Inhoudsopgave
VFP 2026/2:Wijzigingen BOR en DSR-ab per 1 januari 2026
VFP 2026/2
Wijzigingen BOR en DSR-ab per 1 januari 2026
Documentgegevens:
Drs. J.H.J. Brauwers, datum 17-12-2025
- Datum
17-12-2025
- Auteur
Drs. J.H.J. Brauwers1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD39028:1
- Vakgebied(en)
Financiële dienstverlening (V)
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Schenk- en erfbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
- Wetingang
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Drs. J.H.J. (Jos) Brauwers begeleidt en adviseert professionals op het gebied van vermogensplanning, vermogensstructurering, estate planning, bedrijfsoverdracht en -opvolging.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De auteur behandelt de belangrijkste wijzigingen van de BOR en DSR per 1 januari 2026. Bij deze wijzigingen voegt hij aandachtspunten voor de adviseur toe.
1. Inleiding
De Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 betreft maatregelen met betrekking tot de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (de BOR) en de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (de DSR-ab). Een aantal van deze maatregelen is per 1 januari 2026 ingegaan. Het gaat hierbij onder andere om een nieuwe definitie van het begrip ‘preferent aandeel’, het tegengaan van onbedoeld gebruik van de BOR in de vorm van ‘rollatorinvesteringen’ en het tegengaan van ‘dubbel-BOR’-constructies.
2. De Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025
De Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 is eind 2024 als onderdeel van het Pakket Belastingplan 2025 door de Tweede en de Eerste Kamer aangenomen. De wet betreft een aantal maatregelen met betrekking tot de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (de BOR) en de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (de DSR-ab) in de Wet IB 2001.
Een van de maatregelen is het verkorten van de voortzettingstermijn in de BOR van 5 jaar naar 3 jaar. Deze maatregel is al per 1 januari 2025 ingegaan.
Een andere maatregel is een beperking van de BOR en de DSR-ab tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5% van het totale geplaatste kapitaal. Dit betekent, dat een aanmerkelijk belang op grond van de meesleepregeling of de meetrekregeling niet meer voor de BOR en de DSR-ab kwalificeert. Dat geldt ook voor een zogenoemd fictief aanmerkelijk belang. Ook opties, winstbewijzen en tracking stocks worden hierdoor uitgesloten. De invoering van deze maatregel is echter gekoppeld aan de invoering van twee andere maatregelen in de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025:
de uitbreiding van de verwateringsregeling; en
de invoering van een familietoets waardoor een klein aandelenbelang uit box 3 ook kwalificeert, mits de familie een belang van minimaal 25% bezit.
Deze twee maatregelen zouden ingaan per Koninklijk Besluit. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het Wetsvoorstel Wet Belastingplan 2026 van 17 oktober 2025 heeft de staatssecretaris echter aangegeven, dat naar aanleiding van onderzoek deze twee maatregelen naar verwachting leiden tot ongeoorloofde staatssteun. Het demissionaire kabinet wil beide maatregelen daarom niet invoeren. Hierdoor is de beperkende maatregel, dat de BOR en de DSR-ab alleen gelden voor gewone aandelen met een minimaal belang van 5% van het totale geplaatste kapitaal, ook niet ingevoerd. Met de vierde nota van wijziging van 24 november 2025 bij het Belastingplan 2026 zijn de drie maatregelen daarom uit de Successiewet en de Wet IB 2001 gehaald.
Naast de hiervoor genoemde maatregelen zijn er vier maatregelen die per 1 januari 2026 zijn ingegaan:
De bezits- en de voortzettingseis in de BOR wordt versoepeld, zodat herstructureringen makkelijker worden.
Het opnemen in de wettekst van een definitie van het begrip ‘preferent aandeel’.
Het tegengaan van onbedoeld gebruik van de BOR in de vorm van ‘rollatorinvesteringen’.
Het tegengaan van onbedoeld gebruik van de BOR door ‘dubbel-BOR’-constructies.
