Einde inhoudsopgave
Rechtsverhoudingen tussen particulieren en de verdragsrechtelijke verkeersvrijheden (O&R nr. 85) 2015/5.4.3
5.4.3 Het (teleologische) effet utile-argument
mr. drs. R.W.E. van Leuken, datum 06-11-2014
- Datum
06-11-2014
- Auteur
mr. drs. R.W.E. van Leuken
- JCDI
JCDI:ADS589600:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Marktintegratie
Verbintenissenrecht / Europees verbintenissenrecht
Vermogensrecht / Europees vermogensrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 3 lid 3 VEU jo. art. 26 lid 2 VWEU.
Zie HvJ EG 12 december 1974, 36/74, Jurispr. 1974, p. 1405, NJ 1975/148 (Walrave en Koch), r.o. 18; HvJ EG 15 december 1995, C-415/93, Jurispr. 1995, p. I-4921, NJ 1996/637 (Bosman), r.o. 83; HvJ EG 11 april 2000, C-51/96 en C-191/97, Jurispr. 2000, p. I-2549, NJ 2000/542 (Deliège), r.o. 47; HvJ EG 13 april 2000, C-176/96, Jurispr. 2000, p. I-2681, NJ 2000/543 (Lehtonen); HvJ EG 6 juni 2000, C-281/98, Jurispr. 2000, p. I-4139, NJ 2000/710 (Angonese), r.o. 32; HvJ EG 19 februari 2002, C-309/99, Jurispr. 2002, p. I-01577, NJ 2002/425 (Wouters), r.o. 120; HvJ EG 11 december 2007, C-438/05, Jurispr. 2007, p. I-10779, NJ 2008/149, m.nt. M.R. Mok (Viking), r.o. 57; HvJ EG 18 december 2007, C-341/05, Jurispr. 2007, p. I-11767, NJ 2008/150, m.nt. M.R. Mok (Laval), r.o. 98; HvJ EG 17 juli 2008, C-94/07, Jurispr. 2008, p. I-5939, NJ 2009/47 (Raccanelli), r.o. 44.
Vgl. Körber 2004, p. 723; Löwisch 2009, p. 198; Karayigit 2011, p. 318; De Vries & Van Mastrigt 2013, p. 264; Van Leuken 2014a, nr. 4.
HvJ EG 12 december 1974, 36/74, Jurispr. 1974, p. 1405, NJ 1975/148 (Walrave en Koch), r.o. 19; HvJ EG 15 december 1995, C-415/93, Jurispr. 1995, p. I-4921, NJ 1996/637 (Bosman), r.o. 84; HvJ EG 6 juni 2000, C-281/98, Jurispr. 2000, p. I-4139, NJ 2000/710 (Angonese), r.o. 33; HvJ EG 11 december 2007, C-438/05, Jurispr. 2007, p. I-10779, NJ 2008/149, m.nt. M.R. Mok (Viking), r.o. 57, r.o. 34; HvJ EU 16 maart 2010, C-325/08, Jurispr. 2010, p. I-2177, NJ 2010/348 (Bernard), r.o. 31.
Zie o.a. Preedy 2005, p. 123-126; Löwisch 2009, p. 196-215.
Vgl. o.a. Van den Bogaert 2002, p. 139-140; Körber 2004, p. 777-787.
Körber 2004, p. 748-750; Förster 2007, p. 74-75; Löwisch 2009, p. 150.
Körber 2004, p. 750; Förster 2007, p. 75; Löwisch 2009, p. 150.
Van den Bogaert 2002, p. 140; Förster 2007, p. 77; Körber 2004, p. 752-753. In haar de minimis-bekendmaking (Pb 2001/C 368/07) heeft de Commissie met behulp van marktaandeeldrempels gekwantificeerd wat geen merkbare beperking van de mededinging in de zin van art. 101 lid 1 VWEU is. Zo stelt zij (in punt 7 onder a van de bekendmaking) bijvoorbeeld dat een overeenkomst tussen ondernemingen die de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloedt de mededinging niet merkbaar beperkt ‘indien het gezamenlijke marktaandeel van de partijen bij de overeenkomst op geen van de relevante marktenwaarop de overeenkomst van invloed is, groter is dan 10%, voor zover de overeenkomst is gesloten tussen ondernemingen die daadwerkelijke of potentiële concurrenten zijn op één of meer van deze markten (overeenkomsten tussen concurrenten)’. Bij overeenkomsten tussen niet-concurrenten geldt dat het afzonderlijke marktaandeel van de partijen op geen van de relevante markten groter mag zijn dan 15% (punt 7 onder b).
Zo blijkt uit HvJ EG 11 december 2007, C-438/05, Jurispr. 2007, p. I-10779, NJ 2008, 149, m.nt. M.R. Mok (Viking), dat een tussen sociale partners gesloten collectieve arbeidsovereenkomst wegens haar aard en doel is uitgesloten van de werkingssfeer van art. 101 VWEU (vgl. HvJ EG 21 september 1999, C-67/96, Jurispr. 1999, p. I-5751 (Albany)), maar wel binnen het bereik art. 45, 49 en 56 VWEU valt. Vgl. daarover o.a. Van Hoek & Houwerzijl 2008, p. 196; Prechal & De Vries 2008, p. 427- 428; Reich 2008, p. 133.
