Hof Amsterdam, 17-09-2019, nr. 200.229.777/01 NOT
ECLI:NL:GHAMS:2019:3373
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
17-09-2019
- Zaaknummer
200.229.777/01 NOT
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2019:3373, Uitspraak, Hof Amsterdam, 17‑09‑2019; (Hoger beroep)
Herstelde arrest: ECLI:NL:GHAMS:2018:3289
ECLI:NL:GHAMS:2018:3289, Uitspraak, Hof Amsterdam, 11‑09‑2018; (Hoger beroep)
Arrest: ECLI:NL:GHAMS:2019:3373
- Vindplaatsen
ERF-Updates.nl 2019-0232
JERF Actueel 2019/316
ERF-Updates.nl 2018-0184
Jurisprudentie Erfrecht 2018/352
Jurisprudentie Erfrecht 2021/352
JERF Actueel 2018/352
Uitspraak 17‑09‑2019
Inhoudsindicatie
Eindbeslissing na tussenbeslissing (ECLI:NL:GHAMS:2018:3289). De notaris heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de moeder van klagers. Het hof legt de notaris de maatregel van berisping op.
Partij(en)
beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.229.777/01 NOT
nummer eerste aanleg : SHE/2016/117
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 17 september 2019
inzake
1. [klager 1] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
2. [klager 2] ,
wonend te [woonplaats 2] ,
3. [klager 3] ,
wonend te [woonplaats 3] ,
4. [klager 4] ,
wonend te [woonplaats 4] ,
appellanten,
gemachtigde: [gemachtigde] voornoemd (hierna: [gemachtigde] ),
tegen
[naam] ,
notaris te [woonplaats 5] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: voorheen mr. M.C.J. Höfelt, advocaat te Amsterdam,
thans mr. P. de Jong Schouwenburg, advocaat te Amsterdam.
1. Het verdere geding in hoger beroep
1.1.
Partijen worden hierna klagers respectievelijk de notaris genoemd.
1.2.
Op 11 september 2018 heeft het hof een tussenbeslissing gegeven in deze zaak
(ECLI:NL:GHAMS:2018:3289, hierna: de tussenbeslissing). Voor het verloop van het geding, de weergave van de feiten en de standpunten van partijen tot aan die beslissing verwijst het hof naar die beslissing.
1.3.
Van de notaris is op 23 oktober 2018 een brief met producties 8 tot en met 14 bij het hof ingekomen.
1.4.
Op 19 november 2018 is van de zijde van klagers een reactie ingediend op bovengemelde brief met bijlagen.
1.5.
Het hof heeft – in de samenstelling die deze beslissing geeft – de mondelinge behandeling
in deze zaak voortgezet ter openbare terechtzitting van 20 juni 2019. Klagers, vergezeld van [echtgenote] (echtgenote van [klager 1] ), en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen. [echtgenote] , zijn echtgenote, de notaris en zijn gemachtigde hebben het woord gevoerd.
2. Beoordeling
Onderzoek wilsbekwaamheid
2.1.
Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of de notaris voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de moeder van klagers (hierna: de moeder).
2.2.
Het hof heeft in zijn tussenbeslissing geconstateerd dat uit de door de notaris overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat bij de moeder een zogenaamde MMSE-test (Mini Mental State Examination) is afgenomen. Verder heeft het hof in de tussenbeslissing overwogen dat onvoldoende concreet is geworden hoe de gang van zaken was rondom (i) de toezending van het verslag van 27 juni 2014 van de gemeente Weert aan de notaris, (ii) het aanpassen van de bepaling ‘executeursbenoeming’ in het testament van de moeder en (iii) het passeren van de akten op 4 september 2014 en 31 december 2014.
2.3.
Het hof heeft derhalve aanleiding gezien om de notaris toe te laten tot het bewijs van zijn stelling dat hij een MMSE-test bij de moeder heeft afgenomen en dat de moeder positief op deze test reageerde, zodat hij mede gelet daarop niet behoefde te twijfelen aan haar wilsbekwaamheid. Verder heeft het hof de notaris bij de tussenbeslissing in de gelegenheid gesteld de gang van zaken rondom bovengemelde drie punten nader te beschrijven.
2.4.
Productie 8 bij de brief van 23 oktober 2018 is een schriftelijke verklaring van de notaris en kandidaat-notaris [X] (hierna: de kandidaat-notaris). Blijkens die verklaring, gelezen in samenhang met (onder meer) de brief van 23 oktober 2018, heeft de notaris, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd over de gang van zaken rondom bovengemelde drie punten.
