Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.13:20.13 Informatieverstrekking ten dienste van de belastingheffing
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.13
20.13 Informatieverstrekking ten dienste van de belastingheffing
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493448:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het nationale deel van deze studie ben ik nagegaan welke uitleg en toepassing de Nederlandse wetgever, rechter en uitvoerder in punitieve belastingzaken geven aan het in art. 6 EVRM belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting (of althans het nemo tenetur-beginsel waarin dit recht wortelt). Een vergelijking daarvan met de rechtspraak van het EHRM moet uiteindelijk resulteren in de vaststelling of het recht tegen gedwongen zelfbelasting in Nederlandse punitieve belastingzaken voldoende tot gelding komt. Gelet op de bevindingen in het Straatsburgse deel, spelen uiteindelijk twee met elkaar samenhangende vragen. De eerste is of, en zo ja vanaf (en tot) welk moment en in hoeverre, burgers in punitieve belastingzaken kunnen worden verplicht om mogelijk belastend bewijs (verklaringen, materiaal) tegen zichzelf te verschaffen. De tweede vraag is of, en zo ja in hoeverre, de gevorderde informatie, wanneer verstrekt, tegen hen mag worden gebruikt (voor het bewijs of anderszins) van een beboetbare of strafbare overtreding van een fiscaal voorschrift.
In hoofdstuk 13 heb ik eerst een schets van het handhavingskader in Nederlandse belastingzaken gegeven. De nemo tenetur-problematiek in Nederlandse punitieve belastingzaken beweegt zich binnen dit kader. Voor zover van belang voor deze studie vallen de handhavingsmiddelen die de overheid ten dienste staan om de nakoming door burgers van hun fiscale verplichtingen te waarborgen, uiteen in het toezicht op de naleving van fiscale voorschriften enerzijds en bestuurlijke en strafrechtelijke sanctiedreiging en -oplegging anderzijds.
Het fiscaal nalevingstoezicht door de inspecteur en de door hem gemandateerde belastingambtenaren dat in dit hoofdstuk centraal stond, steunt in belangrijke mate op verplichte informatieverstrekking door burgers. De wettelijke grondslag voor het (verticaal) toezichtsonderzoek in belastingzaken zijn de bij de aangifte komende (informatie)verplichtingen in art. 47 e.v. AWR.
Los hiervan staat dat burgers in bepaalde gevallen gehouden zijn de inspecteur mededeling te doen, wanneer hen bekend is of wordt dat eerder door hen verstrekte informatie (in de aangifte of anderszins) onjuist en/of onvolledig is. Die mededeling betreft het correctiebericht voor de loonbelasting ex art. 28a Wet LB en de mededelingsplicht ex art. 10a AWR.
Van verplichte informatieverstrekking op grond van een wettelijke verplichting kan worden onderscheiden de informatieverstrekking op grond van horizontaal toezicht. Deze toezichtsvorm steunt op een handhavingsconvenant, waarin de belastingplichtige zich onder meer verbindt om vóór het indienen van de belastingaangifte, de inspecteur proactief te informeren over potentiële fiscale risico’s van enige betekenis.