Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.1:9.1 Inleiding
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.1
9.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499506:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Scholten 1974, nr. 17.
Zie de paragrafen 3.2.4-3.2.5 en 6.3.1-6.3.3.
Huydecoper 2006, p. 15-28.
Tjittes 2002, p. 65-66.
Asser e.a. 2003, p. 64.
Zo vermeldde het Asser-rapport inzake fundamentele herbezinning dat conservatoir beslag door de beroepsgroep van advocaten werd gezien als een snel middel om tot overleg te komen ter oplossing van een geschil, zonder dat daarbij vaak misbruik van de mogelijkheden zou worden gemaakt: Asser e.a. 2003, p. 64.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
‘Recht is dynamisch, niet statisch’, zo schreef Scholten in het algemeen deel van de Asser-serie over het open systeem van het recht.1 Hierbij doelde de auteur op de omstandigheid dat recht afhankelijk is van tijd en plaats en, zowel door wetgeving alsook door de toepassing hiervan, niet onveranderlijk is.
Ook de regeling inzake conservatoir beslag heeft in de loop der tijd veranderingen ondergaan, zowel door veranderende wetgeving (voornamelijk bestaande uit een uitbreiding van de mogelijkheden om beslag te leggen) als beslissingen van met name de Hoge Raad, welke een grote invloed hebben gehad, en in de dagelijkse praktijk nog steeds hebben, op de wijze waarop in de rechtspraktijk met conservatoir beslag wordt omgegaan.2
Die veranderingen zijn aanleiding geweest om de werking van het systeem van conservatoir beslag in Nederland in de rechtspraktijk (in het bijzonder de evenwichtigheid hiervan in termen van de positie van beslaglegger en beslagene) naar de stand van begin 21e eeuw, aan een nader onderzoek te onderwerpen. Hierbij speelde mee dat Nederland, in vergelijking met de ons omringende landen, uitgebreide mogelijkheden tot het leggen van conservatoir beslag biedt. Deze ‘liberale’ insteek is met regelmaat ook onderwerp van aandacht in de doctrine geweest. Voorbeelden hiervan zijn publicaties zoals die van Huydecoper, getiteld ‘Beslaan wij maar raak?’,3 een redactionele kanttekening van Tjittes met de titel ‘Eerder opheffing van conservatoir beslag!’,4 en ook de Commissie fundamentele herbezinning Nederlands Burgerlijk Procesrecht spreekt in haar eindrapport ‘Uitgebalanceerd’ van de ‘soms al te scherpe kanten van ons beslagvriendelijke systeem’.5 Anders dan de hiervoor genoemde auteurs waren echter ook geluiden uit de praktijk te beluisteren die erop duidden dat het systeem doeltreffend zou werken.6 Er bleek derhalve stof tot nadenken te zijn daar waar het (de werking van) het Nederlandse systeem van conservatoir beslagrecht betreft.