Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/1.2.c
1.2.c Deelvragen, nadere afbakening en plan van behandeling
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS603452:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 3.2b.
Gerards 2012, p. 29.
Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie bevat niet een afzonderlijk recht op beroep; zie evenwel over effectieve remedies in het EU-recht en het (toekomstige) belang van rechtsmiddelen in dat verband Caianiello 2016.
Dat beginsel heeft betrekking op de problematiek van terugwijzing in hoger beroep, zie de overzichtsnoot van Reijntjes onder HR 7 juni 2005, NJ 2005/426; zie ter vergelijking over Belgisch civiel recht Broeckx 1995, p. 413-425; en voorts enkele bijdragen aan Happé e.a. 2003 in het boekdeel ‘De reikwijdte van het beginsel van twee feitelijke instanties’.
Paragraaf 4.2c.
Contourennota Modernisering Strafvordering 2015b, p. 116.
De hoofdvraag kan worden opgeknipt in drie deelvragen. Omdat de hoofdstukindeling sterk aan deze deelvragen is verbonden, wordt bij de bespreking van de deelvragen meteen een plan van behandeling uiteengezet.
Deelvraag 1) wat is de betekenis van het begrip verlofstelsel?
Deze eerste deelvraag stelt het centrale onderwerp van dit boek aan de orde. In hoofdstuk 2 wordt nagegaan welke definities van het begrip verlofstelsel in de Nederlandse literatuur zoal zijn gegeven. In dit hoofdstuk zal blijken dat over de betekenis van het begrip verlofstelsel aanzienlijke verschillen van opvatting bestaan. Mijn indruk is niettemin dat de discussie over verlofstelsels steeds scharniert om één of meer van de volgende drie verlofachtige aspecten van beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep. Het eerste aspect is inhoudelijke toegangsbeoordeling. Hiervan is sprake als de beroepsrechter ter beoordeling van de toegang tot beroep moet anticiperen op de inhoudelijke vraag of de bestreden uitspraak in stand kan blijven. Ten tweede worden verlofstelsels vaak in verband gebracht met vrije toegangsbeoordeling. Daarvan is sprake als de beroepsrechter een grote mate van vrijheid heeft om de toegang tot beroep te verlenen dan wel te weigeren, kortom zelf daarover te beslissen. De derde verlofachtige vorm van toegangsbeoordeling is afgescheiden toegangsbeoordeling. Hiervan is sprake als het onderzoek van de beroepsrechter naar de ontvankelijkheid van het beroep in meer of mindere mate is gedifferentieerd van het ‘reguliere’ onderzoek naar de vraag of de bestreden uitspraak in stand moet blijven dan wel welke beslissing over de tenlastelegging moet worden genomen. In hoofdstuk 2 stel ik voor het begrip verlofstelsel te definiëren in termen van inhoudelijke, vrije en afgescheiden toegangsbeoordeling. De hoofdvraag van dit onderzoek gaat zo bezien niet over één onderwerp – verlofstelsels – maar over drie vormen van verlofbeoordeling. In hoofdstuk 2 kies ik er evenwel voor het woord ‘verlofstelsel’ toch te blijven gebruiken.
Deelvraag 2) in hoeverre zijn verlofstelsels in gewone rechtsmiddelen in strafzaken met het oog op voor Nederland relevante fundamentele verdragsrechten toelaatbaar?
Dat de mensenrechtelijke ruimte voor verlofstelsels niet onbegrensd is, blijkt reeds uit de aangehaalde veroordelingen van Nederland voor toepassing van artikel 410a Sv. Aan de hand van de tweede deelvraag wordt het verdragsrechtelijke kader uitgebreider en algemener verkend en geanalyseerd. Gelet op het voorgaande is de vraag of onder het verdragsrecht toelaatbaar is dat (i) de toegang tot beroep mede wordt beoordeeld op grond van een prognose van de slagingskans van het beroep; (ii) dat de toegang tot beroep zeer vrij wordt beoordeeld aan de hand van open toegangsvoorwaarden; en (iii) dat de toegang tot beroep wordt beoordeeld binnen een afgescheiden procedureel kader. De hiertoe behandelde verdragsbepalingen en daaraan gegeven uitleg door de toezichthoudende organen worden in dit boek beschouwd als positiefrechtelijk gegeven. Uitgebreide problematisering van de verdragsbepalingen zelf of het stelsel van toezicht daarop blijft achterwege.
