Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.2.3:3.2.3 Franse tijd
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.2.3
3.2.3 Franse tijd
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192632:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voorgesteld werd dat plaatselijke wetten, of bij gebreke daarvan het algemeen recht, de vereiste meerderheid voor zouden schrijven. Lagerweij 1862, p. 67.
Lagerweij 1862, p. 67-69.
Parker de Ruyter Rocher van Renays 1838, p. 441-443. Datzelfde gevoelen wordt in 1836 beschreven door Tweede Kamerlid Donker Curtius van Tienhoven. Vgl. Voorduin 1841, p. 873.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
42. In 1799 stelde de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek ‘De Algemeene manier van procederen in civiele en criminele zaken’ vast. In dit Wetboek werd aangesloten bij het systeem van de Amsterdamse Ordonnantie van 1777, door te bepalen dat de boedel insolvent werd verklaard wanneer er geen akkoord tot stand kwam. De voor het aannemen van het akkoord vereiste meerderheid werd niet op nationaal niveau geregeld.1
In 1809 werd het Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging voor het Koninkrijk Holland aangenomen door het Wetgevend Lichaam. De art. 659-669 van dit wetboek behelsden een akkoordprocedure. De schuldenaar had de mogelijkheid een akkoord aan te bieden binnen zes weken na aanvang van de sequestratie-periode. Wanneer er geen akkoord tot stand kwam werd de schuldenaar insolvent verklaard en werden er curatoren benoemd. Art. 668 van dat wetboek gaf bovendien de Koning de bevoegdheid een akkoord dat de vereiste meerderheid niet had behaald, om gewichtige en bijzondere redenen alsnog te homologeren “ex plenitudine potestatis”, op grond van de volheid van zijn macht.2
Hoewel het wetboek geratificeerd werd door de koning, is het nooit in werking getreden. Korte tijd later werd Nederland ingelijfd bij Frankrijk. In 1811 werd de Franse Code de Commerce hier te lande van kracht. De Franse wet kende geen akkoordprocedure met de strekking een faillissement te voorkomen. Evemmin kende het Franse recht de mogelijkheid uitstel van betaling te verlenen aan schuldenaren in financiële nood. Onder het oude Rooms-Hollandse recht bestonden zogenaamde ‘brieven van respijt’, ‘atterminatie’ of ‘inductie’. Deze instrumenten boden de koopman uitstel van betaling. Volgens Parker de Ruyter Rocher van Renays werd gedurende de Franse periode het ontbreken van die middelen “smartelijk” gevoeld:
“Niet zelden voerde de strenge toepassing der Fransche wet op de faillissementen den door onvoorziene rampen of algemeene en plotselinge achteruitgang van zaken ongelukkig geworden koopman in het verderf, ten nadeele van zijne schuldeischers. Die wet was in strijd met de zucht, om het crediet en de belangen van den ter goeder trouwe gehandeld hebbende koopman in stand te houden.”3