Op 19 augustus 2014 heeft [broer klagers] (hierna: [broer klagers] ), broer van klagers, het verslag van27 juni 2014 ingeleverd op het kantoor van de notaris. Dit wordt bevestigd door [broer klagers] in zijn brief van 1 oktober 2018, gericht aan de notaris (productie 9). Bij brief van 22 augustus 2014 heeft de kandidaat-notaris de conceptakten (testament en volmacht) aan de moeder verzonden en daarin onder meer vermeld dat de notaris ook de akten bij de moeder thuis kan passeren. Vervolgens is met [broer klagers] de afspraak gemaakt dat de notaris op 4 september 2014 te 10:30 uur de akten bij de moeder thuis te [plaats] zou komen passeren, aangezien geen van de kinderen van de moeder die dag beschikbaar was om haar naar het kantoor van de notaris te brengen. De moeder was die dag alleen thuis en tijdens de afspraak bleek al vrij snel dat de moeder wijzigingen wenste in het testament (de executeursbenoeming) en in de volmacht (de volgorde van de gevolmachtigden). Nu deze wijzigingen qua omvang ingrijpend bleken te zijn en de akten dus niet bij renvooi konden worden gewijzigd, is de notaris teruggegaan naar kantoor om daar de akten te laten wijzigen. De notaris verwijst ter onderbouwing van het vorenstaande naar de producties 10 tot en met 12 (agenda-uitdraai, conceptakten, overzicht digitale documenten). Diezelfde dag is de notaris na kantooruren teruggegaan naar de moeder en heeft de moeder in het bijzijn van (enkel) de notaris de akten ondertekend. Op 23 december 2014 is op het kantoor van de notaris gesproken over de schenkingsakte (productie 13, agenda-uitdraai), die vervolgens op 31 december 2014 is gepasseerd. Tijdens het gesprek op 23 december 2014 heeft de notaris duidelijk gemaakt dat een nieuwe akte moest worden gepasseerd om fiscale redenen (productie 14, notafax van 16 november 2005).
2.5.
Ook de stelling dat de notaris bij de moeder een MMSE-test heeft afgenomen en dat de moeder positief op deze test reageerde, is onderbouwd met voornoemde schriftelijke verklaring van de notaris en de kandidaat-notaris (productie 8 bij de brief van 23 oktober 2008). Daarin staat, voor zover van belang:
“Getuigenverklaring [naam] [hof: de notaris]
Waarom is moeder mevrouw (…) op negentien augustus 2014 naar kantoor gekomen? Naar aanleiding van mijn verhaal aan zoon [A] dat een akte van schenking op papier met een te betalen rente van 5% geen enkel effect heeft voor de erfbelasting. Naar aanleiding van dat gesprek is vervolgens zoon [broer klagers] met moeder de akte van schenking komen brengen om deze te laten controleren.
Tijdens het gesprek heb ik als notaris de vraag gesteld aan mevrouw (…) of zij een testament had en een volmacht/levenstestament. Toen is het gesprek hierover begonnen en heb ik de zoon (…) verzocht om de spreekkamer te verlaten. Ik heb mijn collega mevrouw [X] erbij geroepen, kandidaat-notaris met meer dan 20 jaar ervaring en hebben we een aantal vragen van de minimaal mind test doorlopen. Dit ging goed, na verloop van een aantal vragen zijn we gestopt. We hebben moeder toen een stuk van haar levensloop laten vertellen. [X] en ik zijn tot de conclusie gekomen dat mevrouw wilsbekwaam genoeg was om een testament en volmacht op te maken. (…)”
“Getuigenverklaring [X] [hof: de kandidaat-notaris]
Op verzoek van [naam] ben ik op 19 augustus 2014 aanwezig geweest bij het eerste gesprek met mevrouw (…) om te beoordelen of mevrouw (…) gezien haar hoge leeftijd wilsbekwaam was. Mevrouw (…) was samen met de notaris en mij in de spreekkamer. Het gesprek begon over waarom mevrouw (…) bij ons op kantoor was. Vervolgens is [naam] toen begonnen met een aantal vragen uit de minimaal mind test, zoals welke dag het was en welk seizoen, waar ze nu was, waar ze woonde of ze zelfstandig handelingen kon uitvoeren enzovoorts. Zij kon daar zo snel en goed antwoord op geven dat voor het mij en [naam] heel duidelijk was dat zij wilsbekwaam was en dat we niet verder hoefden met de test. Vervolgens hebben we een gesprek gehad over haar Indische achtergrond (spekkoek-bakkerij etc.) en haar overleden echtgenoot, kon aangeven dat hij in 1972 was overleden in Indonesië, en specifiek hebben we het toen gehad over de achternaam van haar overleden echtgenoot en de niet overeenkomende achternaam van de zonen.”
2.6.