De tweede deelvraag valt in twee onderdelen uiteen. In hoofdstuk 3 staat het recht op review van een veroordeling uit artikel 14 lid 5 IVBPR en artikel 2 Zevende Protocol EVRM en centraal (hierna ook: (mensen)recht op beroep). Met opzet in de tweede deelvraag gesproken van ‘voor Nederland relevante’ en niet van ‘voor Nederland geldende’ fundamentele verdragsrechten. Het Zevende Protocol EVRM is namelijk niet door Nederland geratificeerd, maar de intentie dat te doen is wel herhaaldelijk geuit en goedkeuringsstukken zijn al enige tijd in voorbereiding.1 Ook het recht op beroep uit artikel 2 Zevende Protocol (2P7) EVRM wordt daarom in het onderzoek betrokken. In hoofdstuk 4 komt vervolgens het mensenrecht op een eerlijk proces aan bod. De behandeling van dit recht is hoofdzakelijk gericht op analyse van de in Nederland meest ingeroepen en toegepaste bepaling, namelijk artikel 6 EVRM.2
Andere bronnen van fundamentele rechten dan de genoemde verdragsrechten blijven in dit boek buiten beschouwing. De Nederlandse Grondwet bevat vooralsnog geen recht op een eerlijk proces, en de eerste plannen voor een dergelijke Grondwetsbepaling geven geen aanleiding tot uitgebreide beschouwingen over dit voorgestelde grondrecht.3 Ook EU-recht blijft buiten beschouwing.4 Verder wordt weliswaar in de Nederlandse rechtspraak het ongeschreven beginsel van berechting in twee feitelijke instanties aan sommige beslissingen ten grondslag gelegd, maar dat beginsel heeft een zeer beperkte werking en is voor dit boek niet relevant.5 Het recht op een effective remedy tegen verdragsschendingen uit artikel 13 EVRM en artikel 2 IVBPR komt zijdelings wel aan bod, maar staat niet als zodanig centraal. Dit recht wordt in beginsel niet toegepast op de schending van mensenrechten door rechters en garandeert voorts niet dat schendingen worden hersteld door gewone rechtsmiddelen als hoger beroep of cassatie.6
Deelvraag 3) in hoeverre voldoen de wettelijke vormgeving en toepassing van verlofstelsels in hoger beroep en cassatie in het Nederlandse strafrecht aan het verdragsrechtelijke kader voor de toelaatbaarheid van verlofstelsels in strafzaken?
De laatste deelvraag richt de aandacht op het Nederlandse strafprocesrecht. Op basis van de begripsbepaling uit hoofdstuk 2 kunnen twee voorzieningen uit het Nederlandse strafproces in elk geval als verlofstelsel worden bestempeld: artikel 410a Sv en artikel 80a RO. Deze artikelen komen aan bod in respectievelijk hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7. Hiernaast bieden nog enkele andere onderdelen van het Nederlandse strafprocesrecht (enige) ruimte voor inhoudelijke, vrije of afgescheiden verlofbeoordeling. Dit geldt in het bijzonder voor de regels over het vereiste dat in hoger beroep en cassatie bezwaren moeten worden ingediend. Voorbeelden zijn de beleidsvrijheid die artikel 416 Sv aan de appelrechter laat indien geen grieven zijn ingediend en de ontvankelijkheidsbeoordeling over schrifturen met middelen door de enkelvoudige kamer in cassatie bedoeld in artikel 440 lid 3 Sv. Het stelsel van regels over het bezwaarvereiste in hoger beroep en cassatie staat in hoofdstuk 5 centraal.
Per hoofdstuk komt aan de orde wat de kenmerken zijn van de drie verlofstelsels en in hoeverre de toepassing ervan binnen de grenzen van het verdragsrecht blijft. Steeds wordt daartoe aandacht besteed aan de ratio, totstandkoming, wettelijke regeling, praktische toepassing en toelaatbaarheid van deze verlofstelsels. Om de vraag naar toelaatbaarheid onder verdragsrecht zo omvattend mogelijk te beantwoorden, staat niet alleen de huidige toepassing van nationaal recht centraal, maar wordt soms ook bezien of ruimere toepassing van toegangsdrempels onder het verdragsrecht acceptabel is.
NB: Ondanks het voornemen om artikel 410a Sv in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering af te schaffen,7 wordt deze bepaling in dit boek toch behandeld. Dit niet alleen omdat het verlofstelsel in hoger beroep nóg niet is afgeschaft, maar ook omdat behandeling van die bepaling duidelijk maakt hoe problematisch een verlofstelsel in hoger beroep kan zijn en welke aspecten van de huidige wettelijke regeling ervan in een eventueel toekomstig verlofstelsel in ieder geval moeten worden vermeden.
Hoofdstuk 8 sluit het boek af met een uiteenzetting van de belangrijkste conclusies en enige reflectie daarop.