Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/2.4.1
2.4.1 De positie van de wederpartij
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS402308:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 823 BGB luidt als volgt: § 823 Schadenersatzpflicht: (1) Wer vorsätzlich oder fahrlässig das Leben, den Körper, die Gesundheit, die Freiheit, das Eigenrum oder ein sonstiges Recht eines anderen widerrechtlich verletzt, ist dem anderen zum Ersatz des daraus entstehenden Schadens verpflichtet. (2) Die gleiche Verpflichtung trifft denjenigen, welcher gegen ein den Schutz eines anderen bezweckendes Gesetz verstößt. Ist nach dem Inhadt des Gesetzes ein Verstoß gegen dieses auch ohne Verschulden Möglich, so trilt die Ersatzpflicht nur im Falle des Verschudden ein.
Artikel 826 BGB luidt als volgt: § 826 Sittenwidrige vorsätzliche Schädigung: Wer in einer gegen die guten Sitten verstoßenden Weise einem anderen vorsätzlich Schaden zufügt, ist dem anderen zum Ersatz des Schadens verpflichtet.
Zie in algemene zin ten aanzien van de samenloop van de artikelen 823 e.v. BGB en de Anfechtungs-bepalingen Hirte (Insolvenzordnung Kommentar, p. 1965): 'Liegt nicht mehr als der Bloße Anfechtungstatbestand vor, liegt in der anfechtbaren Rechtshandlung keine unerlaubte Handlung.' Zie ook Huber, met voorbeelden (Insolvenzrechts-Handbuch, p. 775): 'Die Regeln des BGB über die Nichtigkeit/Sittenwidrigkeit (§§ 134, 138 BGB) und die unerlaubte Handlung (§§ 823 ff insb § 826 BGB) sind nicht schon dann erfüllt, wenn ein Anfechtungstatbestand der Insolvenzordnung verwirklicht worden ist, sondern erst beim Hinzutreten weiterer Umstände.'
Kirchhof, Münchener Kommentar zur Insolvenzordnung, p. 423.
Zie in de zin Keft (Aktuelle Probleme der Insolvenzanfechtung, p. 65): `Ein Anspruch aus unerlaubte Handlung — etwa aus § 826 — kann nicht allein darauf gestützt werden, dass ein Anfechtungstatbestand vorliege.' Zie ook Hirte (Insolvenzordnung Kommentar, p. 1965): 'Liegt nicht mehr als der Bloße Anfechtungstatbestand von, liegt in der anfechtbaren Rechtshandlung keine unerlaubte Handlung (...).'
Zie hierover Hirte (Insolvenzordnung Kommentar, p. 1966): 'Allerdings kann neben dem eigentlichen Anfechtungstatbestand auch eine unerlaubte Handlung i S der §§ 823, 826 BGB vorliegen; dass setzt aber voraus, dass besondere erschwerende Umstände hinzukommen.'
Kirchhof, Münchener Kommentar zur Insolvenzordnung, p. 424. Zie overeenkomstig Kreft, Aktuelle Probleme der Insolvenzanfechtung, p. 65, 66. Aansprakelijkheid op grond van artikel 826 BGB stelt zware subjectieve eisen aan de wederpartij, net als nietigheid wegens strijd met de goede zeden op grond van artikel 138 BGB (artikel 138 BGB luidt: Ein Rechtsgeschrift, das gegen die guten Sitsen verskfit, ist nichtig.) Zie over de vraag wanneer voldaan is aan de vereisten van artikel 826 BGB en artikel 138 BGB, Kirchhof (Münchener Kommentar zur Insolvenzordnung, p. 424): 'Die Abgrenzung im Einzelnen richtet sich nach denselben Grundslitzen wie gegenüber der Sittenwidrigkeit gemiifi § 138 Abs. 1 BGB, weid die Maβsteibe der Sittenwidrigkeit für sich in beiden Normen gleich sind. Zuseitzlich zur Sittenwidrigkeit der Handlung setzt § 826 BGB stets eine vorseitzliche Schadenszufugung voraus.'
