HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077, NJ 2021/299 m.nt. Vellinga. Zie eerder onder meer HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293 m.nt. Reijntjes; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071; HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3485; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2501 en HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:155.
HR, 10-12-2024, nr. 22/01090 P
ECLI:NL:HR:2024:1815
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-12-2024
- Zaaknummer
22/01090 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1815, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑12‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1342
ECLI:NL:PHR:2024:1342, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1815
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit feitelijk leiding geven aan witwassen, begaan door rechtspersoon, door uit misdrijf afkomstig geldbedrag aan te wenden als startkapitaal voor aankoop van auto’s ten behoeve van verhuur en verkoop daarvan. Motivering schatting w.v.v. Betreffen loonbetalingen w.v.v. uit feitelijk leiding geven aan witwassen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/01089, 22/01091 P en 22/01092.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01090 P
Datum 10 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 maart 2022, nummer 21-002597-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 22/01089, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2024.
Conclusie 09‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming, w.v.v. uit feitelijke leiding geven aan witwassen. Betreffen loonbetalingen w.v.v. uit feitelijke leiding geven aan witwassen? De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 22/01089, 22/01092 en 22/01091.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01090 P
Zitting 9 juli 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 21 maart 2022 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 52.000,- en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/01089, 22/01092 en 22/01091. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Voordat ik het middel bespreek, geef ik de overwegingen weer die aan de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag liggen.
Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
‘De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 21 maart 2022 met parketnummer 21-003907-19 ter zake van feitelijk leiding geven aan witwassen, begaan door een rechtspersoon, gepleegd in de periode van 3 februari 2016 tot en met 25 april 2018, veroordeeld tot straf. Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de veroordeelde uit het bewezenverklaarde financieel voordeel heeft genoten. Het hof heeft in zijn arrest van 21 maart 2022 geconcludeerd dat het startkapitaal van [medeverdachte] B.V. afkomstig is geweest uit enig misdrijf. Door het aankopen van auto’s ten behoeve van de verhuur en/of verkoop heeft veroordeelde de werkelijke aard en herkomst van het geld verhuld en het geld omgezet. Veroordeelde heeft in zijn verhoor bij de politie op 25 april 2018 aangegeven dat hij voor de werkzaamheden die hij voor de rechtspersoon verrichtte ongeveer € 2.000,- per maand cash als loon aan zichzelf uitbetaalde. Het hof merkt dit loon aan als wederrechtelijk verkregen voordeel dat afkomstig is uit het door veroordeelde gepleegde strafbare feit. Het hof stelt vast dat de periode van 3 februari 2016 tot en met 25 april 2018 een periode van 26 maanden bedraagt en dat derhalve sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 52.000,- (26 x € 2.000,-).
Op grond van het bovenstaande ontleent het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 52.000,-’
6. Het middel bevat de klacht dat het kennelijke oordeel van het hof dat de betrokkene uit het in de strafzaak bewezenverklaarde witwassen van een geldbedrag van € 190.000,- voor een bedrag van € 52.000,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans ontoereikend gemotiveerd is. Indien aangenomen zou moeten worden dat ‘dit (in maandelijkse termijnen) als loon aan hem uitgekeerde geldbedrag van in totaal € 52.000,- onderdeel vormt van het bewezenverklaarde witwasvoorwerp’, zou dat niet zonder meer meebrengen ‘dat dit bedrag hem daadwerkelijk tot voordeel heeft gestrekt’.
7. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat de enkele omstandigheid dat een goed, zoals een geldbedrag, voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, niet met zich brengt dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt.1.Verbeurdverklaring van een goed dat voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen is wel mogelijk.2.Het goed dat voorwerp is van het witwassen is het voorwerp met betrekking tot welk het feit is begaan.
8. Uw Raad heeft voorts overwogen dat niet uitgesloten is ‘dat het verrichten van witwashandelingen wel op andere wijze tot daadwerkelijk voordeel voor de betrokkene heeft geleid’.3.Daarbij noemt Uw Raad twee voorbeelden. Het eerste betreft ‘het geval wanneer de betrokkene voor het verrichten van de betreffende handelingen een beloning heeft ontvangen’. Het tweede voorbeeld betreft het geval waarin ‘uit misdrijf verkregen voorwerpen worden omgezet en daardoor een vermogensvermeerdering optreedt’. Dit voorbeeld ziet, zo begrijp ik, op de situatie waarin het voorwerp van de bewezenverklaarde witwashandeling een afzonderlijk vermogensvoordeel heeft gegenereerd. Dat leid ik ook af uit de illustratie die Uw Raad geeft: ‘Wanneer bijvoorbeeld investeringen worden gedaan met uit misdrijf verkregen gelden, kan een positief rendement als voordeel van witwassen worden aangemerkt’. De aandelen die van het uit misdrijf verkregen geld zijn gekocht kunnen, als zij het voorwerp van de bewezenverklaarde witwashandeling vormen (bijvoorbeeld verwerven) verbeurd worden verklaard. Het dividend dat over die aandelen wordt uitgekeerd, kan tot voordeelsontneming leiden.
