Rb. Limburg, 13-10-2017, nr. 5395366 \ AZ VERZ 16-350
ECLI:NL:RBLIM:2017:12911
- Instantie
Rechtbank Limburg
- Datum
13-10-2017
- Zaaknummer
5395366 \ AZ VERZ 16-350
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBLIM:2017:12911, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 13‑10‑2017; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:2705
ECLI:NL:RBLIM:2016:11651, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 28‑12‑2016; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
AR-Updates.nl 2018-0794
VAAN-AR-Updates.nl 2018-0794
AR-Updates.nl 2018-0793
VAAN-AR-Updates.nl 2018-0793
Uitspraak 13‑10‑2017
Partij(en)
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 5395366 \ AZ VERZ 16-350
Beschikking van de kantonrechter van 13 oktober 2017
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INALFA ROOF SYSTEMS B.V.,
gevestigd te Oostrum,
werkgever,
gemachtigde mr. E.M. van Winden-Spaans,
verzoekende partij in het verzoek,
tegen:
[verwerende partij] ,
wonend [adres verwerende partij] ,
[woonplaats verwerende partij] ,
werknemer,
gemachtigde mr. J.W.M.T. Schaminée,verwerende partij in het verzoek.
Partijen zullen hierna Inalfa en [verwerende partij] worden genoemd.
1. De verdere procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 28 december 2016;
- de processen-verbaal van de getuigenverhoren die op 18 januari 2017, 20 februari 2017, en 22 mei 2017 aan de zijde van Inalfa zijn gehouden;
- de processen-verbaal van de tegengetuigenverhoren die op 22 juni 2017 en 14 januari 2017 aan de zijde van [verwerende partij] zijn gehouden.
1.2.
De gemachtigde van [verwerende partij] heeft bij brief van 5 oktober 2017 laten weten af te zien van het horen van verdere getuigen in contra-enquête, waarbij hij de veronderstelling heeft uitgesproken dat geen conclusiewisseling na enquête meer zal plaatsvinden. De gemachtigde van Inalfa heeft naar aanleiding hiervan op 9 oktober 2017 om beschikking gevraagd, waarna de datum voor beschikking is bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter neemt over en blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in voormelde tussenbeschikking.
2.2.
Bij die beschikking is Inalfa toegelaten bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat [verwerende partij] zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie, misbruik heeft gemaakt van zijn leidinggevende positie, pestgedrag heeft vertoond en fysieke bedreigingen heeft geuit.
2.3.
Inalfa heeft vervolgens acht getuigen doen horen. Deze getuigen bevestigen, ieder voor zover het haar of hem aangaat, de door Inalfa in het verzoekschrift gestelde feiten.
Naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee sprake van een vergaand grensoverschrijdend - en daarmee verwijtbaar - gedrag aan de zijde van [verwerende partij] , wat een redelijke grond oplevert voor ontbinding, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW. Gelet op deze ontbindingsgrond ligt herplaatsing van [verwerende partij] niet in de rede.
De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Inalfa op de primaire grond zal toewijzen.
De kantonrechter is, voorts, van oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verwerende partij] . Conform het verzoek van Inalfa zal de arbeidsovereenkomst dan ook met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel b, BW worden ontbonden met ingang van heden. Gelet op het bepaalde in artikel 7:673 lid 7 onder c BW is Inalfa bovendien geen transitievergoeding verschuldigd aan [verwerende partij] .
2.4.
[verwerende partij] heeft verzocht aan hem een billijke vergoeding toe te kennen. Voor toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 8 onderdeel c BW is vereist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Inalfa. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Inalfa zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als Inalfa grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als Inalfa een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).
Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor, zodat de verzochte billijke vergoeding wordt afgewezen.
2.5.
[verwerende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Inalfa worden tot op heden begroot op:
- griffierecht € 117,00
- getuigentaxe 30,00
- salaris gemachtigde € 1.000,00 (5.0 punten x € 200,00 tarief)
Totaal € 1.147,00
3. De beslissing
De kantonrechter
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van heden,
3.2.
veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten, aan de zijde van Inalfa tot op heden begroot op € 1.147,00,
3.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken.
type: EB
coll:
Uitspraak 28‑12‑2016
Inhoudsindicatie
Tussenbeschikking. Seksuele intimidatie op de werkvloer. Ontslag op staande voet. Art 7:646 lid 6 en 7.
Partij(en)
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 5395366 \ AZ VERZ 16-350
Beschikking van de kantonrechter van 28 december 2016
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INALFA ROOF SYSTEMS B.V.,
gevestigd te Oostrum,
werkgever
gemachtigde mr. E.M. van Winden-Spaans,
verzoekende partij in het verzoek,
tegen:
[verwerende partij] ,
wonend [adres verwerende partij] ,
[woonplaats verwerende partij] ,
werknemer
gemachtigde mr. J.W.M.T. Schaminée,verwerende partij in het verzoek.
Partijen zullen hierna Inalfa en [verwerende partij] worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 27 september 2016 ter griffie ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- het verweerschrift, met bijlagen;
- de mondelinge behandeling d.d. 22 november 2016;
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door Inalfa ingediende productie 21;
- de door beide partijen ter zitting overgelegde pleitaantekeningen;
- de aktes van beide partijen met verhinderdata;
- de brieven van de gemachtigde van Inalfa d.d. 21 en 23 december 2016;
- de brief van de gemachtigde van [verwerende partij] d.d. 22 december 2016.