Voor de adviseur
In de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 is een wijziging per 1 januari 2026 van de wettekst van het bezitsvereiste (artikel 35d SW) opgenomen. De wijziging zorgt ervoor dat de bezitstermijn opnieuw gaat lopen voor een uitbreiding van het belang van de erflater of schenker in de onderneming.
Voor de adviseur
Op grond van het Belastingplan 2024 is de BOR en de DSR-ab per 1 januari 2025 onder andere al als volgt aangepast:
De 5% doelmatigheidsmarge (BOR en DSR-ab) voor beleggingsvermogen is afgeschaft.
Bedrijfsmiddelen, die zowel voor de bedrijfsdoeleinden van de onderneming als voor privédoeleinden worden gebruikt (keuzevermogen), kwalificeren slechts voor de BOR en de DSR-ab voor zover deze bedrijfsmiddelen voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt. Dit geldt uitsluitend voor bedrijfsmiddelen met een waarde in het economische verkeer van minimaal € 100.000 (jaarlijks te indexeren) op het moment van verkrijging bij overlijden of schenking en een gebruik voor andere dan ondernemingsdoelen van meer dan 10%.
De dienstbetrekkingseis in de DSR-ab is vervallen. Er is een minimumleeftijd van 21 jaar ingevoerd voor de verkrijger bij schenking van een aanmerkelijk belang voor de DSR-ab en voor schenking voor de BOR.
De vrijstelling in de BOR is aangepast naar een 100%-vrijstelling voor de goingconcernwaarde tot € 1,5 miljoen en van 75% boven € 1,5 miljoen.
3. De versoepeling van de bezits- en de voortzettingseis in de BOR
Door de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 is een groot aantal knelpunten in de bezits- en voortzettingseis bij herstructureringen weggenomen. Deze knelpunten doen zich vooral voor bij bedrijfsopvolging via aandelen, maar ook bijvoorbeeld bij de IB-ondernemer die tijdens de bezits- of voortzettingsperiode zijn onderneming ruisend wil inbrengen in een bv.
In artikel 9 en 10 van de Uitvoeringsregeling Schenk- en erfbelasting (URSE) zijn de situaties opgenomen, waarin mede wordt voldaan aan de bezits- of voortzettingseis. Dit zijn situaties waarbij op grond van de in de Successiewet opgenomen hoofdregel niet of niet altijd aan de bezits- of voortzettingseis wordt voldaan, maar die wel in lijn zijn met doel en strekking van deze eisen. Hierbij is de hoofdgedachte dat er geen gevolgen voor de lopende bezits- en voortzettingsperiode zijn, als de directe of indirecte economische gerechtigdheid tot de over te dragen onderneming niet wijzigt bij herstructureringen.
De in artikel 9 en 10 Uitvoeringsregeling Schenk- en erfbelasting opgenomen situaties zijn via de zogenoemde Eindejaarsregeling 2025 per 1 januari 2026 uitgebreid naar meer vormen van herstructurering.
Vanaf 1 januari 2026 hoeven volgens de concept-Eindejaarsregeling 2025 de volgende herstructureringen op grond van de URSE onder voorwaarden niet langer in strijd te zijn met de bezitseis:
ruisende terugkeer uit een nv/bv;
ruisende omzetting in nv/bv;
ruisende aandelenfusie;
ruisende juridische fusie;
ruisende juridische splitsing;
bedrijfsfusie;
verkoop van een lichaam waarin de erflater direct of indirect een aanmerkelijk belang houdt aan een ander lichaam waarin de erflater direct of indirect een aanmerkelijk belang houdt;
uitgifte van vermogensbestanddelen.