Vgl. HvJ EG 11 april 2000, C-51/96 en C-191/97, Jurispr. 2000, p. I-2549, NJ 2000/ 542 (Deliège); HvJ EG 13 april 2000, C-176/96, Jurispr. 2000, p. I-2681, NJ 2000/543 (Lehtonen). In beide zaken verschafte de nationale rechter voldoende informatie ter beantwoording van de prejudiciële vragen over art. 56 resp. 45 VWEU, maar bleek de (op het nationale procesdossier gebaseerde) verwijzingsbeschikking onvoldoende gegevens te bevatten voor een onderzoek naar de verenigbaarheid van de betreffende sportreglementen met art. 101 VWEU.
Asser/Hartkamp 3-I* 2011/68.
Zie HvJ EG 15 december 1995, C-415/93, Jurispr. 1995, p. I-4921, NJ 1996/637 (Bosman); HvJ EG 19 februari 2002, C-309/99, Jurispr. 2002, p. I-01577, NJ 2002/25 (Wouters); HvJ EG 18 juli 2006, C-519/04 P, Jurispr. 2006, p. I-6991 (Meca-Medina). In het eerste geval werd de samenloop van art. 45 en 101 VWEU erkend (nadat A-G Lenz in punt 253 van zijn conclusie al had opgemerkt dat art. 45 VWEU en de mededingingsvoorschriften in beginsel voor één en dezelfde situatie kunnen gelden), in het tweede de samenloop van art. 49, 56 en 101 VWEU, en in het derde de samenloop van art. 45, 49 en 101 VWEU. Ten slotte zij nog gewezen op HvJ EG 3 oktober 2000, C-411/98, Jurispr. 2000, p. I-8126 (Ferlini), waarin art. 18 en 101 VWEU naast elkaar van toepassing waren.
Vgl. HvJ EG 9 december 1997, C-265/95, Jurispr. 1997, p. I-6959, NJ 1999/23 (Commissie/Frankrijk (‘Spaanse aardbeien’)), r.o. 32; HvJ EG 12 juni 2003, C-112/ 00, Jurispr. 2003, p. I-5659, NJ 2004/56 (Schmidberger), r.o. 60.
Hartkamp 2009, nr. 18. Het belang van directe werking in verticale situaties kwam reeds in nr. 12 ter sprake.
Hartkamp 2009, nr. 19; Löwisch 2009, p. 208-209. Hetzelfde geldt overigens ten aanzien van het in nr. 18 besproken indirecte doorwerkingsmechanisme van de verdragsconforme interpretatie. Omdat er (nog) geen verplichting bestaat om het nationale (privaat)recht te interpreteren in het licht van een direct verticaal werkende verdragsbepaling, is een particulier voor de verwezenlijking van zijn recht jegens een andere particulier afhankelijk van de wijze waarop de nationale rechter open normen als (bijv.) de openbare orde of maatschappelijk zorgvuldigheid (al dan niet aan de hand van die verdragsbepaling) inkleurt.
93. De Europese Unie brengt een interne markt tot stand, dat wil zeggen een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd.1 Het streven naar een volledige mobiliteit van productiefactoren weerspiegelt zich in’s Hofs ‘effectieve’ uitleg van de personele werkingssfeer van art. 45, 49 en 56 VWEU. Illustratief hiervoor is de vaak terugkerende overweging dat ‘de opheffing tussen de lidstaten van belemmeringen voor het vrije verkeer van personen en het vrij verrichten van diensten – fundamentele doelstellingen van de Gemeenschap (…) – in gevaar zou worden gebracht, indien de opheffing van door de staten gestelde belemmeringen kon worden ontkracht door belemmeringen voortvloeiend uit handelingen, krachtens hun eigen rechtsbevoegdheid verricht door niet onder het publiekrecht vallende verenigingen of lichamen.’ 2De verboden van art. 45, 49 en 56 VWEU verliezen volgens het Hof aan praktische betekenis (‘nuttig effect’) wanneer zij slechts de lidstaten binden; beperkingen van het vrije personen- en dienstenverkeer kunnen hun oorsprong immers evenzeer hebben in (rechts)handelingen van particulieren. Teneinde recht te doen aan de internemarktdoelstelling, interpreteert het Hof art. 45, 49 en 56 VWEU aldus dat zij directe verticale én horizontale werking bezitten. Het komt derhalve niet aan op de (publieke of private) oorsprong van een (rechts) handeling, maar op haar effect op het functioneren van de interne markt.3 Daarbij speelt tevens een rol dat bepaalde materie in de ene lidstaat wordt beheerst door bepalingen van wet of verordening, terwijl haar regeling in andere lidstaten volledig aan particulieren wordt overgelaten. Een beperking van de discriminatie- en beperkingsverboden tot het overheidsoptreden zou ‘ongelijkheid in de toepassing ervan doen ontstaan’,4 en zo afbreuk doen aan hun effectieve werking.
