Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/1.2.2
1.2.2 Wijze van beantwoording van de onderzoeksvragen
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS355919:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Par. 1.1.5, Rb. Noord-Nederland 14 februari 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ9574. De zaak komt terug in hoofdstuk 5, par. 5.3.3.
Hoofdstuk 5, par. 5.3.3.
Het toenmalige art. 280 Sr (in 1983 is een tweede lid toegevoegd met een strafuitsluitingsgrond die in deze zaak van toepassing zou zijn geweest), HR 11 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB4463, NJ 1976/538, m.nt. Th.W. van Veen (JAC). De zaak komt ook aan de orde in hoofdstuk 3, par. 3.5 en hoofdstuk 5, par. 5.5.
Bijv. N. van der Zee, Om erger te voorkomen: de voorgeschiedenis en uitvoering van de vernietiging van het Nederlandse jodendom tijdens de Tweede Wereldoorlog, Amsterdam: Meulenhoff 1997.
Kamerstukken I 1921/22, 90, 90, p. 522.
Par. 1.1.5.
Vooral in het kader van specifieke leerstukken was deze methode nuttig, bijvoorbeeld door te zoeken op ‘contra-legemwerking algemene beginselen van behoorlijk bestuur’. Ook is in algemenere zin op trefwoord gezocht, bijvoorbeeld op ‘bijzonder geval kennelijk onredelijk’.
Dat lijkt misschien ‘minder wetenschappelijk’, maar heeft voor dit onderzoek even relevante resultaten opgeleverd als het zoeken op de andere genoemde manieren. De evidente onbillijkheid van toepassing van wettelijke voorschriften maakt dat dergelijke gevallen aandacht krijgen in juridische tijdschriften en in de media. Ook tips van anderen waren waardevol.
Gezien de belangrijke rol van de aristotelische billijkheid in dit onderzoek, wordt deze eerst verduidelijkt aan de hand van vertalingen van citaten van Aristoteles’ teksten, en wordt uitgebreider ingegaan op de juridische literatuur waarin ze herkenbaar is (hoofdstuk 2 – eigenlijk bijlage bij hoofdstuk 1).
Vervolgens wordt de staatsrechtelijke ruimte voor billijkheidsuitzonderingen beschreven. Er worden constitutionele eisen bepaald (hoofdstuk 3). Als de wetgever een regel heeft opgesteld die in een concreet geval tekstueel van toepassing is, in hoeverre is het dan taak van de rechter om deze regel buiten toepassing te laten? Uit de Grondwet (art. 120), de wet (art. 11 Wet AB) en de jurisprudentie volgen eisen aan uitzonderingen. Deze verschillen waar het gaat om uitzonderingen op wetgeving in formele zin, het buiten toepassing laten van lagere wettelijke voorschriften, en uitzonderingen krachtens artikel 94 Gw.
Het is bijvoorbeeld onwaarschijnlijk dat de wetgever van het taakstrafverbod het eens was geweest met de hierboven beschreven oplegging van een taakstraf aan iemand waarbij de wet die niet toestond.1 De voor de rechtbank relevante omstandigheden van het geval (leeftijd, werk en huis van de verdachte) spelen immers wel bij meer veroordeelden, waarvan de wetgever zich bewust zal zijn geweest, terwijl hij nu juist geen uitzondering bij het taakstrafverbod toestond. Dit wekt het vermoeden dat deze uitzondering de constitutionele eisen onvoldoende in acht nam (zoals later uitgebreider aan de orde komt2).
In het derde hoofdstuk wordt ook aan de orde gesteld dat interpretatie een alternatief is voor uitzonderingen, en dat ook hiervoor bepaalde constitutionele beperkingen gelden.
Een hulpverlener werd ervan verdacht dat hij een weggelopen minderjarige ‘aan de nasporing van de politie had onttrokken’.3 Het hof verklaarde dit bewezen, maar maakte een uitzondering omdat de materiële wederrechtelijkheid ontbrak: de verdachte had gehandeld ter behartiging van het rechtsbelang dat de strafbepaling beoogde te beschermen (het herstel van de verhouding tussen ouders en kinderen) en was opgetreden als een goed hulpverlener. De Hoge Raad las het arrest alsof het hof de strafbepaling zo had geinterpreteerd dat niet voldaan was aan de voorwaarde dat de verdachte de minderjarige had ‘onttrokken aan de nasporingen van de politie’. Niet blijkt waarom dit de voorkeur had boven een billijkheidsuitzondering, zeker gezien de tekst van de strafbepaling.
Nadat de constitutionele eisen voor uitzonderingen zijn bepaald, wordt ingegaan op de ruimte voor de uitzonderingen in het civiele recht, het strafrecht en het bestuursrecht. De karakteristieken van de rechtsgebieden verklaren bepaalde verschillen tussen de ruimte voor de uitzonderingen in elk rechtsgebied. Per rechtsgebied wordt verder bezien welke aspecten bij beslissingen over uitzonderingen een rol spelen. Verschillende karakteristieken en aspecten worden vertaald in contra-indicaties voor de geoorloofdheid van uitzonderingen.
