HR, 28-02-2012, nr. S 10/01526
ECLI:NL:HR:2012:BV7140
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
28-02-2012
- Zaaknummer
S 10/01526
- LJN
BV7140
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV7140, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 28‑02‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV7140
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑05‑2011
- Wetingang
art. 330 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
EeR 2012, afl. 4, p. 167
NbSr 2012/150
Uitspraak 28‑02‑2012
Inhoudsindicatie
Het voorschrift van art. 330 Sv veronderstelt - v.zv. het een verzoek betreft dat strekt tot het (doen) verrichten van nader onderzoek - dat de verzoeker welomschreven onderzoekshandelingen opgeeft, zoals het nog (doen) horen van met name genoemde getuigen (of getuige-deskundigen) of het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling. Het verzoek voldoet niet aan die maatstaf en kan dus niet gelden als een verzoek in de zin van art. 330 Sv, zodat het Hof niet gehouden was op het verzoek te beslissen.
28 februari 2012
Strafkamer
nr. S 10/01526
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 maart 2010, nummer 23/003605-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan voorwaardelijk verzoek om de zaak aan te houden om nader onderzoek te doen.
2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij in de periode vanaf 1 juli 2000 tot en met 22 november 2005, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, in strijd met een aan hem en/of zijn mededader, te weten [betrokkene 1], bij wettelijk voorschrift (te weten successievelijk artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Gemeentelijke Sociale Dienst te Amsterdam, immers heeft hij en/of zijn mededader geheel niet aan genoemde dienst medegedeeld of kenbaar gemaakt dat hij en zijn mededader
- samenwoonden en/of hadden samengewoond
- werkzaamheden verrichtte en had verricht en oncontroleerbare inkomsten ontving en had ontvangen,
zijnde dit gegevens waarvan hij en zijn mededader wisten dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming
- namelijk een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet en de Wet Werk en Bijstand - en voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander."
2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:
"7. Een proces-verbaal van observatie van 27 juni 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina's 102 t/m 103).
Op zaterdag 25 juni 2005 en zondag 26 juni 2005 hebben wij observaties verricht op de "Bazaar Beverwijk". Op zaterdag 25 juni 2005 zagen wij in hal verdachte achter een kraam staan. Op zondag 26 juni 2005 zagen wij verdachte voor voornoemde kraan staan."
2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
"Het onderzoek begint zoals gezegd met een onderzoek naar mogelijke bijstandsfraude door standhouders op de Beverwijkse Bazaar. Uit het proces-verbaal sociaal rechercheur [verbalisant 3] van 22 juni 2005 (dossierpagina 95 e.v.) blijkt dat [verdachte] als standhouder geregistreerd zou staan en daarnaast een uitkering zou genieten. Blijkens dat proces-verbaal is een stelselmatige observatie noodzakelijk om vast te kunnen stellen waar en wanneer de verdachten werkzaamheden verrichten. Een bevel ex artikel 126g Sv. wordt dan op 22 juni afgegeven voor een periode van maximaal drie weken, eindigend op 15 juli 2005.
In de daaropvolgende periode zou [verdachte] op 25 en 26 juni 2005 geobserveerd zijn op de Beverwijkse Bazaar in hal 25, stand 616. Het proces-verbaal met bijbehorende foto's daarvan bevindt zich in het dossier op pagina's 102-106. Bij de rechtbank is ook reeds aangegeven dat de man die op deze foto's staat afgebeeld niet [verdachte] is. [Verdachte] verklaart dat ook direct wanneer hij tijdens zijn verhoor met die foto's geconfronteerd wordt (pag. 49). Gelet op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen houd ik het er voor dat de rechtbank die conclusie onderschreef. Mocht u een andersluidende conclusie zijn toegedaan en de bevindingen van rechercheurs [verbalisant 1 en 2] van 25 en 26 juni 2005 voor het bewijs willen gebruiken dan acht ik het noodzakelijk genoodzaakt u te verzoeken de behandeling van de zaak aan te houden om op dit punt nader onderzoek te laten verrichten."
2.4. Vooropgesteld zij dat het voorschrift van art. 330 Sv veronderstelt - voor zover het een verzoek betreft dat strekt tot het (doen) verrichten van nader onderzoek - dat de verzoeker welomschreven onderzoekshandelingen opgeeft, zoals het nog (doen) horen van met name genoemde getuigen (of getuige-deskundigen) of het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling.
Het hiervoor onder 2.3 weergegeven verzoek voldoet niet aan die maatstaf en kan dus niet gelden als een verzoek in de zin van art. 330 Sv, zodat het Hof niet gehouden was op het verzoek een beslissing te geven.