Vanaf 1 januari 2026 hoeven volgens de concept-Eindejaarsregeling 2025 de volgende herstructureringen op grond van de URSE onder voorwaarden niet langer in strijd te zijn met de voortzettingseis:
ruisende terugkeer uit nv/bv;
ruisende omzetting in nv/bv;
ruisende aandelenfusie;
ruisende juridische fusie;
ruisende juridische splitsing;
ruisende bedrijfsfusie;
verkoop deelneming van eigen nv/bv aan verkrijger;
verkoop deelneming van eigen nv/bv aan andere eigen nv/bv.
Daarnaast zijn voor de bezits- en voortzettingseis met ingang van 1 januari 2026 versoepelingen in de URSE opgenomen voor een aantal situaties waarbij geen sprake is van herstructurering.
Voor de bezitseis zijn dit:
de situatie waarin ondernemingsvermogen binnen 180 dagen voor overlijden is geschonken;
de situatie waarin de erflater overlijdt kort nadat hijzelf ondernemingsvermogen zonder toepassing van de BOR heeft verkregen;
de situatie waarin dat ondernemingsvermogen is verkregen krachtens huwelijksvermogensrecht;
de situatie waarin gebruik wordt gemaakt van een tweetrapsmaking of tweetrapsschenking.
Voor de voortzettingseis is dat de situatie waarin een lichaam dat een onderneming drijft te maken krijgt met overheidsingrijpen en tot herinvestering overgaat.
4. Definitie ‘preferent aandeel’
Als hoofdregel geldt dat de BOR en de DSR-ab niet van toepassing zijn op preferente aandelen. Een uitzondering is gemaakt voor preferente aandelen die in het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging zijn uitgegeven.
De wetgever heeft in de wet echter niet bepaald wat een preferent aandeel is. Door de invoering van de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 is vanaf 1 januari 2026 een definitie van het begrip preferente aandelen in de wet opgenomen. In artikel 35c lid 12 SW en artikel 4.17a lid 14 Wet IB 2001 is het volgende bepaald:
“… wordt onder preferente aandelen verstaan aandelen met voorrang ten aanzien van de winstverdeling of liquidatieopbrengsten. Indien een aandeel slechts voor een deel van het aan het aandeel verbonden vermogen die voorrang kent, wordt enkel dat deel van het aandeel aangemerkt als preferent aandeel.”
Om te verduidelijken wat preferente aandelen zijn, definieert de wet dus een preferent aandeel als een aandeel met voorrang ten aanzien van de winstverdeling of liquidatieopbrengsten. Er zijn hierdoor drie alternatieve kwalificaties van een aandeel mogelijk:
Een aandeel kan geheel als een preferent aandeel kwalificeren op grond van de statutaire gerechtigdheid.
Een aandeel kan geheel als niet-preferent aandeel kwalificeren op grond van de statutaire gerechtigdheid.
Er kan sprake zijn van een zogenoemd ‘hybride aandeel’. Voor de toepassing van de BOR en DSR-ab wordt een hybride aandeel voor een deel dan aangemerkt als een preferent aandeel en voor een deel als een niet-preferent aandeel. Het deel dat als niet-preferent aandeel wordt aangemerkt, kan voor de BOR en DSR-ab kwalificeren, mits aan de voorwaarden voor de toepassing van de BOR en DSR-ab wordt voldaan.
Er is geen overgangsrecht. Wel is door de wetgever het volgende opgemerkt:
“De aangepaste voorgestelde definitie van preferente aandelen geldt enkel voor bedrijfsopvolgingen die op of na 1 januari 2026 plaatsvinden. Op eerdere bedrijfsoverdrachten blijft, in overeenstemming met de gangbare systematiek, de wetgeving van toepassing die gold ten tijde van schenking of vererving.”
Voor de adviseur
De per 1 januari 2026 geldende definitie kan grote impact hebben op letteraandelen met verschillende agio- en/of winstreserves waarover een primair dividend wordt vergoed.
