Einde inhoudsopgave
Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting
Artikel 9 Bezitsperiode
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2026
- Bronpublicatie:
24-12-2025, Stcrt. 2025, 42873 (uitgifte: 24-12-2025, regelingnummer: 2025-0000592934)
- Inwerkingtreding
01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
24-12-2025, Stcrt. 2025, 42873 (uitgifte: 24-12-2025, regelingnummer: 2025-0000592934)
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
1.
Aan de periodes, bedoeld in artikel 35d van de wet, is mede voldaan:
- a.
ingeval de erflater of schenker een onderneming drijft die eerder werd gedreven door een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: indien de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, wordt gedreven en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, aandeelhouder was van bedoelde naamloze of besloten vennootschap tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;
- b.
ingeval de erflater of schenker aanmerkelijkbelanghouder is en het aanmerkelijk belang betrekking heeft op een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die een onderneming drijft die eerder voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven: indien de periode van het zijn van aanmerkelijkbelanghouder en de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;
- c.
ingeval de erflater of schenker medegerechtigde is als bedoeld in artikel 35d, eerste lid, onderdeel b, van de wet en die medegerechtigdheid betrekking heeft op een onderneming die direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de erflater, onderscheidenlijk de schenker, medegerechtigde werd voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven: indien de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet zoals dat artikel luidde op het moment van het worden van medegerechtigde vormde, waarbij die periode wordt berekend als ware het moment van overlijden, onderscheidenlijk schenken, het moment waarop de erflater, onderscheidenlijk de schenker, medegerechtigde werd;
- d.
ingeval de erflater of schenker direct of indirect een aanmerkelijk belang houdt in een lichaam dat in het kader van een aandelenfusie aandelen of winstbewijzen heeft verkregen, dat in het kader van een bedrijfsfusie bezittingen en schulden heeft verkregen of dat in het kader van een juridische fusie of juridische splitsing vermogen onder algemene titel heeft verkregen: indien de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, na die fusie of splitsing dat aanmerkelijk belang houdt en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, voor die fusie of splitsing direct of indirect een aanmerkelijk belang hield in het lichaam waarin het verkrijgende lichaam in het kader van die aandelenfusie aandelen of winstbewijzen heeft verkregen, waarvan in het kader van die bedrijfsfusie bezittingen en schulden zijn verkregen, onderscheidenlijk waarvan in het kader van die juridische fusie of juridische splitsing vermogen onder algemene titel is verkregen, tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt, mits genoemde aanmerkelijk belangen via dezelfde soort vermogensbestanddelen werden gehouden;
- e.
ingeval de erflater of schenker indirect een aanmerkelijk belang houdt in een lichaam dat eerder is gekocht van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, of van een lichaam waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, direct of indirect een aanmerkelijk belang hield: indien de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, het indirecte aanmerkelijk belang in het gekochte lichaam houdt en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, voor de koop direct of indirect een aanmerkelijk belang in dat lichaam hield tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;
- f.
ingeval de erflater of schenker gedurende de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, aanmerkelijkbelanghouder is van aandelen of winstbewijzen en het lichaam waarop die vermogensbestanddelen betrekking hebben in die periode dezelfde soort vermogensbestanddelen aan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, uitgaf: ten aanzien van de uitgegeven vermogensbestanddelen;
- g.
ingeval de erflater of schenker aanmerkelijkbelanghouder is van preferente aandelen als bedoeld in artikel 35c, vierde lid, van de wet: indien de erflater, onderscheidenlijk de schenker, direct voorafgaand aan de omzetting, bedoeld in dat lid, de omgezette gewone aandelen ten minste hield gedurende de aaneengesloten periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, waarbij die periode berekend wordt als ware het moment van overlijden, onderscheidenlijk van schenken, het moment van die omzetting;
- h.
ingeval de erflater of schenker resultaat uit een werkzaamheid geniet met betrekking tot een onroerende zaak en de onroerende zaak eerder deel uitmaakte van een voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, gedreven onderneming: indien de periode van het genieten van resultaat uit die werkzaamheid en de periode van ondernemerschap tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;
- i.
