Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/13.1.1
13.1.1 Inleiding
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296784:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over wilsrechten van Rijssen 2006, p. 20-40; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 2; Huizingh 2016, p. 226; Spierings 2016, p. 30-31. Vergelijk ook de ‘powers’ uit hoofdstuk 3.
Suijling 1948, p. 104 ruimt voor de wilsrechten die een beroep inhouden op de overheid om rechtshulp te verschaffen een aparte categorie in. Snijders 1999, p. 561 geeft als voorbeelden van categorieën met wilsrechten de wilsrechten die de mogelijkheid bieden om beslag- en executiemaatregelen te nemen en de wilsrechten die procesbevoegdheden inhouden. Ik kies er in dit onderzoek voor om de wilsrech-ten die door partijen zelf kunnen worden geëffectueerd en wilsrechten die een beroep op de overheid inhouden, gelijk te behandelen.
Timmermans 1963, p. 20; Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 315; Mellema-Kranenburg 1988, p. 6; Snijders 1999, p. 562. Zie voor een overzicht van verschillende categorieën wilsrechten Snijders 1999, p. 559-562. Het is overigens de vraag of alle door Snijders genoemde rechten steeds wilsrechten zijn; zo zijn bijvoorbeeld het pand- en hypotheekrecht geen (zelfstandige) wilsrechten, maar houden zij op basis van de wet enkele wilsrechten in.
Een soortgelijk onderscheid lijkt te worden gemaakt door Bosma 1964, p. 65-66, die onderscheidt tussen “wilsrechten die inherent zijn aan een figuur (executie bij hypotheek, actio Pauliana bij een vordering) en wilsrechten die ‘zelfstandig’ zijn (beroep op nietigheid, beroep op legitieme portie)”. De bespreking in dit hoofdstuk ziet op de eerste categorie. Een voorbeeld van het onderscheiden van wilsrechten naar de hoedanigheid van degene aan wie een beroep erop toekomt, is ook te vinden bij van Rijssen 2006, p. 32, die de wilsrechten bespreekt die toekomen aan iemand die de hoedanigheid heeft van bezitter van een zaak.
Zie voor het onderscheid tussen beide categorieën van wilsrechten van Rijssen 2006, p. 37-39.
Zie voor het onderscheid tussen beide categorieën van wilsrechten Suijling 1948,p. 131; van Rijssen 2006, p. 32, 38; van Rijssen 2008, p. 568.
Het is de vraag of de voordelen van de Vormerkung kunnen worden ingeroepen door de cessionaris van de vordering tot levering van het registergoed. Op basis van de in dit hoofdstuk uiteengezette mogelijkheid om door de overheid toe te delen aanspraken te laten toekomen aan degene die de hoedanigheid heeft van rechthebbende van een specifiek subjectief recht, zou dat volgens mij technisch prima kunnen. De wetgever wenst de bescherming van de Vormerkung echter niet toe te laten komen aan de cessionaris van de vordering tot levering van het regis-tergoed; zie Kamerstukken II 1995-1996, 23 095, nr. 8, p. 10. Zie meer uitgebreid randnummer 835.
Zie voor de opvatting dat de bevoegdheid om voor een vordering beslag te leggen een afhankelijk recht is Mijnssen & van Mierlo 2018, para. 1.15, p. 39 en para. 2.11, p. 76. Zie voor de opvatting dat de ‘directe actie’ uit art. 7:954 BW een nevenrecht is Verstijlen 2009, p. 1633.
Anders bijvoorbeeld Perrick 2017, para. 117, die de wilsrechten die een kind op basis van art. 4:19-22 BW kan uitoefenen om betaling van de vordering die hij bij versterf heeft op de echtgenoot veilig te stellen, een nevenrecht noemt.
Anders bijvoorbeeld Swinnen 2014, p. 422, die het wilsrecht om de actio Pauliana in te stellen als een bestanddeel van de vordering op de schuldenaar ziet.
