Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.5.3.2:14.5.3.2 Commune dwangmiddelen in Sv
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.5.3.2
14.5.3.2 Commune dwangmiddelen in Sv
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494704:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik laat deze dwangmiddelen verder onbesproken. Zie daarover Vakstudie Alg. Deel, aant. 10 bij art. 80 AWR.
Melai/Groenhuijsen, aant. 3.3 bij art. 27.
Zie de vorige noot.
Melai/Groenhuijsen, aant. 11 bij art. 126nc.
Zie A-G Knigge, conclusie bij HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1013, pt. 5.5 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meeste commune dwangmiddelen, die ook in fiscale strafzaken spelen, zijn vastgelegd in Sv. Daarin zijn algemene voorschriften van strafvordering vastgelegd (vgl. de Awb voor het bestuursprocesrecht). De commune dwangmiddelen in Sv zijn talrijk en kunnen ook in fiscale strafzaken spelen; sommige meer dan andere. Ik noem hier het staande houden (art. 52 Sv), het onderzoek aan lichaam of kleding bij het bestaan van ernstige bezwaren (art. 56 Sv), de inverzekeringstelling van de verdachte in het belang van het onderzoek (art. 57 Sv), de aanhouding en het ophouden voor verhoor (art. 61 Sv) en de voorlopige hechtenis (art. 63 e.v. Sv).1 Andere (niet-vrijheidsbenemende) dwangmiddelen zijn bijvoorbeeld de inbeslagnemingsbevoegdheid (art. 96 Sv), het decryptiebevel (art. 125k Sv) en de doorzoeking ex art. 97 Sv.
Het zou het bestek van deze studie ver te buiten gaan om alle commune dwangmiddelen die in fiscale strafzaken kunnen spelen, te duiden. Voor deze studie is van deze dwangmiddelen alleen het (ophouden voor) verhoor van de verdachte van werkelijk belang. Andere commune dwangmiddelen komen in het vervolg niet of nauwelijks ter sprake.
Niet meewerken verdachte in het commune strafrecht
Binnen het strafrechtsysteem geldt in de regel dat verdachten niet kunnen worden gedwongen om actief aan een opsporingsonderzoek mee te werken, maar wel de toepassing van dwangmiddelen moeten dulden.2 Het Nederlandse strafproces heeft een gematigd accusatoir karakter. Enerzijds is de verdachte ex art. 27 Sv object van onderzoek en kunnen dwangmiddelen in de regel (ook) tegen hem worden ingezet. Anderzijds is de verdachte procespartij. Hij heeft een rechtens erkend belang bij de uitkomst van het strafgeding, op grond waarvan hem wordt toegestaan deel te nemen aan het debat over de te nemen eindbeslissing.3
Naast het strafrechtelijk zwijgrecht in art. 29 Sv, komt het uitgangspunt dat de verdachte alleen de toepassing van dwangmiddelen moet dulden tot uitdrukking in enkele andere in Sv vastgelegde uitzonderingen voor verdachten in het kader van de afgifte door de verdachte van materiaal. Zie bijvoorbeeld art. 96a, lid 2 Sv. Daarin is vastgelegd dat aan de verdachte geen bevel tot uitlevering wordt gegeven (wat ingevolge het recente art. 126nc Sv expliciet geldt voor identificerende gegevens). Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld bevelen op grond van art. 126nd Sv (andere gegevens en identificerende gegevens), art. 126ne Sv (toekomstige gegevens) en art. 126nf Sv (gevoelige gegevens) en art. 126nh Sv (ontsleuteling van gegevens). Of deze en andere in Sv vastgelegde uitzonderingen ten aanzien van de verdachte steeds steunen op nemo tenetur, is niet duidelijk.4
Er zijn ook dwangmiddelen die wel tegen de verdachte mogen worden ingezet, zoals een onderzoeksmaatregel die bestaat uit het maken van foto’s en video-opnames. Op grond van art. 7, lid 1 en 5 Politiewet 2012 mag de medewerking met gepast geweld worden afgedwongen.5