Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/4.2.2.a
4.2.2.a Octrooirecht
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465270:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Actes VP 1886, p. 16-18 (voorstel Italië en Bureau). Vgl. Osterrieth & Axster 1903, p. 104 e.v. en Ladas 1975, p. 505 e.v. Zie ook alinea 338 hiervoor. Het onafhankelijkheidsbeginsel was voor het octrooirecht overigens al omarmd door het congres van 1878, zie Comptes rendus Congrès 1878, p. 418.
Actes VP 1886, p. 16-18 en p. 23 (voorstel Italië en Bureau). Het voorstel luidde om de volgende interpretatieve bepaling als art. 1.2 op te nemen in een uitvoeringsreglement bij het verdrag: 'Lorsque, dans les délais fixés á l'article 4 de la Convention, une personne aura déposé dans plusieurs Etats de l'Union des demandes de brevets pour la même invention, les droits résultant des brevets ainsi demandés seront indépendants les uns des autres.'
Actes VP 1886, p. 128-129 (Procès-verbaux). Zie ook Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 45-46. De Romeinse conferentie was voor het overige ook geen succes; het uitvoeringsreglement werd ook niet geratificeerd, zie Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 40 en p. 43.
Actes VP 1891, p. 15-17 (voorstel Spanje en Bureau); p. 135 (Procès-verbaux); p. 216 (Actes signés). Deze bepaling luidde: '1. Lorsque, dans les délais fixés á l'article 4 de la Convention, une personne aura déposé dans plusieurs Etats de l'Union des demandes de brevets pour la même invention, les droits résultant des brevets ainsi demandés seront indépendants les uns des autres. 2. Es seront également indépendants des droits résultant des brevets qui auraient été pris pour la même invention dans des pays non adhérents de l'Union.' (interpretatieve bepaling nr. III van het Protocole déterminant l'interprétation et l'application de la Convention du 20 mars 1883).
Zie Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 60.
Zie Actes VP 1897/1900, p. 41-42 en p. 146 (voorstel Bureau); p. 181-183, p. 311 en p. 331-333 (Procès-verbaux); p. 342 (Premier Protocole film»; p. 359 (Tableau); p. 411 (Actes adoptés). Vgl. ook Pelletier & VidalNaquet 1902, p. 127-132, en p. 426; Osterrieth & Axster 1903, p. 109 e.v.
Actes VP 1897/1900, p. 411 (Actes adoptés). Deze tekst ging verder dan de Romeinse en Madrileense teksten, zij betrof immers niet alleen octrooien die binnen de prioriteitstermijn van het verdrag waren aangevraagd, maar alle octrooien die waren aangevraagd door de personen genoemd in art. 2 en 3; vgl. Actes VP 1897/1900, p. 41 (voorstel Bureau). Zie ook Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 74-75; Ladas 1975, p. 508.
Het huidige art. 4bis lid 1 luidt in de Nederlandse vertaling: 'De octrooien, aangevraagd in de verschillende landen der Unie door onderdanen der Unie-landen, zullen onafhankelijk zijn van de octrooien, verkregen voor dezelfde uitvinding in de andere landen, onverschillig of deze al dan niet tot de Unie zijn toegetreden.'
In België werd geleerd dat — ook onder de vigeur van het Verdrag van Parijs — een octrooi van een vreemdeling moest worden aangemerkt als een 'octrooi van invoer' indien voor dezelfde uitvinding in den vreemde reeds een octrooi was verleend; en voor de beschermingsduur van dit 'octrooi van invoer' werd een materiëlereciprociteitsuitzondering gemaakt. Art. 14 van de toenmalige Belgische octrooiwet luidde: '(...) La durée de ce brevet n'excèdera pas celle du brevet antérieurement concédé á l'étranger pour le terme le plus long, et dans aucun cas, la limite fixée par l'art. 3' Zie Osterrieth 1912, p. 11. Over de (onjuiste) onderbouwing van deze leer, zie Ladas 1975, p. 509.
Actes VP 1911, p. 332 (Actes adoptés). De Belgische delegatie werkt overigens loyaal mee aan deze interpretatieve bepaling, vgl. Ladas 1975, p. 510, noot 29. In de Nederlandse vertaling: 'Deze bepaling moet volstrekt worden opgevat, met name in deze zin, dat de octrooien aangevraagd gedurende de termijn van voorrang onafhankelijk zijn, zowel uit een oogpunt van gronden van nietigheid en verval, als uit een oogpunt van gewone duur.' Voor wat betreft de beschermingsduur nam de Londense conferentie van 1934 nóg een verduidelijking aan: art. 4bis lid 5. Deze bepaling verduidelijkt dat de beschermingsduur niet mag lopen vanaf de prioriteitsdatum (de indieningsdatum van het vreemde, eerste octrooi), maar dat zij pas mag lopen vanaf de indieningsdatum voor het 'lokale' octrooi. Het beginsel van nationale behandeling en het onafhankelijkheidsbeginsel brengen dit reeds mee (in deze zin reeds Osterrieth & Axster 1903, p. 110), maar met name het Verenigd Koninkrijk trok zich daar niets van aan. Uiteindelijk ging het toch overstag, en dat is bezegeld met art. 4bis lid 5. Zie ook Ladas 1975, p. 512-513; Huydecoper & Van Nispen 2002, p. 100.
