Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/11.1:11.1 Inleiding
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/11.1
11.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248549:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorjaar van 2019 besteedde het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken in een themanummer uitgebreid aandacht aan burgerparticipatie en democratische vernieuwing op lokaal niveau. In vrijwel alle bijdragen werd ervoor gepleit de geïnstitutionaliseerde lokale democratie zo te wijzigen dat burgers meer zeggenschap zouden krijgen over hun directe leefomgeving en over de beleidskeuzes die daarop van invloed waren. Wel bestond er verschil van inzicht over de vraag of deze wijzigingen gezien moesten worden als een aanpassing of een aanvulling van de lokale democratie. Dubbelboer bijvoorbeeld stelde dat ‘de representatieve democratie minder dominant [moet] worden’ en dat ‘de gemeenteraad zeggenschap [moet] overdragen’.1 In combinatie met zijn pleidooi voor de invoering van bindende referenda wijst dat duidelijk op een aanpassing van de lokale democratie. Andere bijdragen zagen burgerparticipatie eerder als een aanvulling op de lokale democratie. Nadat zij voor een verbinding tussen de politieke en maatschappelijke democratie hadden gepleit, schreven bijvoorbeeld Van Zuylen en Steur dat ‘de gemeenteraad alleen zijn rol als belangrijkste orgaan kan nemen als er sprake is van een vitale maatschappelijke democratie’.2
In een reactie op het themanummer uitten Hurenkamp en Tonkens stevige kritiek op wat zij beschreven als het ‘geloof in de goedheid van participatie’ dat uit de bijdragen in het themanummer naar voren komt.3 Zij merken op dat steeds wanneer blijkt dat participatie in de praktijk tegen bepaalde problemen aanloopt, de richting waarin de oplossing gezocht wordt hetzelfde is: er moet meer participatie komen. Het probleem daarvan is dat er bijna nooit wordt gereflecteerd op de redenen waarom participatie in de praktijk niet altijd werkt. De methoden van participatie worden niet geanalyseerd, waardoor ook niet vast kan komen te staan of de problemen geadresseerd worden waarvoor burgerparticipatie in eerste instantie als oplossing werd gezien. Hurenkamp en Tonkens pleitten er daarom voor beter te onderzoeken wat wel werkt en wat niet en ook waarom iets wel of niet werkt. Dat zou de discussie over burgerparticipatie en democratische vernieuwing verder moeten helpen omdat het betrokkenen in staat stelt met elkaar in gesprek te gaan op basis van argumenten in plaats van geloof.
Het door Hurenkamp en Tonkens beschreven probleem dat burgerparticipatie automatisch als iets goeds wordt gezien, doet zich in een andere gedaante ook voor in de discussies die aanleiding waren voor dit onderzoek. Een enkele uitzondering daargelaten, worden initiatieven die de lokale democratie willen hervormen stelselmatig aangeduid als een aanvulling op de reeds geïnstitutionaliseerde lokale democratie. Het probleem daarvan is niet dat voorstanders daarvoor geen argumenten aangedragen. Dat doen ze namelijk wel: voorstanders wijzen er bijvoorbeeld op dat de initiatieven kunnen leiden tot een groter gevoel van eigenaarschap, tot een toename van de legitimiteit van beslissingen en dat ze ervaringsdeskundigheid kunnen inbrengen in het besluitvormingsproces. Het probleem is dat voorstanders alleen de voordelen benoemen van de initiatieven terwijl de potentiële nadelige gevolgen ervan voor de geïnstitutionaliseerde lokale democratie onderbelicht blijven. Er gaat in de betogen van voorstanders nauwelijks aandacht uit naar de vraag of initiatieven effect hebben op de normen en waarden van de lokale democratie die in wet- en regelgeving zijn vastgelegd en, zo ja, welk effect dan. Dit onderzoek is bedoeld om dit gat in onze kennis deels te dichten en om argumenten te leveren zodat de discussie over democratische vernieuwing beter beredeneerd kan worden gevoerd.