Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/3.1
3.1 Inleiding
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491183:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
MüKoBGB/Kohler BGB 2020, §889, Rn. 1; Staudinger/Picker BGB 2019, §889, Rn. 1. Vgl. Windscheid/Kipp I 1906, §215 nr. 3, 222, 223, 248 nr. 4.
Naast de in dit hoofdstuk besproken wetsbepalingen, kent het BGB ook in de §1976, 1991, 2143, 2175 en 2377 regelingen over beperkte rechten op eigen goederen. Die bepalingen heb ik wel bestudeerd, maar bespreek ik niet in dit hoofdstuk, omdat deze bepalingen geen inzichten opleveren die relevant zijn voor vergelijking met het Nederlandse recht. §1976 en 1991 BGB wordt wel genoemd in nr. 43. §2143 BGB komt aan bod in nr. 54.
24. In het Duitse recht geldt, net zoals in het Nederlandse recht, het uitgangspunt dat een eigenaar geen beperkte rechten op zijn eigen zaak kan hebben.1 Het Duitse recht kent echter belangrijke uitzonderingen op dat uitgangspunt. Het is interessant om te kijken naar het Duitse recht, omdat het leerstuk van beperkte rechten op een eigen zaak in dat rechtsstelsel meer tot ontwikkeling is gekomen dan in Nederland.2 In hoofdstuk 4 wordt het Duitse recht als inspiratiebron gebruikt bij de formulering van een criterium, aan de hand waarvan vastgesteld kan worden of een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben in het geldende Nederlandse recht