Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/5.3.4
5.3.4 Reikwijdte rechtspraak
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS301008:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Frenk 2001, p. 74, onder 3.
Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lidstaten inzake het consumentenkrediet, Pb L 042 (12 februari 1987), p. 48-53. Deze Richtlijn is inmiddels ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten, Pb L 133 (22 mei 2008), p. 66.
Nog iets voorzichtiger: Ancery & Krans 2009, p. 194.
HvJ EU 17 december 2009, C-227/08, Jur. 2009, p. I-11939 (Martín Martín). Het betrof Richtlijn 85/ 577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, Pb L 372 (31 december 1985), p. 31-33. In Nederland is het een ontbindingsrecht, zonder opgave van redenen: artikel 25 Colportagewet.
Evenzo: Mok in zijn noot onder HvJ EU 17 december 2009, NJ 2010, 225, sub. 3.
Rutgers 2005, p. 299 en 303. Later evenzo: Freudenthal & Van Ooik 2007, p. 72; Snijders 2008, p. 548-549; Ancery & Krans 2009, p. 196; Hartkamp 2010, p. 139.
193.
Gelet op de specifieke ratio voor de plicht tot ambtshalve toetsing van potentieel oneerlijke bedingen kwam al snel de vraag op of de rechtspraak van het HvJ EU wellicht ook een groter deel van het consumentenrecht zou kunnen betreffen.1 Immers, ook andere richtlijnen dan de Richtlijn oneerlijke bedingen kennen een bijzondere bescherming aan de consument toe. En ook in andere gevallen dan oneerlijke bedingen kan het zijn dat een consument niet op de hoogte is van zijn rechten of moeilijkheden ondervindt bij het verwezenlijken van deze rechten. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat het HvJ EU in de zaak-Rampion oordeelde dat deze rechtspraak een grotere reikwijdte heeft. In die zaak betrof het de Richtlijn consumentenkrediet.2
194.
In tegenstelling tot de ambtshalve toetsing van potentieel oneerlijke bedingen kan van het ambtshalve toepassen van omzettingswetgeving met betrekking tot de Richtlijn consumentenkrediet nog niet worden gesteld dat de rechter ook verplicht is tot ambtshalve toepassing. Het HvJ EU beperkt zich in het arrest tot het “in staat stellen” van de rechter. Wanneer men de problematiek echter vergelijkt met die van de Richtlijn oneerlijke bedingen, dan blijken er vele overeenkomsten te bestaan. De redenen voor het ambtshalve toepassen zijn dezelfde als de redenen voor het ambtshalve toetsen van bedingen in consumentenovereenkomsten. Net als bij de oneerlijke bedingen gaat het bij het consumentenkrediet om een consument die vanwege de aan een procedure verbonden kosten, of vanwege onbekendheid met de hem toekomende rechten geen beroep doet op deze rechten. En, net als bij de oneerlijke bedingen is ook bij het consumentenkrediet het risico dan zeer groot dat zonder ingrijpen buiten de partijen om de aan de consument toebedeelde bescherming illusoir zou worden. Als de ratio voor de ambtshalve toepassing exact hetzelfde is, valt bepaald niet in te zien waarom de gevolgen voor de nationale gerechten dan wel anders zouden (moeten) zijn.3
195.
Het HvJ EU heeft de rechtspraak met betrekking tot het ambtshalve toetsen van potentieel oneerlijke bedingen niet slechts uitgebreid naar de Richtlijn consumentenkrediet. In de zaak-Martín Martín oordeelde het HvJ EU dat de rechter ambtshalve kan constateren dat de verkoper zijn informatieplicht, voortvloeiend uit artikel 4 Richtlijn buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, heeft geschonden.4 Evenals de Richtlijn oneerlijke bedingen respectievelijk de Richtlijn consumentenkrediet beoogt de Richtlijn buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten de consument een bijzondere bescherming te bieden. Deze bescherming vindt plaats in de vorm van een opzeggingsrecht, uit te oefenen vanaf het moment dat de verkoper de consument daarover informeert. Uit het arrest-Martín Martín blijkt dat de nationale gerechten een schending van deze informatieplicht ambtshalve kunnen vaststellen. Om de effectiviteit van de bescherming te garanderen – waarvan de ratio, net als bij de Richtlijn oneerlijke bedingen en de Richtlijn consumentenkrediet de bescherming van de consument is – kan een beroep op schending van de informatieplicht niet aan de consument worden overgelaten. Immers, deze plicht is er nu juist om de consument te informeren over zijn recht. Als de consument bij verzuim van de verkoper om hem te informeren zelf deze schending van de informatieplicht naar voren moet brengen, wordt de bescherming op voorhand illusoir. Ook bij deze Richtlijn zijn weer overeenkomsten met de Richtlijn oneerlijke bedingen respectievelijk de Richtlijn consumentenkrediet aan te wijzen. Wederom lijkt het voor de hand te liggen dat het hier ook gaat om een verplichting voor de nationale rechter tot het ambtshalve vaststellen van de schending van de informatieplicht.
