HR, 09-09-2011, nr. 10/01419
ECLI:NL:HR:2011:BQ5701
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
09-09-2011
- Zaaknummer
10/01419
- Conclusie
Mr. De Vries Lentsch-Kostense
- LJN
BQ5701
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BQ5701, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 09‑09‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ5701
ECLI:NL:PHR:2011:BQ5701, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑05‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ5701
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑09‑2011
9 september 2011
Eerste Kamer
10/01419
RM/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
TOTAAL BEVEILIGINGS MANAGEMENT (TBM) B.V.,
gevestigd te Deventer,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
ARBO UNIE B.V.,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als TBM en Arbo Unie.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 281194 CV 05-2185 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 december 2005 en 15 juni 2006;
b. de arresten in de zaak 104.002.642 van het gerechtshof te Arnhem van 28 oktober 2008, 31 maart 2009 en 15 december 2009.
Het arrest van het hof van 15 december 2009 is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen laatstgenoemd arrest van het hof heeft TBM beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Arbo Unie is verstek verleend.
De zaak is voor TBM toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art 81 RO.
De advocaat van TBM heeft bij brief van 26 mei 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt TBM in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Arbo Unie begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 september 2011.
Conclusie 13‑05‑2011
Mr. De Vries Lentsch-Kostense
Partij(en)
Conclusie inzake
Totaal Beveiligingsmanagement B.V.
tegen
Arbo Unie B.V.
Inleiding
1.
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie nu de aangevoerde cassatieklachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.
Het gaat in cassatie om de reconventionele vordering van eiseres tot cassatie, verder: TBM, tot veroordeling van verweerster in cassatie, verder: Arbo Unie, tot betaling van een bedrag van € 4.950,- (bij akte voorwaardelijk vermeerderd tot een bedrag van € 24.000,- met wettelijke rente).
3.
De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft bij vonnis van 15 juni 2006 deze reconventionele vordering van TBM afgewezen.
Op het door TBM ingestelde hoger beroep (Arbo Unie is in appel niet verschenen) heeft het hof Arnhem bij eindarrest van 15 december 2009 het vonnis in reconventie bekrachtigd op grond van de volgende overwegingen.
Het hof heeft — in rov. 2.9 — vooropgesteld dat TBM aan haar reconventionele vordering ten grondslag heeft gelegd dat Arbo Unie wanprestatie heeft gepleegd bestaande uit — kort gezegd — ‘het niet consequent handelen, behandelen, afhandelen’ van de verzuimbegeleiding door Arbo Unie met betrekking tot [betrokkene 1] en ‘het niet willen communiceren’ van Arbo Unie met TBM. Vervolgens overwoog het hof in rov. 2.10:
‘2.10.
Vast staat dat (een rechtsvoorganger van) TBM en Arbo Unie op 20 maart 1996 een overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot arbodienstverlening en verzuimbegeleiding en dat TBM in dat verband in februari 1999 schriftelijk opdracht aan Arbo Unie heeft gegeven om het verzuim van [betrokkene 1] te begeleiden. Gelet hierop en behoudens bijzondere omstandigheden, die gesteld noch gebleken zijn, is het hof van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat Arbo Unie zonder overleg tot verzuimbegeleiding is overgegaan.’
Daarop heeft het hof — in rov. 2.11 — vastgesteld dat Arbo Unie op 27 maart 2000 een voorlopig re-integratieplan met betrekking tot [betrokkene 1] heeft opgesteld en dat zij bij brief van 12 juli 2002 het volledige re-integratieplan aan TBM heeft toegezonden, dat TBM op verzoek van Arbo Unie de voor haar bestemde vragen heeft ingevuld en het plan (op 14 augustus 2002) heeft ondertekend, dat genoemd plan de afsluiting van het begeleidingstraject betrof en (naar het hof aanneemt: mede) in verband met de rapportageverplichtingen aan de uitkeringsinstantie is opgesteld. Het hof heeft geoordeeld — eveneens in rov. 2.9 — dat gelet hierop en in het licht van de door TBM aan Arbo Unie verstrekte opdracht evenmin kan worden aangenomen dat Arbo Unie zonder noodzaak tot (de uitvoering van de) verzuimbegeleiding is overgegaan. Het hof heeft daaraan toegevoegd het niet van belang te achten dat [betrokkene 1] kennelijk in diezelfde periode ook onder controle van het GAK stond.
Het hof heeft — in rov. 2.12. — geoordeeld dat TBM haar stelling dat Arbo Unie ‘onjuist heeft gehandeld’ (zoals in rov. 2.9 nader omschreven) onvoldoende heeft toegelicht. Het enkele feit dat TBM het niet eens was met de door [betrokkene 2] vastgestelde mate van arbeids(on)geschiktheid van [betrokkene 1] biedt geen, althans onvoldoende, grond voor de door TBM gestelde wanprestatie door Arbo Unie aangezien het hier immers bij uitstek een medische beoordeling betreft. Aldus het hof.
