Procestaal: Hongaars.
HvJ EU, 31-05-2018, nr. C-306/17
ECLI:EU:C:2018:360
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
31-05-2018
- Magistraten
J. Malenovský, M. Safjan, D. Šváby
- Zaaknummer
C-306/17
- Roepnaam
Nothartová
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2018:360, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 31‑05‑2018
Uitspraak 31‑05‑2018
J. Malenovský, M. Safjan, D. Šváby
Partij(en)
In zaak C-306/17,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tatabányai Törvényszék (rechter in eerste aanleg Tatabánya, Hongarije) bij beslissing van 17 mei 2017, ingekomen bij het Hof op 26 mei 2017, in de procedure
Éva Nothartová
tegen
Sámson József Boldizsár,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: J. Malenovský, kamerpresident, M. Safjan (rapporteur) en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, M. Figueiredo en P. Lacerda als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Talabér-Ritz en M. Heller als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, punt 3, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Éva Nothartová en Sámson József Boldizsár over een vermeende inbreuk op Nothartová's persoonlijkheidsrechten op het gebied van afbeeldingen en geluidsopnamen, in verband waarmee Boldizsár een tegenvordering heeft ingediend.
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
3
Uit overweging 4 van verordening nr. 1215/2012 blijkt dat deze verordening ertoe strekt, met het oog op de goede werking van de interne markt, ‘[b]epalingen [in te voeren] die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook zorgen voor een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissing’.
4
De overwegingen 15 en 16 van die verordening luiden:
- ‘(15)
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.
- (16)
Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad.’
5
De bevoegdheidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk II van die verordening.
6
Artikel 4, lid 1, dat is opgenomen in afdeling 1 (‘Algemene bepalingen’) van hoofdstuk II van diezelfde verordening, luidt als volgt:
‘Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.’
7
Artikel 5, dat is opgenomen in voornoemde afdeling 1 van verordening nr. 1215/2012, bepaalt in lid 1:
‘Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.’
8
Artikel 7 van deze verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 2 (‘Bijzondere bevoegdheid’) van hoofdstuk II ervan, bepaalt in punt 2:
‘Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
[…]
- 2)
ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’.
9
Overeenkomstig artikel 8, punt 3, van die verordening, dat ook onder die afdeling 2 valt, ‘kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, […] ten aanzien van een tegenvordering die voortspruit uit de overeenkomst of uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is [ook worden opgeroepen] voor het gerecht waar deze laatste aanhangig is’.
Hongaars recht
10
§ 147, lid 1, van de polgári perrendtartásról szóló 1952. évi III. törvény (wet nr. III van 1952 inzake de burgerlijke rechtsvordering) bepaalt:
‘De gedaagde kan tot aan het einde van de terechtzitting die voorafgaat aan de uitspraak in eerste aanleg een tegenvordering indienen tegen de eisende partij, voor zover het recht dat de verwerende partij middels de tegenvordering wenst uit te oefenen, zijn oorsprong vindt in of samenhangt met dezelfde rechtsverhouding als de vordering van de eisende partij, of voor zover de verbintenis die het voorwerp vormt van de tegenvordering kan worden gecompenseerd met de verbintenis die het voorwerp vormt van de vordering van de eisende partij […]’.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
11
Nothartová, Slowaaks staatsburger en woonachtig in Slowakije, heeft krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 bij de verwijzende rechter, de Tatabányai Törvényszék (Tatabánya, Hongarije), beroep ingesteld tegen Boldizsár, Hongaars staatsburger en woonachtig in Hongarije, strekkende tot vaststelling dat haar persoonlijkheidsrechten op het gebied van afbeeldingen en geluidsopnamen zijn geschonden. Verzoekster in het hoofdgeding stelt dat Boldizsár zonder haar medeweten foto's en video-opnamen heeft gemaakt, die hij vervolgens heeft opgenomen in video's die op internet zijn geplaatst, met name op YouTube.
12
Verweerder in het hoofdgeding heeft bij de verwijzende rechter een tegenvordering tot schadevergoeding ingediend op grond dat, ten eerste, de oorspronkelijke vordering zou leiden tot een beperking van de verspreiding van zijn intellectuele scheppingen op YouTube; ten tweede, verzoekster in het hoofdgeding hem heeft gedaagd door abusievelijk gebruik te maken van de naam van zijn vader en daardoor inbreuk heeft gemaakt op zijn recht op een naam, alsmede op het recht op eerbied voor de nagedachtenis van overledenen, en, ten derde, verzoekster in het hoofdgeding het kenteken van zijn auto heeft vermeld en daarmee het ‘persoonlijkheidsrecht van de auto’ heeft geschonden.
