Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.1.2:IV.1.2 Opzet van dit hoofdstuk
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.1.2
IV.1.2 Opzet van dit hoofdstuk
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460414:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf IV.2 bespreek ik eerst welke eisen volgens de heersende leer gelden voor de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders op grond van onrechtmatige daad. In dat kader bespreek ik onder meer hoe de uit artikel 2:9 BW afkomstige ernstig verwijt-maatstaf is beland in Boek 6 BW, wanneer sprake is van een ernstig verwijt, hoe de maatstaf zich verhoudt tot de overige vereisten van artikel 6:162 BW, en wat het toepassingsbereik is van dit afwijkende, restrictieve aansprakelijkheidsregime.
In deze paragraaf kom ik tot de conclusie dat de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad de nodige dogmatische en praktische problemen oplevert en dat de toepassing van deze maatstaf bovendien rechtshistorisch en rechtstheoretisch ongefundeerd is. Zodoende rijst de vraag waarom men vasthoudt aan de ernstig verwijt-doctrine.
In paragraaf IV.3 breng ik de argumenten in kaart die door de Hoge Raad en in de literatuur worden gebruikt ter onderbouwing van de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Door het debat rondom het leerstuk te analyseren en de validiteit van de verschillende argumenten te controleren, kan de vraag worden beantwoord of de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in het kader van externe bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad – alle argumenten overziend en afgewogen – gerechtvaardigd is.
In paragraaf IV.4 zet ik alle bevindingen van de voorgaande twee paragrafen op een rij, waarna ik de balans opmaak. Ik kom tot de conclusie dat voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (en dus ook voor de milieuaansprakelijkheid van bestuurders) de ernstig verwijt-doctrine moet worden verlaten. Bovendien pleit ik ervoor om terug te keren naar de gewone vereisten van artikel 6:162 BW. In deze paragraaf licht ik ook toe hoe dit kan worden bereikt en welke voordelen dit oplevert.
Hiermee is de voorvraag met betrekking tot het toepasselijke aansprakelijkheidsregime beantwoord: de milieuaansprakelijkheid van alle leidinggevenden (inclusief bestuurders) moet worden vastgesteld aan de hand van de vereisten die voortvloeien uit artikel 6:162 BW, te weten: 1) onrechtmatigheid, 2) toerekenbaarheid, 3) relativiteit, 4) schade, en 5) causaal verband.
In paragraaf IV.5 bespreek ik per vereiste van de onrechtmatige daad de vragen die opkomen wanneer een leidinggevende aansprakelijk wordt gesteld voor een milieuovertreding, en geef ik handvatten voor de beantwoording van deze vragen. Daartoe zet ik een aantal belangrijke kenmerken van de onrechtmatige daad op een rij, sta ik stil bij de adressering van veelgebruikte milieunormen, en – met gebruikmaking van inzichten van het strafrechtelijke en bestuursrechtelijke hoofdstuk – licht ik toe hoe kan worden vastgesteld of een leidinggevende (al dan niet met tussenkomst van andere personen binnen een bedrijf ) in strijd heeft gehandeld met milieunormen.
In paragraaf IV.6 sta ik nog kort stil bij de betekenis van het rechterlijk bevel in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Ten slotte volgt in paragraaf IV.7 een conclusie met antwoord op de onderzoeksvragen van dit hoofdstuk waarbij ik inga op de mogelijkheden en obstakels voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. In dat kader adresseer ik ook eventuele zorgen die kunnen bestaan omtrent de mogelijkheid om bestuurders en andere leidinggevenden van bedrijven persoonlijk aansprakelijk te stellen als zij in het kader van hun taakvervulling een milieuovertreding begaan.