Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.6.1
10.6.1 De waarde van kinder- en mensenrechten
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Goldson & Kilkelly 2013, p. 346 en 357.
Vgl. ook Stevens 2012, p. 402-403.
Deze belangen lijken in de rechtspraak van het EHRM doorgaans te worden geschaard onder ‘publieke belangen’ die (mogelijk) worden gediend met voorlopige hechtenis.
Dit geldt te meer nu de positie van het slachtoffer in de afgelopen jaren steeds meer aandacht krijgt in het mensenrechtendiscours. Vgl. de ‘EU Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten’.
Vgl. Resolutie 69/157, ‘Rights of the Child’ (A/RES/69/157), 18 december 2014, par. 52(d). Zie ook de officiële website: www.ohchr.org/EN/HRBodies/CRC/StudyChildrenDeprivedLiberty.
Vgl. Resolutie 71/177, ‘Rights of the Child’ (A/RES/71/177), 19 december 2016, par. 88.
In dit onderzoek is het op voorlopige hechtenis van minderjarigen betrekking hebbende kader van kinder- en mensenrechten als normatief kader gebruikt om de Nederlandse wet en praktijk te analyseren. Nu dit kader bestaat uit standaarden waarover een (vrijwel) universele consensus is bereikt en die voor een groot deel een juridisch bindend karakter hebben voor Staten die zich daaraan hebben gecommitteerd (waaronder Nederland), staat de relevantie van dit kader buiten kijf. Dit betekent echter niet dat er geen kritische vragen kunnen worden opgeworpen ten aanzien van dit kader. Hoewel dit strikt genomen buiten de reikwijdte van het onderhavige onderzoek valt, worden op deze plaats enkele kritische vragen ten aanzien van het kinder- en mensenrechtenkader aangestipt die voortvloeien uit de bevindingen van dit onderzoek en aandacht verdienen in het wetenschappelijke debat en in vervolgonderzoek.
Een vraag die in de literatuur al eerder is opgeworpen, is of de ontwikkeling van de veelheid aan internationale en Europese standaarden die ertoe strekken om het gebruik van vrijheidsbeneming van minderjarigen tot een minimum te beperken wel nut heeft, nu zou blijken dat de retoriek van deze abstracte, idealistische standaarden ver weg staat van de weerbarstige realiteit waarin wereldwijd op elke gegeven dag naar schatting een miljoen kinderen van hun vrijheid zijn beroofd.1 Deze kritiek op het kinder- en mensenrechtendiscours sluit in zekere zin aan bij een opvatting die ook aan het onderhavige onderzoek ten grondslag ligt, namelijk dat fundamentele kinder- en mensenrechten pas echt waarde en betekenis krijgen als deze daadwerkelijk rechtsbescherming bieden aan minderjarigen. Kinder- en mensenrechten weerspiegelen weliswaar de meest fundamentele rechten van kinderen, maar zolang het enkel abstracte beginselen blijven, zal van een beschermende werking de facto nauwelijks sprake zijn. Dit betekent dat kinder- en mensenrechten zich moeten vertalen in concrete rechtswaarborgen die effectief moeten worden geïmplementeerd in de nationale (c.q. lokale) rechtsorde. Het onderhavige onderzoek laat evenwel zien dat een effectieve implementatie van kinder- en mensenrechten een complexe aangelegenheid is, daar dit inspanningen vergt op drie niveaus (lees: wetgeving, beleid en praktijk) en doordat de betekenis en implicaties van kinder- en mensenrechtelijke uitgangspunten voor de betrokken actoren niet altijd eenduidig blijken te zijn en uiteenlopend worden geïnterpreteerd.