4.
TBM heeft — tijdig — cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het hof. Arbo Unie is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. TBM heeft de zaak schriftelijk toegelicht. De raadsman van TBM heeft bij brief van 21 maart 2011 het door haar gefourneerde procesdossier desgevraagd aangevuld.
Het cassatiemiddel
5.
Het cassatiemiddel richt zich tegen rov. 2.10 (hiervoor geciteerd) van 's hofs eindarrest in samenhang met de slotzin in rov. 2.11 van dat arrest (‘Het Hof acht niet van belang dat [betrokkene 1] kennelijk in diezelfde periode ook onder controle van het GAK stond.’). Het middel klaagt dat het hof de omstandigheid dat [betrokkene 1] in de bewuste periode ook onder controle van het GAK stond ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, nu het springende punt in deze is — aldus het middel — dat de artsen van het GAK [betrokkene 1] hebben goedgekeurd, en dat artsen van het GAK [betrokkene 1] arbeidsongeschikt hebben geacht. Het middel verwijst hierbij naar enkele stellingen in de memorie van grieven. Volgens het middel had [betrokkene 1] na zijn goedkeuring gewoon aan het werk moeten gaan en heeft TBM ten onrechte zijn werkkracht, en daarmee omzet gemist. Waar de keuringsarts hem had goedgekeurd had de Arbo Unie dat oordeel moeten volgen omdat het GAK de bevoegde instantie was. En door dat niet te doen heeft de Arbo Unie wanprestatie jegens TBM gepleegd. Aldus het middel.
6.
Voor zover het middel al voldoet aan de door art. 407 lid 2 Rv. gestelde eisen van precisie en bepaaldheid, faalt het. Ik licht dit als volgt toe.
Het hof heeft in zijn door het middel gewraakte rov. 2.10 geoordeeld dat vaststaat dat (een rechtsvoorganger van) TBM en Arbo Unie op 20 maart 1996 een overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot arbodienstverlening en verzuimbegeleiding en dat TBM in dat verband schriftelijk in februari 1999 opdracht aan Arbo Unie heeft gegeven om het verzuim van [betrokkene 1] te begeleiden. Gelet hierop en behoudens bijzondere omstandigheden, die gesteld noch gebleken zijn, kan — aldus het hof in rov. 10 — niet worden aangenomen dat Arbo Unie zonder overleg tot verzuimbegeleiding is overgegaan. Tegen de achtergrond van de — in cassatie onbestreden — door het hof vastgestelde feiten, valt niet in te zien om welke reden de omstandigheid dat [betrokkene 1] kennelijk in diezelfde periode onder controle stond van het GAK in dit kader een bijzondere omstandigheid is waaraan het hof niet had mogen voorbijgaan bij de beoordeling van de reconventionele vordering nu die omstandigheid niet kan afdoen aan 's hofs oordeel dat niet kan worden aangenomen dat Arbo Unie zonder overleg tot verzuimbegeleiding is overgegaan.
Ten overvloede merk ik nog op dat het hof in rov. 2.11 oordeelt dat evenmin kan worden aangenomen dat Arbo Unie zonder noodzaak tot (de uitvoering van de) verzuimbegeleiding is overgegaan. Het hof acht in dit kader niet van belang dat [betrokkene 1] kennelijk in diezelfde periode ook onder controle van het GAK stond. Nu het hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld dat a) TBM opdracht tot verzuimbegeleiding heeft verstrekt aan Arbo Unie en, b) het (bij brief van 12 juli 2002 aan TBM toegezonden) volledige re-integratieplan de afsluiting van het begeleidingstraject betrof en, zoals is vermeld in de eerste alinea van de eerdergenoemde brief van 12 juli 2002, (naar het hof aanneemt: mede) in verband met de rapportageverplichtingen aan de uitkeringsinstantie is opgesteld, is 's hofs oordeel in rov. 2.11 niet onjuist of onbegrijpelijk.
Ik teken voorts nog aan dat in cassatie geen (specifieke) klachten zijn gericht tegen rov. 2.12 waarin het hof heeft geoordeeld dat TBM haar stelling dat Arbo Unie ‘onjuist heeft gehandeld’, zoals in rov. 2.9 nader omschreven, onvoldoende heeft toegelicht. Het hof oordeelde in dat verband — eveneens in cassatie onbestreden — dat het enkele feit dat TBM het niet eens was met de door [betrokkene 2] vastgestelde mate van arbeids(on)geschiktheid van [betrokkene 1] geen, althans onvoldoende grond biedt voor de door TBM gestelde wanprestatie door Arbo Unie. Het hof tekende daarbij aan dat het hier immers bij uitstek een medische beoordeling betreft.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.