Klagers hebben in hun reactie van 19 november 2018 laten weten dat het hen bevreemdt dat de notaris slechts een paar vragen uit de MMSE-test heeft afgenomen bij de moeder. Volgens klagers is het juist de bedoeling om een dergelijke test in het geheel bij iemand af te nemen. Klagers achten het logisch dat de moeder goed kon meepraten over haar verleden; mensen die aan (verschijnselen van) dementie lijden, kunnen zich juist zaken uit het verleden goed herinneren. Verder hebben klagers in hun reactie nogmaals benadrukt dat de volgende omstandigheden voor de notaris aanleiding hadden moeten zijn om nader onderzoek te doen naar de wilsbekwaamheid van de moeder:
- het initiatief van het bezoek aan de notaris lag bij [A] en [broer klagers] ;
- de moeder was 89 jaar oud en fragiel;
- er was onenigheid tussen de zonen van de moeder;
- de moeder had een eigen notaris, niet zijnde mr. [naam] .
Tot slot stellen klagers dat de gang van zaken rondom het passeren van het testament en de volmacht op 4 september 2014 nog altijd onduidelijk is (tijdsbestek is ongeloofwaardig, logboeken autoritten zijn niet overgelegd, enzovoorts) en dat het onjuist is dat alle zonen van de moeder op 4 september 2014 niet beschikbaar waren om de moeder naar het notariskantoor te brengen; alleen [A] en [broer klagers] , die van de passeerdatum afwisten, konden de moeder blijkbaar niet brengen.
2.7.
Ter zitting in hoger beroep is namens de notaris verklaard dat hij er alles aan heeft gedaan om te achterhalen hoe de gang van zaken met betrekking tot het opstellen en passeren van het testament en de volmacht in 2014 is geweest en dat hij aan de inhoud van zijn brief van 23 oktober 2018 met bijlagen niets meer heeft toe te voegen. Klagers hebben nog verklaard dat de moeder thans in een vergevorderd stadium van dementie verkeert en dat door toedoen van de notaris de familie [klagers] gebrouilleerd is geraakt.
2.8.
Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak dient de notaris bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van zijn cliënt primair uit te gaan van zijn eigen waarneming indien niet bekend is en er ook geen aanwijzingen zijn dat zijn cliënt lijdt aan een ziekte die de wilsbekwaamheid kan beïnvloeden. Het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening (hierna: het Stappenplan) schrijft voor dat een notaris de geestesgesteldheid van zijn cliënt pas nader moet onderzoeken als er aanleiding bestaat om aan diens wilsbekwaamheid te twijfelen. Daarbij zal het naast de in het Stappenplan genoemde indicatoren in belangrijke mate aankomen op zowel de inhoud van de gesprekken die de notaris met zijn cliënt voert als de wijze waarop de cliënt zich daarin presenteert.
2.9.
Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de notaris bij cliënt(e)n) op leeftijd volgens een vast protocol werkt, inhoudende:
- het voeren van een bespreking met de betrokkene afzonderlijk (dus zonder familieleden e.d.), waarbij minimaal één kantoorgenoot aanwezig is;
- het (standaard) afnemen van de MMSE-test;
- het stellen van specifieke vragen die betrekking hebben op de persoon van de betrokkene.
2.10.
Uit de nadere uiteenzetting van de notaris over de gang van zaken met betrekking tot het opstellen en het passeren van het testament en de volmacht in 2014 komt naar voren dat de notaris de MMSE-test niet heeft afgenomen bij de moeder, destijds 88 jaar. De notaris heeft naar eigen zeggen slechts een aantal vragen uit die test aan de moeder gesteld, waarna hij is gestopt. Uit het eerder door de notaris overgelegde blanco exemplaar van deze test blijkt dat er punten moeten worden toegekend aan het antwoord op elke gestelde vraag en dat de ondervraagde persoon ook bepaalde (eenvoudige) geestelijke en fysieke oefeningen moet doen, aan de uitvoering waarvan eveneens punten dienen te worden toegekend. Vast staat dat de notaris dat niet heeft gedaan; een ingevulde test met (een totaal)score(s) op de vragen ontbreekt.
2.11.
Hoewel het afnemen van een dergelijke test in het algemeen geen vereiste is bij het beoordelen van iemands wilsbekwaamheid en ook niet als zodanig wordt genoemd in het Stappenplan, dient het niet afnemen van deze test in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof de notaris tuchtrechtelijk te worden aangerekend. De notaris heeft immers zelf te kennen gegeven dat het afnemen van een dergelijke test tot zijn vaste protocol behoort indien hij cliënten op leeftijd treft bij het opstellen van een testament dan wel volmacht, zoals in dit geval de moeder. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat de notaris niet heeft aangetoond dat hij nog op een andere wijze onderzoek heeft gedaan dat maakte dat hij niet behoefde te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van de moeder. Het enkele feit dat hij een gesprek met de moeder heeft gevoerd in het bijzijn van een kantoorgenoot en daarbij enige vragen uit de MMSE-test heeft gesteld, acht het hof daartoe onvoldoende. De omstandigheid dat het initiatief tot het maken van de afspraak (in eerste instantie met betrekking tot de schenkingsakte) niet bij de moeder zelf, maar bij de zonen [A] en [broer klagers] lag, de moeder zelf aan de notaris te kennen had gegeven soms vergeetachtig te zijn en de notaris niet haar vaste huisnotaris was, hadden voor de notaris aanleiding moeten zijn om in ieder geval meer open vragen te stellen zoals omschreven in het Stappenplan onder C.5 A tot en met D. Niet gebleken is dat hij dat (voldoende) heeft gedaan.