94. Hoewel het effet utile-argument op voldoende rechtswetenschappelijke bijval mag rekenen,5 ontbreekt het in de literatuur niet aan kritische geluiden: directe horizontale werking van art. 45, 49 en 56 VWEU zou niet noodzakelijk zijn, omdat door particulieren veroorzaakte belemmeringen van het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting al op effectieve wijze kunnen worden bestreden door de mededingingsvoorschriften en/of de direct verticaal werkende (personen- en diensten)vrijheden, in samenhang met het in art. 4 lid 3 VEU geformuleerde beginsel van loyale samenwerking.6 Op deze kritiek valt het nodige af te dingen.
95. Stel: een particulier verricht een (rechts)handeling die het vrije personen- of dienstenverkeer beperkt. Bezitten art. 45, 49 en 56 VWEU directe horizontale werking, dan kan zijn handelen (in ieder geval) rechtstreeks aan die verdragsbepalingen worden getoetst. Onzeker is of zijn (rechts) handeling óók direct is onderworpen aan de (eveneens) direct horizontaal werkende mededingingsvoorschriften. Art. 101 en 102 VWEU zijn namelijk slechts van toepassing indien i) de particulier in kwestie als onderneming (of ondernemersvereniging) kan worden aangemerkt,7 ii) de litigieuze (rechts)handeling hetzij als een door art. 101 lid 1 VWEU verboden overeenkomst, besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedraging kan worden gekwalificeerd, hetzij moet worden aangemerkt als misbruik van een economische machtspositie,8 en iii) sprake is van een merkbare ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten.9 Omdat de (personele) werkingssfeer van art. 101 en 102 VWEU niet dezelfde is als die van de direct horizontaal werkende art. 45, 49 en 56 VWEU, bieden de mededingingsvoorschriften dus niet steeds een alternatief voor de benadeelde particulier. 10 Art. 101 en 102 VWEU stellen de gelaedeerde bovendien voor (relatief) grote bewijsproblemen. Terwijl hij voor het aantonen van een inbreuk op de mededingingsvoorschriften tal van feitelijke en juridische hindernissen moet nemen, kunnen doorwrochte economische analyses bij een beroep op art. 45, 49 en 56 VWEU achterwege blijven: de benadeelde kan (kort en eenvoudig gezegd) volstaan met de stelling dat zijn recht op vrij verkeer door een andere particulier is geschonden.11 Ook in dat opzicht vormen de mededingingsvoorschriften voor hem niet noodzakelijk een instrument dat even effectief is als de vrijverkeerbepalingen in kwestie.12 Kan een schending van art. 101 of 102 VWEU worden aangetoond (bijv. omdat de Commissie de inbreuk reeds heeft vastgesteld), en is de in rechte bestreden (rechts)handeling tevens in strijd met art. 45, 49 of 56 VWEU, dan valt ten slotte niet in te zien waarom de benadeelde particulier zich niet op beide verdragsbepalingen (met hun onderscheiden toepassingsbereik) zou kunnen beroepen. Terecht past het Hof van Justitie in zulke horizontale gevallen dan ook het beginsel van samenloop toe.13
96. Is directe horizontale werking van art. 45, 49 en 56 VWEU dan wellicht overbodig omdat zij reeds op andere, indirecte wijzen voldoende effect sorteren in rechtsverhoudingen tussen particulieren? Hiervóór, in nr. 17, kwam ter sprake dat de (direct verticaal werkende) vrijverkeerbepalingen voor de lidstaten niet alleen een negatieve (onthoudings)plicht behelzen, maar hen tevens verplicht het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal op het eigen grondgebied te verzekeren door noodzakelijke en passende maatregelen te treffen tegen belemmeringen die te wijten zijn aan (rechts)handelingen van particulieren.14 Aldus kan de ferrymaatschappij (Viking) of bouwonderneming (Laval) die wordt geconfronteerd met (dreigende) collectieve acties van vakbonden de nationale autoriteiten verzoeken (preventief) op te treden. Laat een lidstaat dit na, dan is hij onder omstandigheden verplicht tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde particulier. Hem zal echter niet snel een verwijt treffen: de uitoefening van een (eventuele) bevoegdheid tot het treffen van maatregelen gaat namelijk gepaard met een aanzienlijke beleids- en beoordelingsvrijheid. Kan een gelaedeerde zich jegens de laedens rechtstreeks op de geschonden vrijverkeerbepaling beroepen, dan worden deze complicaties vermeden: niet het nalaten van de overheid staat dan namelijk centraal, maar het gedrag van de inbreukmakende particulier zélf.15 Mits de laatste zich in zo’n geval kan terugvallen op een adequaat (‘privaatrechtelijk’) stelsel van excepties (zie daarover Deel III), verdient directe horizontale werking vanuit het oogpunt van rechtshandhaving dan ook de voorkeur boven de minder krachtige figuur van de positieve verplichting.16