2.5. Het middel faalt.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf;
vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 95 uren bedraagt;
vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 47 dagen beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 28 februari 2012.
Beroepschrift 05‑05‑2011
SCHRIFTUUR HOUDENDE
MIDDEL VAN CASSATIE
inzake
[rekwirant]
geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats] ([land])
rekwirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 29 maart 2010 in de zaak met parketnummer 23/003605-07
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid met zich meebrengt. Met name zijn geschonden de artt. 316, 328, 330, 331 en 415 Sv, omdat het Hof ten onrechte niet heeft beslist op het voorwaardelijk verzoek om de zaak aan te houden om nader onderzoek te doen naar de bevindingen van de rechercheurs [rechercheur 1] en [rechercheur 2].
Toelichting
Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep d.d. 15 maart 2010 blijkt dat de raadsman het woord tot verdediging gevoerd heeft aan de hand van zijn pleitnotitie, die door hem aan het Hof werd overgelegd en waarvan de inhoud als in het proces-verbaal ingevoegd geldt.
Uit die pleitnotitie blijkt dat op die zitting door de raadsman het volgende is gesteld:
2.1.1.
Het onderzoek begint zoals gezegd met een onderzoek naar mogelijke bijstandsfraude door standhouders op de [A] Bazaar. Uit het proces-verbaal sociaal rechercheur [rechercheur 3] van 22 juni 2005 (dossierpagina 95 e.v.) blijkt dat [rekwirant] als standhouder geregistreerd zou staan en daarnaast een uitkering zou genieten. Blijkens dat proces-verbaal is een stelselmatige observatie noodzakelijk om vast te kunnen stellen waar en wanneer de verdachten werkzaamheden verrichten. Een bevel ex artikel 126g Sv. wordt dan op 22 juni afgegeven voor een periode van maximaal drie weken, eindigend op 15 juli 2005.
2.1.2.
In de daaropvolgende periode zou [rekwirant] op 25 en 26 juni 2005 geobserveerd zijn op de [A] Bazaar in hal 25, stand 616. Het proces-verbaal met bijbehorende foto's daarvan bevindt zich in het dossier op pagina's 102–106. Bij de rechtbank is ook reeds aangegeven dat de man die op deze foto's staat afgebeeld niet [rekwirant] is. [rekwirant] verklaart dat ook direct wanneer hij tijdens zijn verhoor met die foto's geconfronteerd wordt (pag. 49). Gelet op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen houdt ik het er voor dat de rechtbank die conclusie onderschreef. Mocht u een andersluidende conclusie zijn toegedaan en de bevindingen van rechercheurs [rechercheur 1] en [rechercheur 2] van 25 en 26 juni 2005 voor het bewijs willen gebruiken dan acht ik het noodzakelijk genoodzaakt u te verzoeken de behandeling van de zaak aan te houden om op dit punt nader onderzoek te laten verrichten.
Ter verduidelijking merk ik op dat het proces-verbaal van bevindingen van [rechercheur 1] en [rechercheur 2] waar de raadsman naar verwijst, is opgemaakt op 27 juni 2005. Het proces-verbaal heeft betrekking op observaties die zijn verricht op de ‘Bazaar [A]’ d.d. 25 en 26 juni 2005.
Uit het voorgaande volgt dat de raadsman een voorwaardelijk verzoek heeft gedaan om de zaak aan te houden om nader onderzoek te verrichten naar de bevindingen van de rechercheurs [rechercheur 1] en [rechercheur 2]. Kennelijk bedoelt de raadsman hier een nader onderzoek door de rechter-commissaris ex art. 316 Sv.
Blijkens de aanvulling verkort arrest is het desbetreffende proces-verbaal van observatie van 27 juni 2005, opgemaakt door [rechercheur 1] en [rechercheur 2], als bewijsmiddel 7 voor het bewijs gebruikt. Hiermee is de voorwaarde waaronder het verzoek werd gedaan vervuld en had het hof (op straffe van nietigheid) op dit verzoek moeten beslissen. Dit laatste heeft het hof echter nagelaten. De bestreden uitspraak kan dan ook om deze reden niet in stand blijven.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid met zich meebrengt. Met name zijn geschonden artikel 434 Sv en artikel 6 EVRM, omdat tussen het instellen van het beroep in cassatie (9 april 2010) en de ontvangst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad (10 maart 2011) meer dan acht maanden zijn verstreken. De berechting van rekwirant in de cassatiefase heeft aldus niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in voormelde verdragsbepaling.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Amsterdam, 5 mei 2011
Mr. F.P. Slewe