Voorts kunnen ook kritische vragen worden opgeworpen ten aanzien van het kinder- en mensenrechtenkader dat specifiek betrekking heeft op de voorlopige hechtenis van minderjarigen. Zo zou de vraag kunnen worden gesteld of dit kader zich niet te eenzijdig richt op het uitgangspunt dat voorlopige hechtenis van minderjarigen een uiterste maatregel moet zijn en slechts voor de kortst mogelijke duur mag worden toegepast. Als het gaat om voorlopige hechtenis, lijkt het kinder- en mensenrechtenkader eerst en vooral oog te hebben voor de eerbiediging van het recht op persoonlijke vrijheid en de onschuldpresumptie en minder voor de vraag welke aanpak mogelijkerwijs het meest effectief is om de doelstellingen van jeugdstrafrechtelijk ingrijpen, zoals neergelegd in artikel 40, eerste lid IVRK, te verwezenlijken (vgl. de spanning tussen ‘welfare’ en ‘justice’; par. 10.6.3). In het verlengde hiervan, kan de vraag worden opgeworpen of het kinder- en mensenrechtendiscours niet het risico loopt dat het de binding met de rechtspraktijk verliest door zo principieel vast te houden aan een terughoudende toepassing van voorlopige hechtenis, enkel op strafvorderlijke gronden, terwijl – zo blijkt uit hoofdstuk 9 – de voorlopige hechtenis in werkelijkheid tal van andere functies vervult in de jeugdstrafrechtspraktijk.2 Verder kan nog de kanttekening worden geplaatst dat het kinder- en mensenrechtenkader inzake de voorlopige hechtenis ogenschijnlijk weinig specifieke aandacht heeft voor het slachtoffer. Het EHRM, het Kinderrechtencomité en het Mensenrechtencomité besteden geen van allen (structureel) expliciet aandacht aan de belangen van het slachtoffer in hun rechtspraak en/of aanbevelingen over de voorlopige hechtenis.3 Dit kan de vraag oproepen of de belangen van het slachtoffer hierin een prominentere positie zouden moeten krijgen.4
Deze vragen geven, zoals gezegd, aanleiding tot debat en vervolgonderzoek, maar verhinderen geenszins dat fundamentele kinder- en mensenrechtelijke uitgangspunten van evident belang zijn voor de rechtsbescherming van minderjarige verdachten in het strafproces, mits deze worden vertaald in concrete rechtswaarborgen en effectief worden geïmplementeerd in de nationale rechtsorde. Het onderhavige onderzoek beoogt hier een bijdrage aan te leveren door middel van de handvatten die zijn aangereikt voor de implementatie van op voorlopige hechtenis betrekking hebbende kinder- en mensenrechtenstandaarden in het Nederlandse jeugdstrafrecht. Hiermee is concreet invulling gegeven aan enkele fundamentele kinder- en mensenrechtelijke noties, waaronder het verbod op onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming, het principe van vrijheidsbeneming als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke (passende) duur, het beginsel van proportionaliteit, het recht op een eerlijk proces, het belang van vroegtijdig ingrijpen en de notie van ‘het belang van het kind’. Met deze juridisch-theoretische verdieping en praktische concretisering van de genoemde kinder- en mensenrechtelijke uitgangspunten, reikt de relevantie van dit onderzoek verder dan enkel de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen in Nederland. Een dergelijke verdieping en concretisering geeft waarde en betekenis aan deze standaarden en kan bijdragen aan een bredere implementatie daarvan. Deze uitgangspunten hebben immers niet slechts implicaties voor de voorlopige hechtenis van minderjarigen, maar voor de vormgeving en uitvoering van het gehele jeugdstrafrechtsysteem, alsook voor vormen van vrijheidsbeneming van minderjarigen buiten de context van het strafrecht, zoals de plaatsing van minderjarigen in accommodaties voor gesloten jeugdhulp of vreemdelingenbewaring. Deze uitgangspunten gelden bovendien niet alleen voor Nederland, maar voor alle 196 landen die zich hebben geconformeerd aan het Kinderrechtenverdrag (en mogelijk ook aan andere mensenrechtenverdragen).
In dit verband is relevant dat de Secretaris-Generaal van de VN, op mandaat van de Algemene Vergadering, op 25 oktober 2016 een Onafhankelijke Expert heeft aangesteld om leiding te geven aan een ‘Global Study on Children Deprived of Liberty’, waarmee het wereldwijde fenomeen ‘vrijheidsbeneming van kinderen’ in kaart moet worden gebracht.5 De studie moet resulteren in een rapport – dat naar verwachting in september 2018 zal verschijnen – waarin aanbevelingen zullen worden gedaan die Staten moeten bewegen tot de ontwikkeling van wetgeving, beleid en praktijken om, met inachtneming van de internationaal erkende rechten van het kind, vrijheidsbeneming van kinderen zoveel mogelijk te voorkomen door de inzet van effectieve alternatieven, waarbij het ‘belang van het kind’ als belangrijkste leidraad zou moeten gelden.6 Het onderhavige onderzoek onderstreept dat het van groot belang is dat deze ‘Global Study’ niet alleen aandacht besteedt aan regelgeving en beleid, maar ook aan (rechterlijke) besluitvorming over vrijheidsbeneming van kinderen en de vraag wat de implementatie van kinder- en mensenrechten concreet vraagt van besluitvormers in de praktijk. De in dit boek gepresenteerde onderzoeksresultaten bieden hiervoor alvast enkele aanknopingspunten.