De resultaten uit het civiele recht worden als eerste weergegeven, omdat de uitzonderingen hier algemeen zijn aanvaard in de jurisprudentie en de doctrine, en inmiddels zelfs zijn gecodificeerd in artikel 6:2 lid 2 BW (hoofdstuk 4). Dan volgt het strafrecht, waar onbillijke beslissingen door strikte toepassing van wettelijke voorschriften weliswaar weinig voorkomen, maar de behoefte van de strafrechter aan uitzonderingen beperkt lijkt (hoofdstuk 5). Het bestuursrecht is het rechtsgebied waarin de meeste van die evident onbillijke beslissingen zijn gevonden (hoofdstuk 6).
Voor het staatsrecht zijn billijkheidsuitzonderingen tevens relevant. Ook in dit rechtsgebied wordt immers wetgeving toegepast, terwijl de noodzakelijke algemeenheid daarvan evident onbillijke beslissingen tot gevolg kan hebben.
Dat bleek al uit het voorbeeld uit de inleiding over de D66-zetel. Een ander voorbeeld ziet op de vlucht van Koningin Wilhelmina en de regering naar Londen op 13 mei 1940. Artikel 21 van de (toenmalige) Grondwet bepaalde dat in geen geval de zetel van de regering buiten het Rijk kan worden verplaatst. Er werd daarom later meerdere malen gesteld dat de vlucht in strijd met de Grondwet was.4 Hoewel de tekst van artikel 21 inderdaad geen melding maakt van een uitzonderingsmogelijkheid, is die in de grondwetsgeschiedenis wel aanvaard. In 1922 stelde de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken in de Eerste Kamer namelijk dat het niet nodig was voor oorlogssituaties een uitzondering bij artikel 21 op te nemen, omdat men bij een vijandelijke bezetting aan verschillende bepalingen uit de Grondwet simpelweg niet de hand zou kunnen houden. In afwijking van artikel 21 diende dan te worden berust.5
Problematisch aan onderzoek naar staatsrechtelijke uitzonderingen is dat over dergelijke beslissingen doorgaans geen rechter oordeelt, waardoor ze niet worden gepubliceerd. Ze zijn daardoor moeilijk te achterhalen. Daarom is beslist om geen apart hoofdstuk aan het staatsrecht te wijden. Dat neemt niet weg dat voor dit rechtsgebied de conclusies uit de andere rechtsgebieden relevant zijn en dat er ook enkele staatsrechtelijke beslissingen over uitzonderingen worden weergegeven.
In ieder rechtsgebied wordt in dit onderzoek eerst bezien of de wetgever, de literatuur en de rechtspraak het aristotelische inzicht hebben geaccepteerd. Er wordt ook aandacht besteed aan de karakteristieken van het rechtsgebied die relevant kunnen zijn voor de ruimte voor uitzonderingen. Vervolgens wordt steeds bekeken of, en zo ja, in welke gevallen, uitzonderingen worden gemaakt. Hiertoe wordt rechtspraak beschreven, gecombineerd met wetenschappelijke literatuur.
Een uitputtend overzicht van rechtspraak en andere beslissingen over uitzonderingen is in dit onderzoek onmogelijk en ook onnodig. Uit de geselecteerde hoeveelheid beslissingen kunnen voldoende betrouwbare conclusies worden getrokken. Een deel daarvan is geselecteerd aan de hand van literatuur over uitzonderingen, zeker waar het gaat om de welbekende, eerder benoemde leerstukken.6 Daarnaast worden uitspraken behandeld die niet op basis van literatuur zijn gekozen, maar waarin wel is beslist over een uitzondering. Het gaat, aldus, om zaken waarin de vraag is opgeworpen of een tekstueel toepasselijk wettelijk voorschrift om billijkheidredenen buiten toepassing dient te blijven. Zowel gevallen waarin die vraag bevestigend, als zaken waarin deze ontkennend is beantwoord, worden behandeld. Verschillende uitspraken zijn aan het licht gekomen door te zoeken op trefwoord.7 Er is echter niet een vastomlijnde term waarnaar in het kader van dit onderzoek gezocht kon worden, zonder veel relevante zaken te missen; de term ‘billijkheidsuitzondering’ is hier bedacht. Daarom zijn ook gevallen gebruikt die op andere manieren onder de aandacht zijn gekomen.8
Uit de gevonden gevallen is vervolgens in elk rechtsgebied afgeleid welke aspecten een rol spelen bij de beslissing over een billijkheidsuitzondering. Deze aspecten worden verklaard door de karakteristieken van het individuele rechtsgebied en de constitutionele eisen aan uitzonderingen.
Daarna worden de constitutionele eisen en de ruimte voor de uitzonderingen in de verschillende rechtsgebieden bijeen gebracht (hoofdstuk 7).
Het onderzoek is in april 2017 afgesloten.