2.12.
Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat de notaris onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de moeder. De klacht is derhalve gegrond.
Maatregel
2.13.
Het hof is van oordeel dat de ernst van de verweten gedraging het opleggen van de maatregel van berisping rechtvaardigt. Het verwijt dat de notaris valt te maken, betreft een wezenlijk onderdeel van zijn taak en verantwoordelijkheid. Hij dient zich ervan te vergewissen dat een partij (zelfstandig) in staat is zich een rechtens relevante wil te vormen en dat de inhoud en de gevolgen van een te ondertekenen akte daarmee in overeenstemming zijn.
2.14.
Nu het hof tot een andere beslissing komt dan de kamer, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven en zal deze worden vernietigd.
2.15.
Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.
Wijziging Wet op het notarisambt per 1 januari 2018
2.16.
Per 1 januari 2018 is de Wet op het notarisambt gewijzigd (Wet van 7 december 2016, houdende wijziging van (…) de Wet op het notarisambt in verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen, Staatsblad 2016, 500). In verband met deze wetswijziging heeft dit hof per 1 januari 2018 de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam vastgesteld (Staatscourant 2017, nr. 75085).
2.17.
Het hof ziet, gelet op de omstandigheid dat het beroepschrift in deze zaak is ingediend vóór de wetswijziging, af van enige kostenveroordeling.
2.18.
Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.
3. Beslissing
Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing;
en, opnieuw beslissende:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt de notaris de maatregel van berisping op.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, G.C.C. Lewin en T.K. Lekkerkerker en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2019 door de rolraadsheer.
Uitspraak 11‑09‑2018
Inhoudsindicatie
Tussenbeslissing. Klacht tegen een notaris. In de kern verwijten klagers de notaris dat hij onzorgvuldig en partijdig heeft gehandeld, met name met betrekking tot het in 2014 opgemaakt en gepasseerde testament en de notariële volmacht. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof kan, vanwege verschillende onduidelijkheden, thans geen oordeel geven over de vraag of de notaris voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de moeder. Het hof stelt de notaris in de gelegenheid die duidelijkheid alsnog te geven en laat de notaris bewijs toe van zijn stelling dat hij een MMSE-test bij de moeder heeft afgenomen en dat de moeder positief op deze test reageerde, zodat hij mede gelet daarop niet behoefde te twijfelen aan haar wilsbekwaamheid.
Partij(en)
beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.229.777/01 NOT
nummer eerste aanleg : SHE/2016/117
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 11 september 2018
inzake
1. [klager 1] ,
wonend te [plaats] ,
2. [klager 2] ,
wonend te [plaats] ,
3. [klager 3] ,
wonend te [plaats] ,
4. [klager 4] ,
wonend te [plaats] ,
appellanten,
gemachtigde: [klager 1] voornoemd,
tegen
mr. [naam] ,
notaris te [plaats] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.C.J. Höfelt, advocaat te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
1.1.
Appellanten (hierna: klagers) hebben op 19 december 2017 een - niet nader gemotiveerd -beroepschrift bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort 's-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 20 november 2017. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) ongegrond verklaard.
1.2.
Klagers hebben op 12 januari 2018 een aanvullend beroepschrift bij het hof ingediend.
1.3.
De notaris heeft op 19 maart 2018 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof
ingediend.
1.4.
Op 13 juni 2018 hebben klagers nog een aanvullende productie in het geding gebracht.
1.5.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 28 juni 2018. Klagers [klager 1] , [klager 2] en [klager 4] , vergezeld van [naam] (echtgenote van [klager 1] ), en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de echtgenote van [klager 1] en de gemachtigde van de notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.
2. Stukken van het geding
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.
3. Feiten
3.1.
Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.
3.2.
Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.
3.2.1.
Op 29 december 2006 heeft notaris mr. [Z] te [plaats] een schenkingsakte verleden, waarbij klagers en hun twee broers, [broer X] en [broer Y] , van hun moeder [naam] (hierna: de moeder) ieder een bedrag van € 17.500,- geschonken hebben gekregen.
3.2.2.
