Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies
Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/1.7.1:1.7.1 Structuur en opbouw van de hoofdstukken
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/1.7.1
1.7.1 Structuur en opbouw van de hoofdstukken
Documentgegevens:
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS404584:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit inleidende hoofdstuk is de problematiek van aantastbaarheid van handelingen wegens schuldeisersbenadeling geïntroduceerd, de onderzoeksvraag geformuleerd en aangegeven hoe deze onderzoeksvraag zal worden beantwoord. Verder is in dit inleidende hoofdstuk een onderverdeling naar drie vormen van benadeling besproken waar steeds op teruggegrepen zal worden, te weten benadeling door:
inbreuk op de integriteit van het verhaalsvermogen,
doorbreking van de paritas creditorum, en
een dubbele opstelling van aandeelhouders.
De hoofdstukken 2, 3 en 4 analyseren achtereenvolgens het Duitse, Engelse en Nederlandse recht terzake. Per landenhoofdstuk wordt dezelfde structuur gehanteerd. Elk hoofdstuk begint met een inleiding (§ 2.1, § 3.1 en § 4.1), waarin onder andere in algemene termen een overzicht wordt gegeven van de verschillende relevante aantastingsgronden. Vervolgens worden in § 2.2, § 3.2 en § 4.2 de verschillende aantastingsgronden behandeld. Het aantal relevante aantastingsgronden per land verschilt, zodat ook het aantal subparagrafen varieert. Wel wordt steeds dezelfde volgorde gehanteerd. Eerst wordt de gehele bepaling weergegeven, zodat men het betoog ook goed kan volgen zonder dat men op zoek moet gaan naar buitenlandse wet- en regelgeving. Vervolgens wordt bezien wat als het doel van de bepaling wordt gezien en hoe ingrijpen wordt gerechtvaardigd. Vervolgens worden per aantastingsgrond de objectieve en de subjectieve criteria besproken. Paragrafen 2.3, 3.3 en 4.3 analyseren telkens de positie van aandeelhouders in formele insolventie van de schuldenaar voor zover de aandeelhouder de vennootschap niet met kapitaal maar met een lening of garanties heeft gefinancierd. Paragrafen 2.4, 3.4 en 4.4 onderzoeken hoe het leerstuk zich verhoudt tot het leerstuk van de onrechtmatige daad. In de concluderende paragrafen (§ 2.5, § 3.5 en § 4.5) wordt steeds geanalyseerd in hoeverre in de landen een onderscheid is gemaakt tussen de drie onderscheiden vormen van benadeling. Eveneens wordt per land op hoofdlijnen geanalyseerd in hoeverre het onderzochte rechtsstelsel per vorm van benadeling objectieve of subjectieve criteria hanteert.
Hoofdstuk 5 vergelijkt het recht van de landen en beantwoordt aan de hand van deze rechtsvergelijking de vraag in hoeverre het per vorm van benadeling mogelijk en wenselijk is tot een regeling van aantastbaarheid van handelingen wegens schuldeisersbenadeling te komen met enkel objectieve criteria. In de Appendix worden de conclusies samengevoegd en wordt uitgewerkt hoe een dergelijke regeling eruit zou zien. De regeling wordt gepresenteerd als een nadere invulling van de European Principles of Insolvency Law.