Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/2.4.1
2.4.1 Externe aansprakelijkheid
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385827:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Of een gedraging kan worden toegerekend aan de VOF is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de gedraging in het maatschappelijk verkeer als gedraging van de VOF kan worden aangemerkt, Hof Leeuwarden 15 maart 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BP9082, r.o. 8-10. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand alleen in zijn hoedanigheid van vennoot de onrechtmatige daad kan plegen, zoals bij het valselijk afgeven van een door de vennoot ondertekende werkgeversverklaring waarop de bedrijfsstempel is geplaatst en het doen van valse loonbetalingen. Van belang is, als ik het arrest van het Hof Leeuwarden goed begrijp, of dergelijke handelingen binnen de normale taakvervulling van de handelende vennoot liggen en dus of de handelende vennoot tot dergelijke handelingen vertegenwoordigingsbevoegd is. Of een medevennoot al dan niet op de hoogte was van de onrechtmatige handelingen doet niet af aan de externe aansprakelijkheid van deze medevennoot; dit is slechts relevant voor de onderlinge draagplicht tussen de vennoten.
Hof Leeuwarden 15 maart 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BP9082, r.o. 8.
Dit is in 2009 nog eens bevestigd door de Rb. Utrecht 16 september 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7841.
HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837, NJ 2015/255, m.nt. P. van Schilfgaarde (Eikendal q.q./Lentink) en over de betekenis van dit arrest voor de VOF: Tervoort 2015, p. 141.
Hulpverleners kunnen hun aansprakelijkheid jegens cliënten echter niet uitsluiten in de geneeskundige behandelingsovereenkomst (art. 7:463 BW).
Zie bijv. Wuisman 2011 en Zaman 2004.
De vennoten van een VOF zijn op grond van art. 18 WvK hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de VOF. Dit geldt ongeacht of het schulden uit overeenkomst, onrechtmatige daad1 of enige andere bron van verbintenis, 2 deelbare of ondeelbare prestaties betreft. De schuldeiser van de VOF kan zich voor voldoening van zijn vordering naar keuze wenden tot 1) de individuele vennoten en 2) de vennootschap, zonder dat een rangorde geldt.3 In het eerste geval verhaalt hij zich op de privévermogens van de vennoten, in het tweede geval op het vennootschappelijk vermogen. De schuldeiser kan er bijvoorbeeld voor kiezen om alleen de meest vermogende vennoot of juist om iedereen tegelijk aan te spreken. Als een van de hoofdelijk aansprakelijke schuldenaren de vordering van de schuldeiser (deels) voldoet, dan worden daardoor ook zijn medeschuldenaren (voor dat deel) tegenover de schuldeiser bevrijd (art. 6:7 lid 2 BW). Treft de schuldeiser echter een schikking met een van de hoofdelijk verbonden schuldenaren, bijvoorbeeld met de VOF, waarbij zij elkaar over en weer finale kwijting verlenen, dan houdt dit niet automatisch in dat de schuldeiser ook op de voet van art. 6:9 lid 1 BW afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrechten jegens de hoofdelijk verbonden vennoten.4 De schikking heeft slechts tot gevolg dat de schuld ingevolge art. 6:7 lid 2 BW is verminderd met het door de VOF voldane bedrag, zodat de schuldeiser de hoofdelijk verbonden vennoten nog voor het restant kan aanspreken.
Art. 18 WvK is in zoverre van dwingend recht dat er in de vennootschapsovereenkomst niet ten nadele van derden van kan worden afgeweken. In de overeenkomst met de wederpartij kunnen wel van art. 18 WvK afwijkende afspraken inzake de aansprakelijkheid van vennoten worden gemaakt.5
Is een schuld voor rekening van de VOF maar op eigen naam van de handelende vennoot aangegaan, dan kan de schuldeiser slechts deze vennoot aanspreken. Art. 18 WvK gaat niet op, omdat niet is gehandeld namens de VOF en er geen schuld van de VOF is ontstaan.
De (openbare of stille) maatschap kent een milder aansprakelijkheidsregime. Voor deelbare prestaties van de zijde van de maatschap zijn de maten voor gelijke delen verbonden (art. 7A:1680 BW), al is daarnaast verhaal voor de gehele vordering op het afgescheiden vermogen van de maatschap mogelijk. Voor ondeelbare prestaties zijn de maten hoofdelijk aansprakelijk (art. 6:6 BW) en ook als de maatschap een opdracht heeft ontvangen geldt hoofdelijke aansprakelijkheid voor alle maten, tenzij met de opdrachtgever anders is afgesproken en uitgezonderd de maat die zich kan disculperen (art. 7:407 lid 2 BW). Of een dergelijk disculpatieberoep door de rechter snel zal worden gehonoreerd, is maar de vraag. Bij de parlementaire behandeling van het Wetsvoorstel personenvennootschappen is eenzelfde disculpatiemogelijkheid aangeduid als disculpatieberoep in de zin van art. 6:75 BW.6 Volgens die bepaling kan een tekortkoming niet aan de schuldenaar worden toegerekend, indien zij niet te wijten is aan zijn schuld en niet krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Voor een geslaagd beroep op disculpatie is het niet betrokken zijn geweest bij de uitvoering van de opdracht niet altijd voldoende; de vennoot die niet betrokken is geweest bij de uitvoering, kan namelijk onder omstandigheden wel verweten worden dat hij niet heeft ingegrepen om een tekortkoming te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken. Afgaande op de jurisprudentie over art. 6:75 BW, zal niet-toerekening aan een vennoot niet snel worden aangenomen.
In de literatuur wordt aandacht besteed aan de vraag of een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid van vennoten wenselijk is, bijvoorbeeld door een keuzemogelijkheid te bieden zoals bij de coöperatie (UA, BA of WA) of door vennoten niet aansprakelijk te laten zijn voor beroepsfouten van een medevennoot.7 Ingaan op deze vraag valt buiten het bereik van dit proefschrift, zodat ik volsta met verwijzing naar de literatuur, in het bijzonder het proefschrift van Wuisman.