Zie Actes VP 1911, p. 249 e.v. (Procès-verbaux); Osterrieth 1912, p. 11; Ladas 1975, p. 508.
Actes VP 1911, p. 312 (Rapport d'ensemble); p. 249 e.v. en p. 259 (Procès-verbaux). Deze uitzondering was als volgt ontworpen: 'Toutefois, en ce qui concerne la durée, les dispositions des lois intérieures conserveront leurs effets pour les seuls brevets demandés après le délai de priorité, et dont la validité serait admise, en vertil d'une disposition particulière desdites lois, malgré des faits de publicité et d'exploitation préalables.'
Actes VP 1911, p. 259 (Procès-verbaux).
Vgl. Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 96.
In die zin Belgisch Hof van Cassatie 8 juli 1926, PI 1928, p. 21 e.v. (Viscose/Tubize), vgl. ook Capitaine 1926, p. 21; Hof van Beroep Brussel 15 april 1931, PI 1932, p. 67-68 (Tetra/Huysmans). Zie Ladas 1975, p. 511, noot 32.
Ladas 1975, p. 510-511.
Zo ook Osterrieth 1912, p. 11 r.k., noot 2.
Dit ziet Ladas 1975, p. 511 over het hoofd.
Het auteursrecht volgde in 1908 (Berlijnse conferentie van de Berner Conventie, zie par. 3.2), het merkenrecht pas in 1934, zoals hierna aan de orde komt.
Zie par. 3.4.4.
373. Sluiproute octrooirecht. Voor het octrooirecht liep de sluiproute via het prioriteitsrecht in artikel 4.
374. Rome 1886. Reeds bij de conferentie te Rome in 1886 werd dit probleem dat toen overigens nog nergens in rechte was beslecht — aan de orde gesteld. Men vroeg zich af of een octrooi dat binnen de prioriteitstermijn van het Verdrag van Parijs was aangevraagd, moest worden beschouwd als een onafhankelijk octrooi, of als een 'octrooi van invoer' dat door middel van materiële-reciprociteitsuitzonderingen wat betreft beschermingsduur en/of geldigheid afhankelijk kan worden gesteld van het eerdere buitenlandse octrooi (of de eerdere buitenlandse octrooien).1 Het Bureau van de Parijse Unie en de Italiaanse gastheren van de conferentie concludeerden dat dergelijke afhankelijkheid in strijd was met (de geest van) het verdrag, en zij stelden voor om een en ander te verduidelijken door de onafhankelijkheid in een interpretatieve bepaling vast te leggen.2 Tot een inhoudelijke behandeling kwam het echter niet; de Romeinse conferentie besloot de vraag door te schuiven naar de volgende conferentie.3
375. Madrid 1890. Dat werd de conferentie te Madrid in 1890. Deze conferentie nam zonder veel discussie een interpretatieve bepaling over onafhankelijkheid aan.4 Het protocol waarin deze bepaling was opgenomen, is echter nooit van kracht geworden.5
376. Brussel 1897-1900. Uiteindelijk is het onafhankelijkheidsbeginsel voor het octrooirecht vastgelegd door de volgende conferentie, die te Brussel werd gehouden in 1897 en 1900. Hier werd zonder problemen een artikel 4bis in het verdrag opgenomen, waarin in lid 1 kort gezegd werd bepaald dat een octrooi dat in een Unieland is aangevraagd door de in artikel 2 en 3 genoemde personen, onafhankelijk is van octrooien die voor dezelfde uitvinding zijn verleend in andere landen (onverschillig of deze tot de Parijse Unie behoren)6:
"Les brevets demandés dans les différents États contractants par des personnes admises au bénéfice de la Convention aux termes des articles 2 et 3, seront indépendants des brevets obtenus pour la même invention dans les autres États adhérents ou non à l'Union." 7
377. Onafhankelijkheidsbeginsel. Met de proclamatie van dit onafhankelijkheidsbeginsel werd dus uitdrukkelijk elke uitzondering op het beginsel van nationale behandeling verboden, dus zowel uitzonderingen op zijn conflictregel als uitzonderingen op zijn non-discriminatiebeginsel. In de praktijk ging het om deze laatste categorie: men wilde immers de materiële-reciprociteitsuitzonderingen uitbannen; deeltoepasselijkheid van een andere wet dan de formeel- en materieelterritoriaal toepasselijke wet speelde in de praktijk niet. Maar dat neemt niet weg dat het onafhankelijkheidsbeginsel het beginsel van nationale behandeling ook immuniseerde voor conflictenrechtelijke uitzonderingen. De in Brussel ontworpen tekst geldt, behoudens enkele kleine wijzigingen, tot op de dag van vandaag.8