Voor de historie van de wilsrechten in algemene zin zie het literatuuroverzicht genoemd bij Snijders 1999, p. 558-559 en de geschiedenis verteld bij Hattenhauer 2011, p. 57 e.v.
Zie in deze zin Snijders 1999, p. 585.
504. In het vorige hoofdstuk besprak ik al kort enkele aanspraken die worden toegedeeld door de overheid en die onderdeel (gaan) uitmaken van een subjectief recht (zie paragraaf 12.1.1). In dit hoofdstuk bespreek ik aanspraken die door de overheid worden toegedeeld aan een subjectief gerechtigde, maar die niet ‘in’ het subjectieve recht passen. Ze hebben bijvoorbeeld betrekking op een andere wederpartij, of een ander rechtsobject dan waar het subjectieve recht op ziet (zie paragraaf 6.2). Zulke aanspraken moeten op een andere manier aan het subjectieve recht worden verbonden, waardoor het subjectieve recht wordt aangevuld. De manier om dat te doen is ze toe te delen aan eenieder die aan bepaalde voorwaarden voldoet, zoals het zijn van rechthebbende van een specifiek subjectief recht. Daardoor worden deze aanspraken geen onderdeel van het subjectieve recht, maar kunnen ze wel door de subjectief gerechtigde worden ingeroepen.
505. Aanspraken die niet standaard onderdeel uitmaken van een subjectief recht, maar wel door de rechthebbende van het subjectieve recht kunnen worden ingeroepen, zijn vaak bedoeld om in specifieke situaties voor een gerichte oplossing te zorgen. Ze werken jegens één specifieke wederpartij, om één specifieke kwestie op te lossen. In het Nederlandse recht worden hiervoor vaak wilsrechten toegekend. Een wilsrecht is een eenzijdige bevoegdheid om door een wilsverklaring een nieuwe rechtstoestand te scheppen.1 Eventueel kan die wilsverklaring erop gericht zijn de macht van de overheid te hulp te roepen om een materieel recht af te dwingen; in zulke gevallen zal het uitoefenen van een wilsrecht vaak het aanwenden van een procesrechtelijke bevoegdheid inhouden.2
506. Ik beperk me in dit hoofdstuk tot het bespreken van (een aantal van) de wilsrechten die specifiek samenhangen met subjectieve rechten. Dat betekent dat ik dus niet alle mogelijke (varianten van) wilsrechten bespreek; de groep is daarvoor te breed.3 In plaats daarvan bespreek ik alleen de wilsrechten die kwalitatief zijn in de zin dat zij op basis van de wet toekomen aan degenen die de hoedanigheid hebben van rechthebbende van een (specifiek) subjectief recht.4 De beperking is dus drievoudig. Ten eerste kijk ik alleen naar wilsrechten en niet naar andere door de overheid toebedeelde aanspraken. Ten tweede kijk ik alleen naar wilsrechten die door de overheid worden toebedeeld; wilsrechten die uit de rechtsverhoudingen tussen partijen zelf geboren worden, vallen daar niet onder.5 Ten derde kijk ik alleen naar wilsrechten die worden toegekend aan iemand die de hoedanigheid heeft van rechthebbende van een specifiek subjectief recht; wilsrechten die niet aan die hoedanigheid zijn verbonden maar, bijvoorbeeld, aan een hele rechtsverhouding tussen twee partijen, bespreek ik niet.6 Waar ik het in de rest van dit hoofdstuk heb over ‘wilsrechten’, bedoel ik daarom wilsrechten die door de overheid worden toebedeeld aan iemand die de hoedanigheid heeft van rechthebbende van een specifiek subjectief recht.