Op enig moment is er onenigheid ontstaan tussen de broers over de zorg voor hun moeder. Er zijn toen twee kampen ontstaan, te weten klagers enerzijds en [broer X] en [broer Y] anderzijds.
3.2.3.
Op 1 maart 2014 heeft tussen [broer X] en de notaris een (privé-)bespreking plaatsgevonden.
3.2.4.
Op 19 augustus 2014 heeft [broer Y] de moeder, destijds 88 jaar oud, naar het notariskantoor gebracht. De notaris heeft toen, in het bijzijn van kandidaat-notaris mr. [naam] (hierna: de kandidaat-notaris), een bespreking gevoerd met de moeder. [broer Y] was hierbij niet aanwezig. De bespreking ging over de schenkingsakte uit 2006 en een (eventueel) op te stellen testament en notariële volmacht voor de moeder.
3.2.5.
Bij brief van 22 augustus 2014 heeft de notaris een concept van het testament alsmede een concept van de notariële volmacht per post naar het adres van de moeder gestuurd.
In de conceptakte van het testament staat onder het kopje ‘executeursbenoeming’ het volgende vermeld:
“Ik benoem tot executeur de heer (..) [broer Y] (..) en de heer (..) [klager 2] (..), (..), tezamen en bij weigering, belet of ontstentenis van (een van) hen de heer (..) [broer X] (..) voornoemd en bij zijn weigering, belet of ontstentenis de heer (..) [klager 3] (..) voornoemd.”
3.2.6.
Op 4 september 2014 heeft de notaris het testament en de notariële volmacht bij de moeder thuis in Weert gepasseerd.
In het testament heeft de moeder haar zes zonen tezamen en voor gelijke delen benoemd tot erfgenamen. Verder heeft zij, anders dan in het concept van het testament stond vermeld, [broer Y] en [klager 3] tezamen benoemd tot executeur. Bij weigering, belet of ontstentenis van [broer Y] en [klager 3] (of een van hen) heeft de moeder haar zoon [broer X] benoemd tot executeur. Bij zijn weigering, belet of ontstentenis heeft de moeder in haar testament bepaald dat haar zoon [klager 2] als executeur dient te worden benoemd.
In de notariële volmacht heeft de moeder algehele volmacht verleend aan haar zes zonen voor de situatie dat zij niet ten volle in staat is haar belangen zelf behoorlijk waar te nemen. De volgorde van aanstelling tot algemeen gevolmachtigde is successievelijk: [broer Y] , [klager 3] , [broer X] , [klager 2] , [klager 1] en [klager 4] .
3.2.7.
Bij brief van 10 december 2014 heeft een medewerkster van het kantoor van de notaris (hierna: de medewerkster) aan de moeder medegedeeld:
“Bijgaand ontvangt u ter beoordeling de ontwerpakte van uw schenking op papier aan uw 6 kinderen.
U schenkt op papier aan ieder van uw kind een bedrag van € 10.000,00. U bent een rente verschuldigd van 6% per jaar.
Deze schenking is met name van belang voor het verminderen van het erfbelasting dat verschuldigd is bij het overlijden van u en kan tevens een rol spelen bij het veilig stellen van het vermogen in verband met een eventuele vermogenstoets voor een bejaarden- of verzorgingstehuis.
(..)
De afspraak voor het tekenen van de akte is gemaakt op dinsdag 23 december 2014 om 16.00 uur.”
3.2.8.
Bij gelijkluidende brieven van 10 december 2014 heeft de medewerkster aan [klager 1] , [klager 2] , [klager 3] en [klager 4] , voor zover hier van belang, medegedeeld:
“Bijgaand ontvangt u een volmacht, omdat u niet bij het tekenen van de schenkingsakte kunt zijn en een ontwerpakte van de schenking op papier.
U ontvangt ook een bijlage waarin de legalisatie van de handtekening wordt uitgelegd.
De volmacht dient u bij een notariskantoor bij u in de buurt te laten legaliseren en z.s.m. retour te sturen met een kopie geldig legitimatiebewijs naar ons kantoor.”
3.2.9.
Bij brief van 17 december 2014 heeft [klager 4] aan de notaris onder meer het volgende bericht:
“Hierbij stel ik voor om de volgende wijzigingen in uw akte door te voeren:
(..)
In een gesprek met mijn moeder gisterochtend merk ik dat mijn moeder niet in staat is om de inhoud van de akte te begrijpen. Zij is ook niet in staat om de gevolgen goed te doorzien. Aangezien er een verdeeldheid is binnen de broers is het gewenst dat u gelijke informatie aan een ieder geeft.
Ik zal u mijn volmacht doen toekomen, deze machtiging is van toepassing indien de eerste twee doorgevoerde wijzigen in de bepalingen in de akte zijn verwerkt.
