Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.5.7
11.4.5.7 Standaardvoorwaarde 4: latent liquidatieverlies deelneming
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491423:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
De situaties kunnen naast elkaar aan de orde zijn.
Er kunnen meerdere verkrijgers aan de afsplitsing deelneming. Standaardvoorwaarde 4 geldt per verkrijger.
De wetgever is van mening dat in zo’n geval de latere heffing niet is verzekerd zodat een fiscaal begeleide afsplitsing alleen mogelijk is verzoek en met inachtneming van standaardvoorwaarde 4. Zie onderdeel 11.3.10.
Deze winstsplitsing vindt plaats met toepassing van standaardvoorwaarde 8. Zie de onderdelen 11.4.5.11 en 11.4.4.11.
Zie onderdeel 11.4.4.8.
Het begrip onderneming betekent in deze context: de aanwezige vermogensbestanddelen met de daarbij eventueel behorende activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon. Zie het Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 1.1.
Standaardvoorwaarde 4 luidt als volgt:
“1. Als op het tijdstip van het afsplitsingsvoorstel, bedoeld in artikel 2:334f BW, tot het vermogen van de verkrijgende of de afsplitsende rechtspersoon een deelneming behoort waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, dan wel daartoe is besloten, geldt de volgende beperking bij de bepaling van de winst van de verkrijgende rechtspersoon van na het afsplitsingstijdstip.
2. Een liquidatieverlies uit hoofde van de in het vorige lid bedoelde deelneming, dat krachtens artikel 13d, Wet Vpb 1969 in aanmerking mag worden genomen, komt slechts in aftrek tot het bedrag van de (overige) winst dat is toe te rekenen aan de onderneming waartoe de deelneming direct voorafgaand aan het afsplitsingstijdstip behoorde.
3. Het resterende bedrag wordt als liquidatieverlies in mindering gebracht op en tot ten hoogste de positieve belastbare bedragen van de verkrijgende rechtspersoon van de jaren genoemd in artikel 20, tweede lid, Wet Vpb 1969, in de volgorde waarin deze zijn ontstaan, voor zover er winst is toe te rekenen aan de desbetreffende onderneming.
4. De toerekening bedoeld in de vorige leden vindt plaats met toepassing van de winstsplitsing van voorwaarde 8 (op overeenkomstige wijze).
5. Voor zover een liquidatieverlies in een voorafgaand jaar op het belastbare bedrag in mindering wordt gebracht, zal de aanslag over dat jaar worden herzien. Over het bedrag van de herziening wordt geen belastingrente vergoed.
6. Als op het tijdstip van het afsplitsingsvoorstel (bedoeld in artikel 2:334f BW) tot het vermogen van de verkrijgende of de afsplitsende rechtspersoon een onderneming behoort waarop artikel 13e, Wet Vpb 1969 van toepassing is, zijn de vorige leden van deze voorwaarde van overeenkomstige toepassing op een in verband met die onderneming door de verkrijgende rechtspersoon na het afsplitsingstijdstip krachtens artikel 13e in aanmerking te nemen liquidatieverlies.”
Standaardvoorwaarde 4 wordt aan de afsplitsingsfaciliteit gekoppeld in de volgende vier situaties:1
Op het tijdstip van het afsplitsingsvoorstel als bedoeld in art. 2:334f BW behoort tot het vermogen van de verkrijgende rechtspersoon2 een deelneming waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, dan wel daartoe is besloten.
Op genoemd tijdstip behoort tot het vermogen van de verkrijger een voortgezette onderneming in de zin van art. 13e Wet VPB 1969.
De afsplitsende rechtspersoon heeft op het tijdstip van het afsplitsingsvoorstel een deelneming waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, of daartoe is besloten. Deze deelneming gaat in het kader van de afsplitsing over naar de verkrijgende rechtspersoon.
De afsplitser drijft op voornoemd tijdstip een voortgezette onderneming ex art. 13e Wet VPB 1969 en deze onderneming gaat als gevolg van de afsplitsing over naar de verkrijger.
Standaardvoorwaarde 4 werpt een dam op tegen uitbreidingen van verrekeningsmogelijkheden als gevolg van een fiscaal gefaciliteerde afsplitsing met betrekking tot liquidatieverliezen die ten tijde van het afsplitsingsvoorstel latent aanwezig zijn, maar pas na het afsplitsingstijdstip worden gerealiseerd.3 Dit wordt bereikt door middel van de beproefde winstsplitsingstechniek (standaardvoorwaarde 4, lid 4).4 Voor een nadere bespreking van de achtergrond en de werking van deze standaardvoorwaarde verwijs ik naar mijn analyse van standaardvoorwaarde 5 behorende bij een zuivere splitsing op verzoek.5 In afwijking van wat in dat onderdeel is opgemerkt over carry back en carry forward, geldt voor standaardvoorwaarde 4 inzake de afsplitsing het volgende. Het is mogelijk dat het liquidatieverlies niet (geheel) in aanmerking kan worden genomen in het nasplitsingsjaar waarin het wordt gerealiseerd, omdat in dat jaar te weinig winst wordt behaald door de onderneming6 waartoe de geliquideerde deelneming of de voortgezette onderneming vóór de afsplitsing behoorde. Op grond van standaardvoorwaarde 4, lid 3 kan het (resterende) liquidatieverlies dan met inachtneming van art. 20, lid 2, Wet VPB 1969 en de winstsplitsing in mindering worden gebracht op (en tot ten hoogste) de positieve belastbare bedragen van de verkrijger in andere jaren. Wordt een liquidatieverlies op deze wijze in aftrek gebracht op een positief belastbaar bedrag van een eerder jaar (carry back), dan wordt de aanslag over dat jaar in zoverre herzien. Over het bedrag van de herziening wordt geen belastingrente vergoed (standaardvoorwaarde 4, lid 5).