ingeval de erflater of schenker als gevolg van een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of een verdeling van de huwelijksgemeenschap binnen twee jaar na de ontbinding van die huwelijksgemeenschap een belang heeft verkregen via vermogensbestanddelen ten aanzien waarvan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, aanmerkelijkbelanghouder is of via een onroerende zaak ten aanzien waarvan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, resultaat uit een werkzaamheid geniet: indien de periode dat de erflater, onderscheidenlijk de schenker, na die overgang, onderscheidenlijk die verdeling, ten aanzien van dat ondernemingsvermogen aanmerkelijkbelanghouder is of resultaat uit een werkzaamheid geniet en de periode waarin de echtgenoot, onderscheidenlijk de voormalige echtgenoot, van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, ten aanzien van dat ondernemingsvermogen aanmerkelijkbelanghouder was, onderscheidenlijk resultaat uit een werkzaamheid genoot, tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;
- j.
ingeval ondernemingsvermogen door toepassing van artikel 12 van de wet geacht wordt krachtens erfrecht door overlijden van de erflater te zijn verkregen: indien de erflater op het moment van schenking voldoet aan de voor de erflater geldende periode, bedoeld in artikel 35d van de wet.
2.
Ingeval de erflater of schenker of het lichaam waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, een aanmerkelijk belang heeft, in geval van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 ophoudt winst te genieten uit een onderneming en de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen of de waarde van de in het kader van dat overheidsingrijpen verkregen vergoeding voor zover deze vergoeding niet in de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen is begrepen binnen de termijn, bedoeld in artikel 3.54, vijfde lid, van die wet, geheel of gedeeltelijk wordt geherinvesteerd in een onderneming waaruit de erflater , de schenker, onderscheidenlijk dat lichaam, winst geniet, wordt aan de periode, bedoeld in artikel 35d, van de wet, mede voldaan indien de periode waarin eerstgenoemde onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk van de schenker, onderscheidenlijk door dat lichaam, wordt gedreven en de periode na herinvestering in een andere onderneming die voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk van de schenker, onderscheidenlijk door dat lichaam, wordt gedreven tezamen ten minste een periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt.
3.
Indien de waarde van de onderneming direct na het moment van de laatste herinvestering hoger is dan de waarde van de totale herinvestering, is het tweede lid uitsluitend op een deel van de waarde van de onderneming van toepassing. Dit deel wordt berekend door de waarde van de onderneming op het moment dat het tweede lid wordt toegepast te vermenigvuldigen met het quotiënt van het bedrag of de waarde van de totale herinvestering en de waarde van de onderneming direct na het moment van de laatste herinvestering.
4.
Met betrekking tot ondernemingsvermogen dat de erflater krachtens erfrecht of schenking heeft verkregen en waarop hoofdstuk IIIA van de wet ten aanzien van de erflater van toepassing is geweestof toegepast had kunnen worden, wordt de erflater steeds geacht te voldoen aan de voorwaarde van de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet.
5.
Bij verkrijging door vervulling van een opschortende voorwaarde die aansluit bij een ontbindende voorwaarde ten aanzien van een eerdere verkrijging door een bezwaarde, kan voor de toepassing van artikel 35d van de wet die bezwaarde als erflater of schenker worden aangemerkt.
6.
Het slot van artikel 35d, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op de toename van het belang, bedoeld in dat slot, van de erflater of schenker die voortvloeit uit een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht als bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, voor zover het belang van de echtgenoot tussen de start van de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, en die overgang niet is toegenomen.
7.
Het slot van artikel 35d, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op de toename van het belang, bedoeld in dat slot, van de erflater of schenker die voortvloeit uit een verdeling van een huwelijksgemeenschap binnen twee jaar na de ontbinding van die huwelijksgemeenschap, voor zover het belang dat direct voorafgaand aan die verdeling tot de onverdeelde huwelijksgemeenschap behoorde tussen de start van de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, en die verdeling niet is toegenomen.
De eerste zin vindt geen toepassing indien de overgang krachtens huwelijksvermogensrecht plaatsvond binnen de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, behalve voor zover het belang wordt toegedeeld aan degene van wiens zijde het belang in de huwelijksgemeenschap is gevallen.
8.
Het slot van artikel 35d, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op de toename van het belang, bedoeld in dat slot, van de erflater door de verkrijging van het ondernemingsvermogen, bedoeld in het vierde lid.