Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/10.5.1
10.5.1 Achtergrond
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947793:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 4.2.
In 2010 deed geen enkele partij dit. In 2012: SP en PvdA (Stcrt. 2012, 16691). In 2017: PvdA, CDA, SP en 50PLUS (Stcrt. 2017, 9032). In 2021: PvdA, CDA, SP en D66 (Stcrt. 2021, 8895). In 2023: PvdA/GL, FvD en BBB (Stcrt. 2023, 29754). Het gaat in deze opsomming steeds om de partijen die bij de verkiezingen Kamerzetels wisten te bemachtigen.
Kiesraad 2011.
Zie Broeksteeg 2009; Kamerstukken II 2008/09, 30569, nr. 14.
Zie ook Kamerstukken II 2015/16, 34247, nr. 9, p. 10-11. Deze bron stamt uit 2016, maar ook daarna heb ik geen gevallen kunnen ontdekken. Wel komt het voor dat landelijke kandidaten aan één kieskring voldoende hebben om de voorkeurdrempel te passeren. Zie De Jong 2018.
De recentste cijfers daaromtrent stammen eveneens uit 2016: Kamerstukken II 2014/15, 32427, nr. 3, p. 2.
Een aan de lijstduwer verwant, maar niettemin daarvan te onderscheiden fenomeen betreft regionale differentiatie bij de kandidaatstelling. Partijen kunnen naar huidig recht per kieskring een andere kandidatenlijst indienen. De ingediende lijsten worden ten behoeve van de verkiezingsuitslag als één lijstengroep beschouwd.1 De mogelijkheid tot differentiatie in kandidatenlijsten is een gevolg van de onderverdeling van Nederland in kieskringen. Met de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging en de afschaffing van de kiesdistricten in 1917, werden de kieskringen geïntroduceerd om de lokale binding tussen kiezer en gekozene te waarborgen en om een al te sterke centralisatie van het partijwezen te voorkomen.2 Thans is Nederland in twintig kieskringen onderverdeeld.
Slechts enkele partijen maken van de mogelijkheid tot differentiatie gebruik door lijsten in te dienen, waarop lager geplaatste kandidaten per kieskring verschillen.3 In de praktijk zit de variatie hem steeds in slechts enkele namen. Er zijn verschillende redenen te noemen waarom de meeste partijen er niet langer voor kiezen om verschillende lijsten in te dienen.4 Allereerst brengt differentiatie extra werk voor de partijen met zich mee. Daarnaast kan deze praktijk ervoor zorgen dat de door de partij vastgestelde lijstvolgorde wordt doorbroken, omdat de partij vooraf niet kan inschatten welke verschillen in stemmenaantallen tussen de verschillende lijsten zullen optreden en wat daarvan de consequenties voor de zetelverdeling zijn. Tot slot zorgt het grote aantal leden dat partijen anno 2024 op een lijst mogen plaatsen ervoor dat differentiatie niet langer nodig is om lijstuitputting te voorkomen. Aanvankelijk konden na 1917 per kieskring slechts tien kandidaten worden gesteld, maar nu kunnen de meeste partijen vijftig kandidaten op een lijst zetten. ‘Grote’ partijen, dat wil zeggen partijen die bij de laatste verkiezingen meer dan vijftien zetels behaald hebben, mogen zelfs tachtig kandidaten opnemen.5 Was het eerdere maximum van dertig leden, geldend voor partijen met minder dan vijftien zetels, soms nog problematisch,6 bij vijftig kandidaten ligt het risico van lijstuitputting niet meer op de loer. Differentiatie in de kandidatenlijsten is wat dat betreft overbodig geworden.
De praktijk wijst uit dat kandidaten die slechts in één kieskring op de lijst staan, nauwelijks kans maken om verkozen te worden. Zowel het behalen van een zetel op basis van overdracht van stemmen als het behalen van voldoende voorkeurstemmen is bijzonder moeilijk. Om met voorkeurstemmen gekozen te worden, moet de kandidaat in één enkele kieskring immers een kwart van de landelijke kiesdeler behalen. Tot op heden heeft die situatie zich niet voorgedaan.7 Kandidaten die in meerdere kieskringen meedoen, maar niet op een landelijke lijst staan, worden slechts bij hoge uitzondering verkozen. In het verleden deed deze situatie zich enkele keren voor wanneer een partij bij de verkiezingen een forse winst boekte.8