13
Volgens de verwijzende rechter spruit de door verweerder in het hoofdgeding ingediende tegenvordering niet voort uit het feit waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is, in de zin van artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012.
14
Derhalve is hij van mening dat indien artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012 het enige voorschrift is dat toepasselijk is op tegenvorderingen, hij niet bevoegd is om kennis te nemen van de door verweerder in het hoofdgeding ingediende tegenvordering, aangezien die niet voortspruit uit het feit waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is.
15
Indien artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012 daarentegen enkel betrekking heeft op tegenvorderingen die voortspruiten uit de overeenkomst of uit het feit waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is, dan is de verwijzende rechter van mening dat hij niettemin krachtens artikel 7, lid 2, van die verordening bevoegd is om uitspraak te doen over de door verweerder in het hoofdgeding ingediende tegenvordering.
16
In deze omstandigheden heeft de Tatabányai Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Wanneer een tegenvordering voortspruit uit een andere overeenkomst of een ander rechtsfeit dan die/dat waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is, dient er dan, ter bepaling van de rechterlijke bevoegdheid om kennis te nemen van de tegenvordering, van uitgegaan te worden dat
- a)
enkel artikel 8, punt 3, van verordening [nr. 1215/2012] van toepassing is, omdat alleen deze bepaling handelt over de tegenvordering, of dat
- b)
artikel 8, punt 3, van verordening [nr. 1215/2012] enkel betrekking heeft op een tegenvordering die voortspruit uit het rechtsfeit of uit de overeenkomst waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is, waardoor het niet van toepassing kan zijn op een tegenvordering die niet uit dat feit of uit die overeenkomst voortspruit, zodat overeenkomstig de andere bevoegdheidsregels van verordening [nr. 1215/2012] de rechter die bevoegd is om kennis te nemen van de oorspronkelijke vordering, tevens bevoegd is om kennis te nemen van de tegenvordering?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
17
Met zijn vraag, die is geformuleerd in twee onderdelen die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het, met uitsluiting van elke andere bijzondere bevoegdheidsregeling waarin deze verordening voorziet, van toepassing is in een situatie waarin bij de rechterlijke instantie die bevoegd is om kennis te nemen van een beweerde schending van persoonlijkheidsrechten van de verzoeker op grond dat zonder diens medeweten foto's video-opnamen zijn gemaakt, door de verweerder een tegenvordering is ingediend strekkende tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad van de verzoeker, met name wegens de beperking van zijn intellectuele schepping, die het voorwerp vormt van de oorspronkelijke vordering.
18
Vooraf zij in herinnering gebracht dat, aangezien artikel 7, punt 2, en artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012 in wezen de respectieve bewoordingen weergeven van artikel 5, punt 3, en artikel 6, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), de door het Hof gegeven uitlegging met betrekking tot de bepalingen van laatstgenoemde verordening en, voordien, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit Verdrag, blijft gelden voor de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 1215/2012 (zie naar analogie arresten van 15 juni 2017, Kareda, C-249/16, EU:C:2017:472, punt 27; 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan, C-194/16, EU:C:2017:766, punt 24, en 31 januari 2018, Hofsoe, C-106/17, EU:C:2018:50, punt 36).
19
Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Artikel 5, lid 1, van die verordening voorziet in afwijkingen van deze algemene bevoegdheidsregel, die worden omschreven in de delen 2 tot en met 7 van hoofdstuk II van die verordening.
20
Dienaangaande volgt uit overweging 16 van verordening nr. 1215/2012 dat er naast de woonplaats van de verweerder alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk moeten zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.
21
Om te voorkomen dat tegenstrijdige rechterlijke beslissingen worden genomen geeft artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012 de verweerder de mogelijkheid om voor het gerecht waar de oorspronkelijke vordering aanhangig is een tegenvordering in te dienen die voortspruit uit de overeenkomst of uit het feit waarop de eerstgenoemde vordering gegrond is.
22
Het is immers om redenen van goede rechtsbedeling dat de bijzondere bevoegdheidsregel voor de tegenvordering partijen in staat stelt hun wederzijdse aanspraken die een gemeenschappelijke grond hebben, binnen het bestek van één en hetzelfde geding en voor dezelfde rechter af te wikkelen. Zo worden overbodige en meervoudige procedures vermeden (arrest van 12 oktober 2016, Kostanjevec, C-185/15, EU:C:2016:763, punt 37).
23
Overeenkomstig dat doel is het in een situatie waarin bij een rechterlijke instantie een of meer tegenvorderingen worden aangebracht, aan die instantie om te beoordelen in hoeverre die vorderingen een grond gemeenschappelijk hebben met de oorspronkelijke vordering, zodat zij vallen onder artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012.