507. Er zijn ook andere, met een subjectief recht samenhangende aanspraken dan dergelijke wilsrechten die door de overheid worden toebedeeld. Te denken valt bijvoorbeeld aan de ‘immuniteit’ van de koper van een registergoed die de koop heeft ingeschreven in de openbare registers voor de gevolgen van – onder meer – latere vervreemdingen of bezwaringen van het registergoed (de zogenaamde ‘Vormerkung’ uit art. 7:3 BW).7 Een ander voorbeeld is het door de wet toegekende voorrecht om bij verhaal op een goed met een hogere rang te delen in de opbrengst (art. 3:278 BW). Toch kies ik ervoor om in dit hoofdstuk enkel de wilsrechten uit te werken. De reden daarvoor is dat de omvang van het hoofdstuk anders te groot zou worden. De wilsrechten zijn de meest interessante figuur om binnen de ruimte van dit hoofdstuk te bespreken, omdat ze breed toepasbaar zijn (zie de voorbeelden genoemd in paragraaf 13.1.5). Daarnaast worden (door de overheid in hoedanigheid verleende) wilsrechten nog wel eens verward met afhankelijke rechten of nevenrechten, waardoor het nuttig is om het verschil tussen deze figuren duidelijk te maken.8 Hetgeen ik bespreek over het mechanisme om wilsrechten aan een subjectief gerechtigde te doen toekomen is grotendeels van overeenkomstige toepassing op andere door de overheid toebedeelde aanspraken die met een subjectief recht samenhangen.
508. De wilsrechten die ik in dit hoofdstuk omschrijf, zijn geen afhankelijke rechten of nevenrechten. Ze gaan niet mee over omdat ze aan een subjectief recht zijn verbonden, maar komen toe aan eenieder die aan de omschrijving voor hun toepassing voldoet.9 Ook zijn het geen kwalitatieve rechten in de zin van art. 6:251 BW, omdat ze niet aan de vereisten hoeven te voldoen die in dat artikel gesteld worden. Zo geldt bijvoorbeeld niet dat zij slechts aan iemand kunnen toekomen als een ander geen belang meer bij dezelfde bevoegdheid zou hebben. Ten slotte maken ze geen onderdeel uit van de subjectieve rechten waar ze mee samenhangen.10 Dat blijkt bijvoorbeeld wanneer een vordering ten aanzien waarvan de rechthebbende een wilsrecht uit kan oefenen wordt overgedragen aan iemand die zich in een jurisdictie bevindt waar dat wilsrecht door de wet niet wordt verleend; ook al blijft de vordering hetzelfde, de mogelijkheid om het wilsrecht uit te oefenen verdwijnt.
509. De opzet van dit hoofdstuk is iets anders dan die van de andere hoofdstukken. Het heeft bijvoorbeeld weinig zin om een overzicht te geven van de historische ontwikkeling van ‘de’ huidige regeling van de door de overheid toebedeelde wilsrechten die ik in dit hoofdstuk bespreek; deze zijn te divers om een nuttig beeld te schetsen.11 Daarom heb ik in plaats daarvan een bespreking opgenomen van de vraag of door de overheid toebedeelde wilsrechten een onderdeel uitmaken van het subjectieve recht waarvoor zij verleend zijn, of daar los van staan. Een ander voorbeeld van de aangepaste opzet van dit hoofdstuk is dat er niets valt te zeggen over het ‘eindigen’ van de kwalificatie als toebedeeld wilsrecht (zoals bijvoorbeeld wel gedaan kan worden bij de afhankelijke rechten of kwalitatieve rechten), omdat deze wilsrechten niet tijdelijk bestaan en weer tenietgaan, maar op ieder moment op basis van de wet kunnen worden ingeroepen.12 Het al dan niet kunnen inroepen van deze wilsrechten is er dus niet van afhankelijk of de wilsrechten nog aan de vereiste voorwaarden voldoen, maar of degene die ze in zou willen roepen nog de hoedanigheid heeft die daarvoor nodig is; dat bespreek ik echter al in paragraaf 13.2. Ook zijn sommige onderdelen noodzakelijkerwijs korter dan in de andere hoofdstukken (zie bijvoorbeeld het gedeelte over de vereisten om een dergelijk wilsrecht toebedeeld te krijgen).