9. Het hof heeft overwogen dat de verdachte in de strafzaak is veroordeeld wegens feitelijk leiding geven aan witwassen, begaan door een rechtspersoon. Uit de bewezenverklaring in de strafzaak tegen betrokkene, waarin ik vandaag eveneens concludeer, volgt dat [medeverdachte] B.V. in de periode van 3 februari 2016 tot en met 25 april 2018 van geldbedragen van in totaal € 190.000,- de werkelijke aard en herkomst heeft verhuld en deze geldbedragen heeft omgezet, en dat de betrokkene aan die gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven. Uit de bewijsvoering volgt dat het gaat om een contant geldbedrag dat in [medeverdachte] B.V. is geïnvesteerd, in auto’s. Het hof heeft het loon dat de verdachte zichzelf in de periode van 3 februari 2016 tot en met 25 april 2018 cash uitbetaalde in de bestreden uitspraak vervolgens als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt. Daaruit volgt dat het hof het bedrag van € 52.000,- niet als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft aangemerkt omdat het bedrag voorwerp van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen vormt. Dat het bedrag van € 52.000,- terug te leiden valt op het bedrag dat voorwerp van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen vormt en daarmee gerealiseerd vervolgprofijt oplevert, is geen reden om het niet als voordeel verkregen door middel van of uit de baten van dat strafbare feit aan te merken. Het staat, meen ik, in dezelfde verhouding tot dat bedrag als een beloning voor witwashandelingen.
10. Dat brengt mee dat de eerste deelklacht faalt.
11. De steller van het middel voert voorts aan dat ’s hofs oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is, nu het hof niet heeft vastgesteld dat (al) deze loonbetalingen (on)middellijk zijn gedaan uit een bedrijfsstartkapitaal van € 190.000,- en zodoende evenmin heeft vastgesteld dat (al) deze loonbetalingen een criminele herkomst hebben.
12. Uit de bewijsvoering in de strafzaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer, blijkt dat de verdachte op 3 februari 2016 de onderneming [medeverdachte] heeft opgericht, en dat hij vervolgens in de periode van 10 februari 2016 tot en met 6 juli 2016 in totaal 37 auto’s heeft aangeschaft met een geschatte waarde van € 190.800,-. Kennelijk heeft het hof de financiële middelen die vervolgens met deze auto’s zijn gegenereerd als vervolgprofijt (en daarmee als wederrechtelijk verkregen voordeel) aangemerkt, en uit de verklaring van de verdachte afgeleid dat het loon dat in de periode van 3 februari 2016 tot en met 25 april 2018 door [medeverdachte] B.V. aan de verdachte is betaald uit ofwel het startkapitaal ofwel het vervolgprofijt, en het op die grond als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt.
13. Dat oordeel is, meen ik, niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat Uw Raad voordeel als vervolgprofijt aanmerkt indien dat voordeel uit de baten van het strafbare feit is verkregen, en voor het bestaan van vervolgprofijt eerder doorslaggevend heeft geacht dat het voordeel ‘niet was gerealiseerd zonder die eerdere aanwending van de genoemde opbrengsten’.4.Voor zover de steller van het middel wil bestrijden dat het hof heeft kunnen oordelen dat het (start)kapitaal van de onderneming alleen bestond uit het bedrag van € 190.000,- merk ik op dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat een bedrag van € 190.000,- aan betrokkene is geleend (door [neef] ); dat verweer is in het arrest in de strafzaak verworpen. De raadsman heeft niet aangevoerd dat het bedrijfskapitaal van [medeverdachte] B.V. mede het resultaat was van andere geldinjecties. Onder het kopje ‘ontneming’ staat in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota inzake de betrokkene slechts de volgende zin: ‘ [betrokkene ] , slechts voor de duur van de bewezenverklaring, namelijk 5 maanden het inkomen’. Het proces-verbaal van de betreffende op 7 maart 2022 gehouden terechtzitting houdt (aanvullend) in: ‘Aangezien ik van mening ben dat bij een veroordeling slechts een periode van vijf maanden kan worden bewezenverklaard, dient dezelfde termijn te worden gehandhaafd bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel’.
14. Al met al volgt uit ’s hofs vaststellingen en overwegingen toereikend dat de loonbetalingen ‘een criminele herkomst hebben’: voordeel vormen dat uit de baten van het bewezenverklaarde strafbare feit is verkregen.
15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad meer dan twee jaar nadat het cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. Tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting behoeft dat niet te leiden nu in de strafzaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer, kan worden beoordeeld of de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase tot compensatie moet leiden. Ook voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑07‑2024
Vgl. HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:798.
HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077, NJ 2021/299 m.nt. Vellinga.
HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1154. Zie in verband met vervolgprofijt ook HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:728, NJ 2017/201 en HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2475, NJ 2018/132 m.nt. Vellinga-Schootstra.