1.2.
Daarna is beschikking bepaald.
2. De feiten
2.1.
[verwerende partij] , geboren op [geboortedag] 1981, is op 1 mei 2003 bij Inalfa in dienst getreden en vervult thans de functie van Line Coördinator tegen een laatst uitbetaald loon van € 3.437,77 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.
2.2.
In juli 2016 heeft Inalfa signalen ontvangen van medewerksters die in de afgelopen jaren seksueel zouden zijn geïntimideerd door [verwerende partij] . In verband daarmee heeft op 16 september 2016 een gesprek plaatsgevonden tussen Inalfa en [verwerende partij] . Na afloop van het gesprek is [verwerende partij] , met het oog op door Inalfa te verrichten nader onderzoek, door Inalfa op non-actief gesteld zonder behoud van loon.
2.3.
[verwerende partij] heeft zich op 19 september 2016 ziek gemeld.
2.4.
Na afronding van het onderzoek heeft Inalfa [verwerende partij] op 22 september 2016 laten weten over te gaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
3. Het geschil
3.1.
Inalfa verzoekt de tussen haar en [verwerende partij] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden primair op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), subsidiair op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW.
3.2.
[verwerende partij] concludeert - kort gezegd -primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair, ingeval van toewijzing, tot toekenning van een transitievergoeding ad € 23.594,00 bruto en een billijke vergoeding van €200.000,00 bruto, onder de bepaling dat de arbeidsovereenkomst eindigt zonder verrekening van de tijd die is verstreken sinds de indiening van het verzoek.
3.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Anders dan [verwerende partij] is de kantonrechter van oordeel dat niet is gebleken dat het onderhavige verzoek verband houdt met zijn ziekte. Inalfa heeft aan haar verzoek immers ten grondslag gelegd de door haar gestelde - en door [verwerende partij] betwiste - seksuele intimidatie door [verwerende partij] en dit blijkt ook uit de overgelegde stukken. Derhalve komt de kantonrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
4.2.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:671b lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verwerende partij] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).
4.3.
Inalfa verzoekt primair ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW en stelt ter onderbouwing van het verzoek dat [verwerende partij] grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond nu hij zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie, misbruik heeft gemaakt van zijn leidinggevende positie, pestgedrag heeft vertoond en fysieke bedreigingen heeft geuit. Inalfa acht een en ander dusdanig verwijtbaar dat van haar in redelijkheid niet kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] te laten voortduren.
4.4.
[verwerende partij] betwist de door Inalfa gestelde aantijgingen gemotiveerd. Gelet op deze uitdrukkelijke betwisting en het door Inalfa gedane specifieke bewijsaanbod zal de kantonrechter Inalfa toelaten tot het leveren van bewijs – met alle middelen die de wet daarvoor biedt - van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat [verwerende partij] zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie, misbruik heeft gemaakt van zijn leidinggevende positie, pestgedrag heeft vertoond en fysieke bedreigingen heeft geuit.
4.5.
In afwachting van de bewijslevering zal de kantonrechter iedere verdere beslissing aanhouden.
4.6.
De kantonrechter wenst nog het volgende op te merken.
De gemachtigde van Inalfa heeft de kantonrechter bij brieven van 21 en 23 december 2016 verzocht het horen van de getuigen praktisch zo vorm te geven dat de getuigen niet in direct contact komen met [verwerende partij] door bijvoorbeeld ofwel [verwerende partij] en zijn gemachtigde ofwel de getuigen in een aparte ruimte te laten plaatsnemen en contact te laten plaatsvinden via een videoverbinding.
De gemachtigde van [verwerende partij] heeft in zijn brief van 22 december 2016 aangegeven bezwaar te hebben tegen het voorstel van de gemachtigde van Inalfa.
Hoewel de kantonrechter begrip heeft voor de situatie van de getuigen, is er naar zijn oordeel geen juridische grond aanwezig om af te wijken van de wettelijke regeling (artikel 167 Rv), op grond waarvan het blijkens de parlementaire geschiedenis in beginsel aan partijen zelf is om te beoordelen of zij de verhoren zullen bijwonen (Van Nispen, Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, art. 167 Rv, aant. 1, welke auteur verwijst naar p. 249 van de Parlementaire Geschiedenis Bewijsrecht). Artikel 167 Rv geeft de rechter slechts de mogelijkheid te bepalen dat een partij juist in persoon aanwezig moet zijn bij de getuigenverhoren, maar geeft geen mogelijkheid een partij diens aanwezigheid daarbij te ontzeggen.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
laat Inalfa toe bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat:
[verwerende partij] zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie, misbruik heeft gemaakt van zijn leidinggevende positie, pestgedrag heeft vertoond en fysieke bedreigingen heeft geuit,
5.2.
bepaalt - voor het geval dat Inalfa getuigen wil doen horen - dat de getuigenverhoren zullen worden gehouden door mr. G.M.P. Brouns in het gerechtsgebouw te Roermond aan de Willem II singel 67 op 18 januari 2017 vanaf 9.30 uur (half uur per getuige),
5.3.
bepaalt dat partijen bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig moeten zijn,
5.4.
bepaalt dat de namen, voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats van de te horen getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier worden opgegeven. Wellicht ten overvloede wijst de kantonrechter er op dat de partij die de getuige(n) wenst te doen horen, zelf voor de aanwezigheid van deze getuige(n) dient zorg te dragen,
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken.
type: VJ(L
coll: