NJ 1938/1006
Vervolg van H. R. 28 Aug. 1934 W. 22819 N. J. 1934, bl. 1686. Beweerd eigendomsrecht, van de onteigende partij in een onteigeningsgeding, van een aangrenzend perceel. Toepassing oud-Holl. recht; Geen verplichting van den rechter tot nadere aanduiding der toegepaste regelen en voorschriften. „Wet" in den zin van art. 99, 2e lid R. O. Romeinsch recht? Oud-Hollandsch recht? Gewoonterechtsregelen?
HR 13-04-1938, ECLI:NL:HR:1938:225, m.nt. Prof. E.M. Meijers
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13 april 1938
- Magistraten
Mrs. Kosters, van den Dries, Kranenburg, Donner, Sinninghe Damsté
- Zaaknummer
[13041938/NJ_1938_1006]
- Conclusie
Mr. Besier
- Noot
Prof. E.M. Meijers
- JCDI
JCDI:ADS105928:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1938:225, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑04‑1938
- Wetingang
Essentie
Vervolg van H. R. 28 Aug. 1934 W. 22819 N. J. 1934, bl. 1686. Beweerd eigendomsrecht, van de onteigende partij in een onteigeningsgeding, van een aangrenzend perceel. Toepassing oud-Holl. recht; Geen verplichting van den rechter tot nadere aanduiding der toegepaste regelen en voorschriften. „Wet" in den zin van art. 99, 2e lid R. O. Romeinsch recht? Oud-Hollandsch recht? Gewoonterechtsregelen?
Samenvatting
De in het middel aangehaalde wetsartikelen betreffende de motiveering der rechterlijke vonnissen stellen den rechter niet op straffe van nietigheid, den eisch nader rekenschap te geven van de rechtskundige gronden, die hem tot zijn oordeel hebben geleid, zoodat ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.