Als gezien valt de Duitse Insolvenzanfechtung in een aantal verschillende bepalingen uiteen. Voor zover de Insolvenzanfechtung geen subjectieve vereisten stelt aan de zijde van de wederpartij, is er geen ruimte om te oordelen dat de wederpartij ipso facto onrechtmatig handelt door het verrichten van een handeling die blootstaat aan de Insolvenzanfechtung en kan men evenmin aannemen dat het verrichten van een dergelijke handeling een onrechtmatige daad veronderstelt. Dit geldt met name voor gevallen onder artikel 131 lid 1 sub 1 InsO ten aanzien van incongruente voldoeningen in de maand voor de aanvraag en na de aanvraag tot insolventverklaring en gevallen onder artikel 131 lid 1 sub 2 InsO ten aanzien van incongruente voldoeningen in de twee en drie maanden voor de aanvraag terwijl de schuldenaar reeds in betalingsonmacht verkeerde. Het Duitse recht stelt hier immers geen enkel subjectief vereiste. Deze incongruente voldoeningen worden eenvoudigweg als anfechtbar gekwalificeerd.
Ten aanzien van artikel 133 InsO zou een andere benadering mogelijk zijn. Hier wordt immers vereist dat de wederpartij wist van het opzet te benadelen aan de zijde van de schuldenaar. De vraag die zich dan aandient is of het als wederpartij betrokken zijn bij een rechtshandeling in strijd met artikel 133 InsO tevens een onrechtmatige daad in de zin van artikel 823 BGB1 of artikel 826 BGB2 oplevert.
Ten aanzien van de mogelijke samenloop tussen artikel 823 en 826 BGB en de Anfechtungs-bepalingen, waaronder artikel 133 InsO, geldt dat het verrichten van anfechtbare handelingen niet automatisch een onrechtmatige daad onder artikel 823 of 826 BGB vormt 3 Zie ten aanzien van de verhouding tussen de Anfechtungs-bepalingen en artikel 823 BGB Kirchhof:
`Die sr§ 129 ff sind keine Schutzgesetze im Sinne des § 823 Abs. 2 BGB, sondern bestimmen ihre Rechtsfolgen selbst. Dagegen kann § 823 Abs. 2 BGB gemäß allgemeinen Regeln eingreifen, wenn eine anfechtbare Rechtshandlung zugleich ein anderes Schutzgesetz verletzt. Jedoch ist bei § 283 Abs. 1 Nr. StGB als Schutzgesetz zo beachten, dass die Erfüllung dieses Tatbestands zugleich eine anfechtbare Handlung darstellen kann. Da § 133 hieran für. den Leistungsempfänger — als Gehilfen (§ 27 StGB) des Schuldners — andere, regelmäßig weniger einschneidende Rechtsfolgen knüpft, setzt ein Schadenersatzanspruch gegen den Leistungsempfänger zusätzliche, erschwerende Umstände voraus. '4
Soortgelijke overwegingen treft men aan bij de samenloop tussen artikel 826 BGB en de Insolvenzanfechtung. Volgens vaste rechtspraak is het zijn van wederpartij bij een transactie in strijd met artikel 129 InsO en volgende niet voldoende om aan te nemen dat de wederpartij daardoor ook schadeplichtig op grond van onrechtmatige daad is.5 In het algemeen wordt ten aanzien van de mogelijke samenloop van de Anfechtungs-bepalingen onderkend dat de vereisten die de wet stelt om tot schadeplichtigheid van de wederpartij op grond van de onrechtmatige daad te komen veelal zwaardere eisen stelt aan het handelen van de wederpartij dan de Insolvenzanfechtung.6
Ook de gevolgen van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad kunnen ingrijpender zijn voor de wederpartij dan de gevolgen van een geslaagd beroep op de Insolvenzanfechtung. Deze omstandigheid draagt eraan bij dat men in Duitsland de Insolvenzanfechtung niet als een bijzondere vorm van onrechtmatige daad ziet. Zie ten aanzien van de verhouding tussen de Insolvenzanfechtung en mogelijke aansprakelijkheid van de wederpartij onder artikel 826 BGB, Kirchhof:
`Der Anfechtungsgegner 16st nicht allein schon dadurch eine Ersatzpflicht nach § 826 BGB aus, dass er in anfechtbare Weise eine Leistung empfdngt (BGH WM 1958, 1278, 1279) oder nicht einmal einen Anfechtungstatbestand voll verwirklicht. Da das Gesetz an eine anfechtbare Handlung andere, regelmäßig weniger einschneidende Rechtsfolgen knilpft, setzt ein Schadenersatzanspruch wegen vorsatzlicher sittenwidriger Schddigung weitergehende Umstände voraus.'7