Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.D.8
III.D.8. Het instellen van rechtsvorderingen; procesrechtelijke vertegenwoordiging
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS403799:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De hoofdregel van art. 3:171 BW is dat ieder van de deelgenoten hiertoe bevoegd is. Zie HR 8 september 2000, NJ 2001, 604 waarin de Hoge Raad leerde dat art. 3:171 BW de mogelijkheid biedt dat een deelgenoot op eigen naam een rechtsvordering instelt ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap en deze bepaling derhalve slechts ziet op vorderingen tegen derden en niet op rechtsvorderingen tegen een andere deelgenoot die op de voet van art. 3:184 en 3:185 BW bij de verdeling van de gemeenschap aan de orde kunnen komen.
Het betrof een kwestie waarop art. 4:1060 oudBW van toepassing was: 'De uitvoerders die het bezit van de nalatenschap hebben zijn bevoegd om, zelfs in regten, de schulden in te vorderen welke, gedurende dat bezit, vervallen en opeisbaar zijn.' Let wel: het was niet duidelijk ofdit een privatieve bevoegdheid van de executeur betrof.
KLAASSEN-LUIJTEN-MEIJER, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2002, nr. 353, noot 467 wijst er op dat de schuldeisers zich thans moeten richten tot de executeur.
Rechtbank Rotterdam 22 maart 2006, NJF 2006, 583.
In het licht van formele vereffening wijs ik nog op art. 4:223 lid2 BW waarin geregeld is dat een vonnis waarbij een vordering tegen een vereffenaar is vastgesteld ook op de persoonlijke goederen van een erfgenaam die met zijn gehele vermogen aansprakelijk is, alleen ten uitvoer kan worden gelegd indien deze in het geding partij is geweest. Zie over vertegenwoordiging in het procesrecht W.H. ASSER, Partij-vertegenwoordigers in het civiele proces, p. 487-503 in Vertegenwoordiging en tussenpersonen, Serie Onderneming en recht deel 17, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1999. Zie ook art. 358 lid3 Rv. en met name de laatste zin: 'Hetzelfde geldt in zaken betreffende executele en vereffening van een nalatenschap.'
In het verlengde van de beheersbevoegdheid van de executeur komt de vraag op in hoeverre de executeur bevoegd is om namens de ervengemeenschap een rechtsvordering in te stellen. De bevoegdheid tot het procederen is in beginsel geregeldin het slot van art. 3:171 BW, waarin immers op het terrein van 'het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap' bepaaldis:1
'[...] Een regeling die het beheer toekent aan een of meer deelgenoten, sluit, tenzij zij anders bepaalt, deze bevoegdheid voor de anderen uit.' (Curs. BS)
In art. 4:144 BW wordt het beheer exclusief toegekend aan de executeur, terwijl art. 4:145 lid2 BW spreekt van 'in en buiten rechte' vertegenwoordigen. De in art. 3:171 BW neergelegde benadering sluit aan bij de privatieve vertegenwoordigingsbevoegdheid van de executeur. Voor het oude recht heeft de Hoge Raad in HR 7 april 1978, NJ 1978, 624 beslist dat de dagvaarding in beginsel aan de executeur kon worden uitgebracht.2 Annotator Kleijn leest in het arrest van de Hoge Raaddat het voor de handligt dat het exploit zowel kon worden uitgebracht aan de erfgenamen als aan de executeur. Hij leest dit in de woorden: 'dat zij de appeldagvaarding konden uitbrengen aan de executeur.' Blijkbaar geen privatieve bevoegdheden van de executeur onder oud recht, anders dan onder huidig recht.3
In het Duitse recht wordt onderscheid gemaakt tussen Aktivprozesse' (§ 2212 BGB) en 'Passivprozesse' (§ 2213 BGB). Het instellen van rechtsvorderingen met betrekking tot de goederen die onder 'Verwaltung' van deTestamentsvollstrecker staan, komt exclusief aan hem toe. Het instellen van vorderingen tegen de nalatenschap ligt echter genuanceerder. Deze kunnen in het Duitse recht zowel tegen de erfgenamen als de executeur ingesteld worden. Dit onderscheid wordt in ons recht in art. 4:145 lid 2 BW echter niet gemaakt. Rechtbank Rotterdam4 heeft over beide kanten van de medaille voor de praktijk belangrijke taal gesproken:
'De rechtbank is van oordeel dat, gezien de strekking van de wet, het tweede lid van art. 4:145 BW, zo gelezen dient te worden dat aan de executeur een exclusieve bevoegdheid toekomt om in rechte op te treden ter zake het beheer van de nalatenschap, hetgeen met zich brengt dat een erfgenaam onbevoegd is zelfstandig in rechte op te treden, of dit nu is als eiser of als gedaagde. Gezien de wetsgeschiedenis is het doel van art. 4:145 BW immers dat een executeur slagvaardig op kan treden zonder daarbij door een erfgenaam te worden gehinderd. Indien een erfgenaam wel bevoegdzou zijn als gedaagde in rechte op te treden zou aan dat doel voorbij worden gegaan.' (Curs. BS)
Gelet op het belang van de materie is het goed dat de rechter de privatieve werking van executele ook heeft bevestigdop procesrechtelijk gebied.
Een procesrechtelijke bepaling met betrekking tot executele vinden wij nog in art. 53b Rv. waarin bepaaldis dat bij een betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene vermelding van hun namen en woonplaats onder meer achterwege kan blijven indien deze geschiedt aan de persoon of de woonplaats van de executeur. Een praktische bepaling voor een schuldeiser van de nalatenschap.5
In art. 660 Rv. is geregelddat een executeur bevoegdis om verlof tot verzegeling te verzoeken van de nalatenschap. Hij dient dan zijn bevoegdheid en een voldoende ernstig belang bij de verzegeling summierlijk aan de rechter aannemelijk te maken.