Voorbeeld 1
Een bv heeft twee soorten aandelen uitgegeven: aandelen A en B. Het nominale aandelenkapitaal van aandelen A en B is gelijk. In de statuten van de bv is bepaald dat de bv primair een dividend moet uitkeren van 4% over de winstreserves. Een eventuele restwinst wordt verdeeld op basis van het nominale aandelenkapitaal. Aandelen A en aandelen B hebben per 1 januari 2026 ieder een winstreserve van € 500.000.
Op 31 december 2026 keert de bv uit de winstreserve B € 250.000 dividend uit op de aandelen B. De nettowinst van de bv over 2026 is nihil. Over 2027 is de nettowinst van de bv € 100.000. Op grond van de primaire winstverdeling wordt aan de winstreserves van de aandelen A 4% x € 500.000 = € 20.000 toegevoegd en aan de winstreserves van de aandelen B 4% x (€ 500.000 -/- € 250.000) = € 10.000.
Na de primaire winstverdeling van € 30.000 is de restwinst € 70.000. Hiervan krijgen aandelen A en B ieder 50% = € 35.000. In totaal wordt dus € 55.000 aan de winstreserves van de aandelen A toegevoegd en € 45.000 aan de winstreserves van de aandelen B.
Op de aandelen A wordt dus een groter aandeel van de winst bijgeschreven. Op grond van de definitie van het begrip ‘preferent aandeel’ in artikel 35c lid 12 SW en artikel 4.17a lid 14 Wet IB 2001 is een deel van ieder aandeel A preferent geworden. Met betrekking tot dat deel zijn de BOR en de DSR-ab niet van toepassing. Als de aandelen A met toepassing van de BOR na 1 januari 2026 zijn verkregen, kan het onder omstandigheden zelfs zo zijn dat de BOR wordt teruggenomen.
Voor de adviseur
De handeling van aandeelhouder B verandert dus de kwalificatie van de aandelen A met mogelijk vergaande gevolgen. In dit soort situaties verdient het dus aanbeveling ervoor te zorgen dat de winstreserves gelijk blijven.
Voorbeeld 2
Een bv heeft aandelen A, aandelen B en aandelen C uitgegeven. Iedere soort aandelen heeft hetzelfde nominale aandelenkapitaal per aandeel en het aantal aandelen van iedere soort is hetzelfde. Er zijn geen winstreserves.
Aandelen A kennen een agioreserve van € 100.000, aandelen B van € 250.000 en aandelen C van € 450.000. In de statuten is bepaald dat bij de winstverdeling als eerste 4% over de agioreserves wordt vergoed. De restwinst wordt verdeeld op basis van het nominale aandelenkapitaal. Voor 4% vergoeding op de eerste € 100.000 aan agioreserve per aandelensoort is geen sprake van voorrang ten aanzien van andere aandelensoorten. Aandelen A worden daarom in hun geheel als niet-preferente aandelen aangemerkt. Aandelen B (€ 150.000) en C (€ 350.000) kennen voor een deel van de agioreserves voorrang ten opzichte van aandelen A en worden voor dat deel dus aangemerkt als preferente aandelen.
Voorbeeld 3
Het aandelenkapitaal van een bv bestaat in 2026 uit aandelen A en B. De aandelen A en B hebben hetzelfde nominale aandelenkapitaal per aandeel en het aantal aandelen A en B is hetzelfde. Aandelen A en B kennen beide een agioreserve. De beide agioreserves zijn gelijk. In de statuten van de bv is bepaald dat bij de winstverdeling als eerste 4% over de agioreserves wordt vergoed. De restwinst wordt verdeeld op basis van het nominale aandelenkapitaal.
Wat is het gevolg als op de aandelen B de agioreserve wordt terugbetaald?
Voor de terugbetaling van het agio op de aandelen B zijn zowel de aandelen A als de aandelen B niet-preferente aandelen. Als op de aandelen B de agioreserve wordt terugbetaald, worden de aandelen A echter hybride aandelen. De aandelen A kwalificeren door de terugbetaling dus deels als preferent voor de BOR en DSR-ab. De aandelen B kwalificeren nog steeds als niet-preferent.