P.S. de bovenstaanden zijn in ieder geval ook van toepassing voor (..) [klager 1] (..) en (..) [klager 2] (..).
3.2.10.
Op 23 december 2014 heeft op het kantoor van de notaris een gesprek plaatsgevonden met de moeder, [broer X] , [broer Y] en [klager 3] ten aanzien van de schenkingsakte. In het verslag van 24 december 2014, dat door [klager 3] is gemaakt van voormeld gesprek, staat onder andere het volgende:
“Deze notaris heeft met de 1ste notaris [Z] gesproken en ze zagen geen onvolkomenheden of nadelen. (..)
Aangezien Alles vooraf voor enkelen niet erg duidelijk was, weinig of trage communicaties en Korte tijd en onderling onenigheden waren heeft hij uit ervaring geadviseerd de akte NIET NU te laten passeren. (..)
Dus we moeten in jan feb een dag bij de notaris afspreken.
Het is voor ieder eigen Wijsheid en Trots om dit geruzie samen te gaan oplossen ..
(..)
We zijn van plan om op 25 dec bij azie in [plaats] te gaan lunchen”
3.2.11.
Op 31 december 2014 is op het kantoor van de notaris de akte van schenking gepasseerd. Blijkens de schenkingsakte waren daarbij aanwezig de moeder (toen 89 jaar oud), [broer X] en [broer Y] . De medewerkster heeft blijkens de schenkingsakte gehandeld als schriftelijk gevolmachtigde van [klager 1] , [klager 2] , [klager 4] en [klager 3] .
3.2.12.
Begin 2017 is de moeder met spoed opgenomen in een verzorgingstehuis. Zij is dementerend.
4. Standpunt van klager
4.1.
In de kern verwijten klagers de notaris dat hij onzorgvuldig en partijdig heeft gehandeld, met name met betrekking tot het in 2014 opgemaakte en gepasseerde testament en de notariële volmacht.
Volgens klagers heeft de notaris onvoldoende onderzoek gedaan naar de wilsbekwaamheid van de moeder en heeft hij zich (enkel) laten leiden door de wensen van [broer X] en [broer Y] .
Er waren verschillende indicatoren aanwezig, die de notaris noopten tot nader onderzoek (inschakelen VIA arts) en het volgen van het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid (hierna: het Stappenplan) van de KNB, aldus klagers.
4.2.
Klagers hebben aan hun klacht – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.
4.2.1.
Eind 2013, na twee ziekenhuisopnames, verslechterde de geestelijke toestand van de moeder, toen 87 jaar oud, snel. In 2006 waren al verschijnselen van dementie geconstateerd, maar die had zij altijd goed weten te verbloemen. Ook vereenzaamde zij. De moeder was niet meer in staat om haar eigen huishouding en administratie te doen en haar geldzaken te beheren. Haar vaste notaris was notaris [Z] te [plaats] . Het is [broer X] geweest die zich heeft bemoeid met de afspraak bij de notaris te [plaats] , een volledige onbekende voor de moeder. [broer X] is ook degene geweest die de moeder de inhoud van het testament en de notariële volmacht moet hebben gedicteerd. Klagers verwijzen in dit kader naar een WhatsApp-bericht van 4 mei 2015 van [broer X] aan [klager 2] (bijlage III bij de pleitnota eerste aanleg) en naar door de moeder handgeschreven notities met betrekking tot een afspraak bij de notaris op 8 maart 2014 om 16:00 uur (bijlage VII bij de pleitnota eerste aanleg). De moeder wist totaal niets van juridische zaken en liet die ook altijd aan haar zonen over. Klagers achten het dan ook uiterst vreemd dat de moeder op 19 augustus 2014 zonder familiaire bijstand en in gezelschap van slechts de notaris en de kandidaat-notaris opdracht heeft gegeven een testament en notariële volmacht op te stellen.
4.2.2.
Dat [broer X] degene is geweest die de inhoud van het testament en de notariële volmacht moet hebben gedicteerd, blijkt volgens klagers ook uit de inhoud van de akten zelf. Het meest voor de hand liggende zou zijn dat in een volmacht het oudste kind als eerste wordt voorgedragen als gevolmachtigde, tezamen met het op een na oudste kind, enzovoorts. De volmacht van de moeder luidt anders, te weten eerst [broer Y] , dan [klager 3] en daarna [broer X] . Deze laatste zoon weet goed dat zijn broer [broer Y] hem altijd volgt, dus op die manier krijgt [broer X] het alsnog voor het zeggen, aldus klagers. Hetzelfde toont het testament; [broer Y] en [klager 3] zijn benoemd tot executeurs. Mocht een van beiden de taak weigeren, dan krijgt [broer X] het executeurschap. [broer X] speculeert erop dat [klager 3] – vanwege zijn controverse met [broer Y] – van het executeurschap zal afzien. Hierdoor zal [broer X] alsnog benoemd worden tot executeur, aldus klagers.
