Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/9.0:9.0 Introductie
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/9.0
9.0 Introductie
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS298631:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. De Bock 2011, p. 83-84.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
295.
In hoofdstuk zeven werden de gevolgen van het EU-recht beschreven voor artikel 24 Rv. Artikel 24 Rv vormt echter niet de enige beperking voor de Nederlandse rechter voor wat betreft het gebruik van feitelijke informatie voor zijn (eind)uitspraak. Ook artikel 149 Rv beperkt hem in dat gebruik. Dat artikel bepaalt dat de rechter alleen die feiten voor zijn beslissing mag gebruiken, die hem in het geding ter kennis zijn gekomen. Kortom, de Nederlandse rechter mag niet buiten het dossier zoeken naar nieuwe feiten.1 Maar hoe hard is deze regel als de rechter wordt geconfronteerd met een zaak waarin rechtsgronden van EU-recht toepasselijk zijn? Moet de rechter dan vasthouden aan de uit artikel 149 Rv voortvloeiende regel dat hij is gebonden aan de feiten uit het dossier, of kan hij ook zelf feiten vergaren? Deze vraag zal in dit hoofdstuk centraal staan, voornamelijk naar aanleiding van het Pénzügyi-arrest. Er zal blijken dat het Nederlandse civiele procesrecht de nodige mogelijkheden biedt om tegemoet te komen aan de wensen van het HvJ EU.