196.
Bij de Richtlijn oneerlijke bedingen en de Richtlijn consumentenkrediet kan de rechter ambtshalve de sanctie vaststellen.5 Dat ligt ook voor de hand. Immers, anders zou de bescherming die aan de consument wordt geboden nog steeds niet kunnen worden verwezenlijkt. Over het ambtshalve toepassen van de sanctie in geval van een schending van de informatieplicht rept het HvJ EU echter met geen woord. Betekent dat dan dat het HvJ EU er een ander oordeel op nahoudt? Het HvJ EU had vermoedelijk weinig keus: de Richtlijn buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten laat het immers aan de lidstaten om te bepalen op welke wijze het de schending van de informatieplicht wenst te sanctioneren. Een van de opties om dat op voldoende effectieve wijze te sanctioneren is het voorstel van de Spaanse rechter om de overeenkomst ambtshalve nietig te verklaren. Maar er zijn andere mogelijkheden, bijvoorbeeld heropening van de termijn. Het ambtshalve toepassen van dergelijke sancties zou zeker een voldoende nuttig effect van de Richtlijn buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten verzekeren. Toch is niet zeker dat in geval van schending van de informatieplicht de sanctie ook ambtshalve moet worden toegepast. Anders dan bij de Richtlijn oneerlijke bedingen en de Richtlijn consumentenkrediet regelt de Richtlijn buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten niets specifieks over de sanctie. De sanctie lijkt mij dan een kwestie van nationaal recht. Een eventuele sanctiebepaling zal voldoende effectief moeten zijn. Het hangt dan nog van de gekozen sanctie af of de rechter deze ambtshalve zal moeten toepassen.
197.
Tot dusver is er vooral gekeken naar uitbreiding richting andere EU-richtlijnen met het doel om consumenten een bijzondere bescherming te verlenen. Kan deze rechtspraak worden doorgetrokken naar andere richtlijnen? Er zijn immers meer EU-richtlijnen die tot doel hebben om een bepaalde zwakkere partij van bescherming te voorzien. Dan kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de agentuurrichtlijn.6 Ook in die gevallen gaan delen van de redenering van het HvJ EU op: er wordt aan een zwakkere partij een bijzondere bescherming geboden. Gezien deze parallel zou het inderdaad zo kunnen zijn dat de hiervoor besproken lijn van het HvJ EU met betrekking tot het consumentenrecht ook op dit soort richtlijnen van toepassing is. Een kanttekening die daarbij geplaatst dient te worden, is dat de rechtspraak van het HvJ EU niet zozeer gefundeerd is op de aan een richtlijn ten grondslag liggende beschermingsgedachte, maar aan de typisch met een consument verbonden kenmerken: onbekendheid met zijn rechten en/of gebrek aan financiële middelen om zich in rechte te verweren, waardoor hij passief blijft. Het komt dan ook vooral aan op de vraag of de effectuering van deze bescherming afhankelijk kan worden gemaakt van een beroep daarop door de zwakkere partij, of dat dan het gevaar te groot wordt dat deze partij door haar zwakke(re) positie niet in staat zal zijn haar recht op voldoende effectieve wijze geldend te maken. Of ook dit aspect (altijd) opgaat bij bijvoorbeeld handelsagenten valt mijns inziens sterk te betwijfelen.
Tegelijkertijd is er in het arbeidsrecht bijvoorbeeld meer gelijkenis met consumentenzaken. Veel arbeidsrechtelijke richtlijnen beogen de werknemer te beschermen. En ook in de verhouding werknemer-werkgever zal meestal gesproken kunnen worden van sociale en/of economische ongelijkheid, waardoor de aan de werknemer geboden bescherming illusoir kan worden. Maar verschillen zijn er net zo goed. De invloed van het uitblijven van bescherming van de werknemer op de werking van de interne markt is geringer dan de invloed daarop van het uitblijven van bescherming van de consument. Of het HvJ EU zal overgaan tot een plicht tot ambtshalve toepassing van omzettingswetgeving voortkomende uit een arbeidsrechtelijke EU-richtlijn is dan ook op voorhand niet met zekerheid bevestigend te beantwoorden.