Voor de adviseur
De handeling van aandeelhouder B verandert dus de kwalificatie van de aandelen A met mogelijk vergaande gevolgen. In dit soort situaties verdient het dus aanbeveling ervoor te zorgen dat de agioreserves gelijk blijven.
Voor het als preferent aangemerkte deel blijft gelden, dat dit deel alleen kan kwalificeren als dit deel is ontstaan en uiteindelijk wordt verkregen in het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging.
5. Verlenging bezitstermijn BOR bij ‘rollatorinvesteringen’
Het komt in de praktijk voor dat een erflater of schenker op (zeer) hoge leeftijd nog een onderneming start, een aandeel in een onderneming koopt of een aanmerkelijk belang verwerft in een bv, die een onderneming drijft (de zogenoemde ‘rollatorinvesteringen’). Hierdoor wordt een deel van het vermogen van deze erflater of schenker ondernemingsvermogen waarop mogelijk de BOR van toepassing kan zijn. Om dit tegen te gaan is per 1 januari 2026 een antimisbruikbepaling in de BOR opgenomen.
Met ingang van 1 januari 2026 wordt de bezitstermijn verlengd voor erflaters die de AOW-gerechtigde leeftijd plus 3 jaar hebben bereikt en voor schenkers die de AOW-gerechtigde leeftijd plus 7 jaar hebben bereikt. De bezitstermijn wordt voor zowel erflaters als schenkers stapsgewijs vanaf die leeftijden verhoogd. Dit is geregeld in artikel 35d lid 2 en 3 SW:
Voor een erflater wordt de bezitstermijn van 1 jaar verlengd met 6 maanden per jaar dat de erflater op het moment van overlijden meer dan 2 jaar ouder is dan de AOW-gerechtigde leeftijd die geldt op het moment van overlijden.
Voor een schenker wordt de bezitstermijn van 5 jaar verlengd met 6 maanden per jaar dat de schenker op het moment van de schenking meer dan 6 jaar ouder is dan de AOW-gerechtigde leeftijd op het moment van de schenking.
In onderstaande tabel staan de verlengde bezitstermijnen weergegeven:
Leeftijd bij overlijden/schenken
Bezitseis bij vererving
Bezitseis bij schenking
Tot en met AOW + 2 jaar
1,0 jaar
5,0 jaar
AOW + 3 jaar
1,5 jaar
5,0 jaar
AOW + 4 jaar
2,0 jaar
5,0 jaar
AOW + 5 jaar
2,5 jaar
5,0 jaar
AOW + 6 jaar
3,0 jaar
5,0 jaar
AOW + 7 jaar
3,5 jaar
5,5 jaar
AOW + 8 jaar
4,0 jaar
6,0 jaar
AOW + > 8 jaar
^ +0,5 jaar
^ +0,5 jaar
Voorbeeld 4
Voor 2029 bedraagt de AOW-gerechtigde leeftijd 67 jaar en 3 maanden. Stel dat de schenker op het moment van schenking in 2029 minimaal 74 jaar en 3 maanden is, maar jonger is dan 75 jaar en 3 maanden. Dan geldt voor deze schenking een bezitseis van 5,5 jaar. Dit is de standaardperiode van 5 jaar plus een verlenging met 6 maanden, omdat de leeftijd van de schenker op het moment van de schenking 7 jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd op dat moment en bij een verschil van 7 jaar een verhoging met 6 maanden geldt.
Als sprake is van een aanmerkelijk belang of van het genieten van een resultaat uit een werkzaamheid, gelden de verlengingen van de bezitstermijn ook voor de periode dat het lichaam waarop het aanmerkelijk belang betrekking heeft, de onderneming dreef of een medegerechtigdheid hield of voor de periode dat de onroerende zaak die behoort tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92 Wet IB 2001 dienstbaar was aan de onderneming van het lichaam waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden.