4.2.3.
De schenkingsakte behoefde niet opnieuw te worden opgesteld, aangezien alle rentebetalingen waren voldaan. Anders dan de notaris beweert, heeft hij over de nieuw op te stellen schenkingsakte geen contact gelegd met notaris [Z] . Verder werd, in tegenstelling tot het testament en de volmacht, geen haast gemaakt met het opstellen en passeren van de schenkingsakte. Klagers achten dit alles uitermate vreemd en zij vermoeden dat de schenkingsakte slechts is ‘gebruikt’ om een testament en volmacht voor de moeder te laten opstellen.
5. Standpunt van de notaris
5.1.
De notaris heeft bij de kamer over de omstandigheden van het onderhavige geval het volgende verklaard.
5.1.1.
Op 19 augustus 2014 is de moeder tezamen met [broer Y] naar het kantoor van de notaris gekomen. Zij kwamen naar aanleiding van het gesprek dat de notaris had gevoerd op 1 maart 2014 met [broer X] . Zij wilden weten wat ze met de schenking van 2006 moesten of konden doen. De notaris heeft daarop aan de moeder gevraagd of zij iets had geregeld voor het geval zij zou komen te overlijden en voor het geval zij niet meer (juridisch) zou kunnen handelen. Gelet op de hoge leeftijd van de moeder heeft de notaris de kandidaat-notaris bij het gesprek betrokken. De notaris heeft [broer Y] gevraagd de spreekkamer te verlaten, hetgeen hij heeft gedaan. Tijdens het gesprek heeft de moeder duidelijk verteld dat zij nog zelfstandig woonde met behulp van [broer Y] , de buurman en een goede kennis en dat zij ook graag zelfstandig wilde blijven wonen. De gemeente had ook te kennen gegeven dat zij dat nog goed kon. Enkele zoons wilden echter dat zij naar [plaats] zou verhuizen. De moeder was tijdens dit gesprek helder en vastberaden. De notaris heeft van de moeder na het gesprek desgevraagd nog een rapport ontvangen van 27 juni 2014 van de gemeente [plaats] . Het betrof een gesprekverslag gehouden op 17 juni 2014 in het kader van een aanvraag om een WMO-voorziening. Hieruit bleek onder meer dat de moeder nog voldoende zelfredzaam was. Volgens de notaris wist de moeder wat ze deed, ook tijdens het passeren van de akten op 4 september 2014.
5.1.2.
De inhoud van het testament bevat volgens de notaris geen ongebruikelijke bepalingen. Hetzelfde geldt voor de inhoud van de volmacht. Het was de uitdrukkelijke wil van de moeder om steeds één gevolmachtigde te laten opvolgen door een ‘reserve’-gevolmachtigde (in plaats van twee gevolmachtigde tezamen, zoals de notaris had geadviseerd).
5.1.3.
De schenkingsakte diende te worden aangepast vanwege een fiscale reden, hetgeen de notaris destijds ook aan klagers kenbaar heeft gemaakt. Alle broers hebben de akte (al dan niet via een volmacht) uiteindelijk ondertekend, aldus de notaris.
5.1.4.
De notaris heeft verder opgemerkt dat het logisch is dat de moeder heeft gekozen voor een notariskantoor dat meer bij haar in de buurt ligt. Ter zitting in eerste aanleg heeft de notaris nog verschillende bijlagen ingediend, waaronder brieven van verschillende doktoren uit 2006 en 2014. De notaris was met deze stukken in 2014 nog niet bekend.
5.2.
De notaris heeft in zijn verweer in hoger beroep het volgende aangevoerd.
5.2.1.
Bij cliënt(e)n) op leeftijd werkt de notaris volgens een vast protocol. Zo voert hij altijd een bespreking met de betrokkene afzonderlijk (dus zonder familieleden e.d.), zorgt hij ervoor dat minimaal één kantoorgenoot bij dit gesprek aanwezig is, neemt hij standaard de ‘Mini-Mental State Examination’ test af (productie 3 bij het verweerschrift in hoger beroep) en stelt hij specifieke vragen die betrekking hebben op de persoon.
5.2.2.
Zo ook in dit geval. De notaris voerde het gesprek met de moeder op 19 augustus 2014 in het bijzijn van de kandidaat-notaris, hij nam bij de moeder de MMSE-test af en hij stelde haar vragen die specifiek betrekking hadden op haar [*] achtergrond. Zo heeft hij haar gewezen op de spekkoek-bakkerij in de buurt en gevraagd of zij wist wat een spekkoek is. Voorts heeft hij de moeder gevraagd naar de familieverhoudingen, haar gezondheid en woonsituatie.
5.2.3.
