifferentieerd – te behandelen.6 Dit levert volgens haar geen strijd op met het beginsel van de neutraliteit van de staat. Het beginsel impliceert ook geen waardenneutraliteit voor de staat, want de overheid heeft een eigen – positieve of negatieve – opvatting over de gedragingen van (aanhangers van) godsdiensten, die haar neerslag vindt in de wettelijke grenzen aan de gedragingen. Wanneer bepaalde religieus gerelateerde gedragingen botsen met de waarden van de democratische rechtsstaat, dan stuiten ze op de grenzen die de wet stelt. De neutraliteit van de staat betekent dat de overheid zich in principe openstelt voor contact met uiteenlopende geloofsgroeperingen en niet categorisch bepaalde groepen uitsluit op grond van hun overtuiging.7