6. Tegengaan van ‘dubbel-BOR-constructies’
In een ‘dubbel-BOR-constructie’ wordt de BOR vaker dan een keer toegepast op dezelfde onderneming. Dit vindt bijvoorbeeld plaats wanneer iemand een onderneming schenkt met toepassing van de BOR, de onderneming vervolgens na het voldoen aan de voortzettingstermijn terugkoopt met beleggingsvermogen en na het verstrijken van de bezitstermijn opnieuw schenkt met toepassing van de BOR. Om dit tegen te gaan is per 1 januari 2026 een antimisbruikbepaling in de BOR opgenomen.
Deze antimisbruikbepaling geldt voor alle situaties dat iemand een onderneming verkoopt en later weer met toepassing van de BOR erft of geschonken krijgt. De voorgestelde antimisbruikbepaling geldt dus niet alleen voor de recht-toe-recht-aan situatie tussen ouders en kinderen, maar geldt ongeacht de relatie tussen de verkoper, de schenker en de verkrijger van de schenking onderscheidenlijk de erflater en de verkrijger van de erfenis.
Met deze maatregel wordt in de basis de toepassing van de BOR uitgesloten voor zover de onderneming op enig eerder moment in bezit is geweest van de verkrijger. De uitsluiting is maximaal het bedrag van de verkoopsom die betrekking had op het ondernemingsvermogen in de verkochte onderneming.
Voor de adviseur
Vanaf 2026 is de BOR dus slechts nog een keer per onderneming van toepassing.
Voorbeeld 5
Roberto verkoopt zijn onderneming aan zijn vader voor de goingconcernwaarde van € 1.000.000. Nadat de bezitstermijn van zijn vader is verstreken, schenkt zijn vader de onderneming aan Roberto. De waarde is inmiddels € 1.500.000.
Zonder maatregel zou de BOR van toepassing zijn op de schenking van het ondernemingsvermogen van € 1.500.000. Door de antimisbruikmaatregel is de BOR niet van toepassing op € 1.000.000 aan ondernemingsvermogen (de verkoopsom van € 1.000.000). De BOR is wel van toepassing op € 500.000 (= € 1.500.000 -/- € 1.000.000). Hierop is de 100%-vrijstelling van toepassing.
Als deze antimisbruikmaatregel uitsluitend zou zien op de destijds verkochte onderneming zou dat tot discussie kunnen leiden of de verkregen onderneming nog wel dezelfde onderneming is als de eerder verkochte onderneming. Een onderneming kan in de loop van de tijd namelijk veranderen, bijvoorbeeld door herstructurering of wijziging van de activiteiten. Daarom is deze antimisbruikmaatregel ook van toepassing als de verkregen onderneming op de een of andere manier een voortzetting is van de verkochte onderneming.
Voorbeeld 6
Khalid verkoopt een slagerij voor de goingconcernwaarde van € 1.000.000. Meer dan vijf jaar later verkrijgt Khalid door schenking de onderneming die inmiddels is omgevormd tot een delicatessenzaak. De delicatessenzaak is € 3.000.000 waard. De BOR kan over de eerdere verkoopprijs van € 1.000.000 niet worden toegepast, maar wel over de resterende € 2.000.000. De vrijstelling bedraagt 100% over € 1.500.000 en 75% over € 500.000.
Voor de adviseur
Er is geen overgangsrecht. Het is overigens niet relevant of de verkrijger de BOR bij de eerste overdracht heeft toegepast.
7. Ten slotte
Deze bijdrage is bijgewerkt tot 1 december 2025 in verband met de aanlevertermijn voor publicatie. Wijzigingen en aanpassingen, die na deze datum in de concept-Eindejaarsregeling 2025 of in de Wet IB 2001 of in de Successiewet zijn gedaan, zijn dan ook niet meegenomen.
Informatie: vtboa@xs4all.nl