Geen van de antwoorden van de moeder leverde zodanige twijfel op dat aanleiding bestond voor verder onderzoek aan de hand van het Stappenplan, aldus de notaris. Ook bij de kandidaat-notaris bestond geen enkele twijfel over de wilsbekwaamheid van de moeder. De notaris wijst hierbij op de verklaring van de kandidaat-notaris over de gang van zaken tijdens de bespreking op 19 augustus 2014 (productie 2 bij het verweerschrift in hoger beroep). Hierin valt te lezen: “Mevrouw [de moeder] was met mij en de notaris in de spreekkamer, we hebben naast hetgeen waarvoor mevrouw [de moeder] op kantoor kwam ook algemene vragen gesteld, zoals welke dag het was en welk seizoen, waar ze woonde en of ze zelfstandig handelingen kon uitvoeren. Heel specifiek hebben we het toen gehad over de achternaam van haar overleden echtgenoot (..) en de niet overeenkomende achternaam van de zonen (..) Mevrouw [de moeder] heeft toen aangegeven dat dit kwam door het oude regime in [land] .”
5.2.4.
De notaris was destijds niet bekend met een ziekte of verschijnselen op grond waarvan hij een VIA-arts diende in te schakelen.
6. Beoordeling
6.1.
Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of de notaris voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de moeder.
6.2.
Zoals hiervoor uiteengezet, heeft de notaris verwezen naar zijn ‘vaste protocol’ dat hij altijd volgt in situaties als de onderhavige, bestaande uit (onder meer), zo begrijpt het hof, het afnemen van een MMSE-test bij cliënt(e(n). Als productie 3 heeft de notaris een voorbeeld van een dergelijke test overgelegd. Volgens de notaris reageerde de moeder op 19 augustus 2014 positief op deze test, zodat hij mede gelet daarop niet behoefde te twijfelen aan haar wilsbekwaamheid.
6.3.
Het hof heeft moeten constateren dat uit de door de notaris overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat de MMSE-test bij de moeder is afgenomen. Noch uit productie 3, dat slechts een blanco exemplaar betreft, noch uit de verklaring van de kandidaat-notaris (zie 5.2.3.), valt dit op te maken. Verder is, ondanks de door de notaris ter zitting in hoger beroep gegeven toelichting, onvoldoende concreet geworden hoe de gang van zaken was rondom (i) de toezending van het verslag van 27 juni 2014 van de gemeente [plaats] aan de notaris, (ii) het aanpassen van de bepaling ‘executeursbenoeming’ in het testament van de moeder en (iii) het passeren van de akten op 4 september 2014 en 31 december 2014.
6.4.
Vanwege deze onduidelijkheden kan het hof thans geen nog oordeel geven over de vraag of de notaris voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de moeder.
6.5.
Het hof ziet derhalve aanleiding, voordat verder wordt beslist, de notaris toe te laten tot het bewijs van zijn stelling dat hij een MMSE-test bij de moeder heeft afgenomen en dat de moeder positief op deze test reageerde, zodat hij mede gelet daarop niet behoefde te twijfelen aan haar wilsbekwaamheid.
6.6.
Verder zal het hof de notaris in de gelegenheid stellen de gang van zaken rondom bovengemelde drie punten nader te beschrijven. Klagers zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld een nadere schriftelijke reactie te geven op de door de notaris in te dienen stukken.
6.7.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6.8.
Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.
7. Beslissing
Het hof:
alvorens nader te beslissen:
- stelt de notaris in de gelegenheid binnen vier weken na heden de door het hof onder 6.6. genoemde inlichtingen te verstrekken;
- stelt klagers in de gelegenheid binnen vier weken nadien op de stukken van de notaris te reageren;
- laat de notaris toe tot het bewijs van zijn stelling dat hij een MMSE-test bij de moeder heeft afgenomen en dat de moeder positief op deze test reageerde, zodat hij mede gelet daarop niet behoefde te twijfelen aan haar wilsbekwaamheid;
- bepaalt dat, indien de notaris bewijs wenst te leveren door middel van getuigen, de getuigen zullen worden gehoord door mr. A.D.R.M. Boumans, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris, in een der zalen van het Paleis van Justitie, IJdok 20, 1013 MM te Amsterdam, op een nader te bepalen dag en uur;
- bepaalt dat de notaris alsdan tot uiterlijk 12 oktober 2018 schriftelijk aan de griffie van het hof de namen en woonplaatsen van de getuigen, alsmede de verhinderdagen van beide partijen en de getuigen in de periode van 2018 tot en met 2019 dient op te geven, waarna een tijdstip voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld. De notaris dient in dat geval voor oproeping van de getuigen zorg te dragen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, A.R. Sturhoofd en B.J.M. Gehlen en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018 door de rolraadsheer.