24
Daartoe zal, in omstandigheden als in het hoofdgeding, die rechterlijke instantie met name moeten nagaan of het onderzoek van de tegenvordering strekkende tot betaling van een schadevergoeding op grond dat verzoekster in het hoofdgeding de intellectuele schepping van verweerder in het hoofdgeding beperkt, niet vereist dat die rechterlijke instantie beoordeelt of de feiten waarop verzoekster in het hoofdgeding haar eigen vorderingen baseert al dan niet rechtmatig zijn, voor zover de intellectuele schepping waarvan volgens verweerder in het hoofdgeding het gebruik is verstoord, de schepping is waarvan verzoekster in het hoofdgeding meent dat zij ten grondslag ligt aan de schending van haar portretrecht.
25
Indien er een dergelijk beoordelingsvereiste bestaat, moet artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat het die rechterlijke instantie de bevoegdheid verleent om uitspraak te doen op de door verweerder in het hoofdgeding ingediende tegenvordering.
26
Dit gezegd zijnde moet worden opgemerkt dat de bijzondere bevoegdheid bedoeld in artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012 geen exclusief karakter heeft in relatie tot andere bevoegdheidsregels die bij die verordening zijn vastgesteld. Zij is niet alleen facultatief met betrekking tot de algemene bevoegdheidsregel van artikel 4, lid 1, van die verordening, die in het hoofdgeding ten uitvoer wordt gelegd, maar ook met betrekking tot de in die verordening voorziene andere bijzondere bevoegdheidsregels.
27
Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft uiteengezet, vloeit het niet-exclusieve en facultatieve karakter van de regels inzake bijzondere bevoegdheid namelijk niet alleen voort uit de doelstellingen en de opzet van verordening nr. 1215/2012, maar ook uit de bewoordingen zelf van artikel 8, punt 3, daarvan, dat preciseert dat een persoon ‘ook kan’ worden opgeroepen krachtens die bepaling, maar niet dat hij exclusief krachtens die bepaling moet worden opgeroepen.
28
Bovendien heeft verordening nr. 1215/2012, zoals volgt uit vaste rechtspraak met betrekking tot het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd, en verordening nr. 44/2001, die ook relevant is binnen de context van verordening nr. 1215/2012, niet tot doel alle procedureregels van de lidstaten te uniformiseren, maar om de rechterlijke bevoegdheden voor de beslechting van geschillen in burgerlijke en handelszaken in de relaties tussen deze staten te regelen, en de uitvoering van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken (arrest van 17 november 2011, Hypoteční banka, C-327/10, EU:C:2011:745, punt 37). Aangezien die verordening niet bepaalt onder welke voorwaarden een rechterlijke instantie, na haar internationale bevoegdheid krachtens die verordening te hebben vastgesteld, meerdere vorderingen tussen dezelfde partijen tezamen kan of moet onderzoeken, zijn die voorwaarden in beginsel onderworpen aan de procedurele autonomie van de lidstaten (zie naar analogie arrest van 15 maart 2012, G, C-292/10, EU:C:2012:142, punt 45).
29
Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het niet-exclusief van toepassing is in een situatie waarin bij de rechterlijke instantie die bevoegd is om kennis te nemen van een beweerde schending van de persoonlijkheidsrechten van de verzoeker op grond dat zonder diens medeweten foto's en video-opnamen zijn gemaakt, door de verweerder een tegenvordering is ingediend strekkende tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad van de verzoeker, met name wegens de beperking van zijn intellectuele schepping, die het voorwerp vormt van de oorspronkelijke vordering, wanneer het onderzoek van die tegenvordering vereist dat die rechterlijke instantie beoordeelt of de feiten waarop de verzoeker zijn eigen vorderingen baseert, al dan niet rechtmatig zijn.
Kosten
30
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat het niet-exclusief van toepassing is in een situatie waarin bij de rechterlijke instantie die bevoegd is om kennis te nemen van een beweerde schending van persoonlijkheidsrechten van de verzoeker op grond dat zonder diens medeweten foto's en video-opnamen zijn gemaakt, door de verweerder een tegenvordering is ingediend strekkende tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad van de verzoeker, met name wegens de beperking van zijn intellectuele schepping, die het voorwerp vormt van de oorspronkelijke vordering, wanneer het onderzoek van die tegenvordering vereist dat die rechterlijke instantie beoordeelt of de feiten waarop de verzoeker zijn eigen vorderingen baseert al dan niet rechtmatig zijn.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 31‑05‑2018