378. Art 4bis lid 2. Toch waren niet alle problemen weggenomen. Zo werd in België geleerd dat het onafhankelijkheidsbeginsel in artikel 4bis geen betrekking had op de beschermingsduur — voor dit aspect van de bescherming zou een materiële-reciprociteitsuitzondering mogen worden gemaakt.9 Om dergelijke onjuiste interpretaties te elimineren werd door de conferentie te Washington in 1911 een interpretatieve bepaling als tweede lid van artikel 4bis opgenomen, waarmee men tot uitdrukking wilde brengen dat de in het eerste lid geproclameerde onafhankelijkheid volledig (absoluut) is. Deze bepaling is tot op de dag van vandaag ongewijzigd gebleven:
"Cette disposition doit s'entendre d'une facon absolue, notamment en ce sens que les brevets demandés pendant le délai de priorité sont indépendants, tant au point de vue des causes de nullité et de déchéance, qu'au point de vue de la durée normale." 10
379. De 'Italiaanse' uitzondering? Tijdens de Washingtonse conferentie had Italië nog getracht hierop een uitzondering te maken voor een bijzonder soort 'octrooi van invoer', dat alleen in Italië bestond. In Italië kon men een 'octrooi van invoer' verkrijgen voor kort gezegd een uitvinding die in het buitenland is geoctrooieerd, en die niet meer als nieuw kan worden aangemerkt, mits deze uitvinding nog niet in Italië wordt geëxploiteerd.11 Italië was van mening dat artikel 4bis niet van toepassing was op deze bijzondere 'octrooien van invoer', en dat voor hun beschermingsduur een materiële-reciprociteitsuitzondering mocht worden gemaakt. Zijn voorstel om deze uitzondering op het absolute onafhankelijkheidsbeginsel in het verdrag vast te leggen, werd door de conferentie uiteindelijk niet gevolgd.12Daarop verklaarde de Italiaanse delegatie eenzijdig dat artikel 4bis lid 2 haars inziens zo moet worden uitgelegd dat het onafhankelijkheidsbeginsel geen betrekking heeft op de beschermingsduur van octrooien die na de prioriteitstermijn van artikel 4 worden aangevraagd.13 Hier zou dus een materiële-reciprociteitsuitzondering mogen worden gemaakt. De conferentie bevestigde noch ontkende de juistheid van deze uitleg.14 Dit een en ander heeft voor enige misverstanden gezorgd. Moest artikel 4bis inderdaad zo worden uitgelegd? Gold dat dan niet alleen voor de bijzondere Italiaanse 'octrooien van invoer', maar ook voor andere (invoer)octrooien?15 Deze uitleg moet voor onjuist worden gehouden. Daargelaten de vraag welke waarde aan de eenzijdige Italiaanse verklaring moet worden gehecht, is deze verklaring immers duidelijk onverenigbaar met de aangenomen bepaling (artikel 4bis lid 2), die het absolute karakter van het onafhankelijkheidsbeginsel wil onderstrepen, en daarbij slechts een voorbeeld weergeeft ("notamment"), en geen beperking aanlegt. Artikel 4bis lid 2 maakt geen uitzondering op het onafhankelijkheidsbeginsel in het eerste lid — integendeel. Dit is, zoals Ladas terecht aangeeft, de enige zinnige uitleg van het tweede lid.16 De Italiaanse verklaring is bovendien te ruim geformuleerd — de Italianen waren er immers alleen op uit om de materiële-reciprociteitsuitzondering voor hun eigen bijzondere soort 'octrooien van invoer' te redden. Die beperking had ook in hun verklaring moeten worden opgenomen.17 Dat had één misverstand gescheeld, maar het had de Italianen niet gebaat. Op grond van artikel 2 van het toenmalige slotprotocol (het huidige artikel 1 lid 4 van het Verdrag van Parijs) moet onder 'octrooi' immers ook dit soort octrooien worden begrepen.18
380. Conclusie. Zo werd in het Verdrag van Parijs voor het octrooirecht elke mogelijke materiële-reciprociteitsgedachte uitgebannen door het onafhankelijkheidsbeginsel: elke uitzondering — conflictenrechtelijk en vreemdelingenrechtelijk — op het beginsel van nationale behandeling werd verboden, en dat verbod moet volstrekt worden opgevat. Het octrooirecht was daarmee het eerste intellectuele-eigendomsrecht waarvoor het onafhankelijkheidsbeginsel werd uitgeroepen.19 In het octrooirecht bereikte het beginsel van nationale behandeling dus voor het eerst het derde stadium van zijn ontwikkelingsgang, het stadium waarin dit beginsel de (voornaamste) uitzonderingen van zich af heeft geschud door de invoering van het onafhankelijkheidsbeginsel.20