HR, 22-01-2016, nr. 15/02550
ECLI:NL:HR:2016:81
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-01-2016
- Zaaknummer
15/02550
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑01‑2016
ECLI:NL:HR:2016:81, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑01‑2016; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2015:2283, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
BNB 2016/125 met annotatie van R.F.C. SPEK
NLF 2017/0132
NTFR 2016/599 met annotatie van mr. J. Rolleman
FutD 2016-0175
Viditax (FutD) 2016012201
Beroepschrift 22‑01‑2016
Edelhoogachtbare heer/vrouwe,
Bij mijn brief van 4 juni jl. heb ik namens [x] B.V. (hierna: belanghebbende) te [Z] een beroepschrift in cassatie ingediend tegen de schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2015, kenmerk BK/BK-AMS 13/00734 tot en met 13/00738 op het beroep van de Belastingdienst gericht tegen de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 21 oktober 2013, nr. AWB 13/2274 tot en met AWB 13/2278, gedaan op het beroepschrift van belanghebbende tegen de uitspraak van de Belastingdienst op het bezwaarschrift tegen de opgelegde naheffingsaanslagen loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2011.
Bij uw brief van 9 juni jl. heeft u mij uitstel verleend voor de indiening van mijn bezwaren tegen de in cassatie bestreden uitspraak tot uiterlijk 21 juli a.s. Hieronder draag ik mijn cassatiemiddel voor, geef ik hierop een toelichting en kom vervolgens tot een conclusie.
Cassatiemiddel
Als middel van cassatie draag ik voor:
1.
Schending van het Nederlands recht, met name artikel 29 van de AWR en artikel 8:77 van de AWB, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming leidt tot nietigheid, omdat het Gerechtshof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans met een motivering welke onbegrijpelijk is, heeft geoordeeld dat de door het Gerechtshof veronderstelde opvatting van belanghebbende onjuist is, terwijl het Gerechtshof over de daadwerkelijke opvatting van belanghebbende niet heeft geoordeeld.
2.
Schending van het Nederlands recht, met name artikel 29 AWR en artikel 8:77 van de AWB, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming leidt tot nietigheid, omdat het Gerechtshof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering, welke ontbreekt, heeft geoordeeld dat — onder meer — [A] over de auto kon beschikken.
3.
Schending van het Nederlands recht, in het bijzonder art. 2, art. 6 en art. 13bis Wet op de Loonbelasting 1964, nu het Gerechtshof kennelijk heeft geoordeeld dat belanghebbende en [A] voor het antwoord op de vraag of belanghebbende de auto aan [A] ter beschikking heeft gesteld, met elkaar vereenzelvigd dienen te worden.
Toelichting op het cassatiemiddel
Mijn grieven zal ik hierna afzonderlijk toelichten.
1. De motivering van het Gerechtshof is onbegrijpelijk
Bij de beoordeling van het geschil overweegt het Gerechtshof in r.o. 4.4.2:
‘Belanghebbende beroept zich op de eerste zin van het hiervoor opgenomen citaat, omdat daarin is vermeld dat onder ‘ter beschikking gesteld hebben gekregen’ het mogen gebruiken van een auto voor zakelijke doeleinden en privédoeleinden wordt verstaan.’
Vervolgens oordeelt het Gerechtshof hierover in r.o. 4.4.3:
‘Naar het oordeel van het Hof is de opvatting van belanghebbende dat eerst van terbeschikkingstelling in de zin van artikel 13bis van de Wet sprake is, indien aannemelijk is gemaakt dat de auto ook voor privé-doeleinden mag worden gebruikt, niet juist.’
Wrang is dat niet belanghebbende het door het Gerechtshof bedoelde citaat in haar standpunt heeft opgenomen, maar juist de Belastingdienst. Ik moge u verwijzen naar het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, waarin de Belastingdienst op de eerste pagina citeert uit de kamerstukken (MvT):
‘Onder het ter beschikking gesteld hebben gekregen, wordt verstaan het mogen gebruiken van een auto voor zakelijke (inclusief woon-werkverkeer) en privé-doeleinden, waarbij normaliter alle kosten, lasten en afschrijvingen voor rekening komen van degene die de auto ter beschikking stelt.’
Belanghebbende heeft dit standpunt nooit ingenomen. In de pleitnota van de zitting van 29 april jl. heb ik slechts naar dit standpunt van de Belastingdienst verwezen (blad 1, punt 2). Ik reageer daar op een zestal punten uit het beroepschrift, waarbij ik op punt 2 als volgt heb gereageerd:
‘… nu immers in geschil is of de auto zakelijk ter beschikking staat.’
Uit mijn reactie blijkt genoegzaam dat ik het zelf nooit over ‘privédoeleinden’ heb gehad.
Dat het Gerechtshof constateert dat belanghebbende zich op het door het Gerechtshof genoemde standpunt beroept is dan ook onbegrijpelijk.
Het standpunt van belanghebbende luidt als volgt.
De brief van mijn kantoor van 14 mei 2012 aan de controleur van de Belastingdienst vermeldt reeds:
‘De andere auto heeft niet ter beschikking gestaan aan [A] en/of medewerker(s) van deze (en/of gelieerde) vennootschap(pen).’
In het beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar motiveer ik (Motivering, punt 1., eerste alineablok):
‘Voor het ter beschikking staan aan iemand van de auto is vereist dat iemand, met uitsluiting van anderen kan verkiezen met deze auto te rijden. Daarvan is bij inhoudingsplichtige nooit sprake geweest. De auto heeft uitsluitend aan inhoudingsplichtige zelf ter beschikking gestaan. Op aanwijzingen cq. in opdracht van inhoudingsplichtige hebben directie en personeelsleden afwisselend van de auto gebruik gemaakt.
Van het feitelijk ter beschikking staan aan inhoudingsplichtige is sprake indien [X] BV de voortdurende controle heeft over het voertuig en het ter beschikking stellen aan werknemers slechts onder zodanig strikte voorwaarden geschiedt, dat die werknemers het voertuig niet (of nauwelijks) kunnen gebruiken voor andere dan zakelijke doeleinden.’
De Rechtbank heeft belanghebbende vervolgens in het gelijk gesteld. In het aan het Gerechtshof gezonden verweerschrift neemt belanghebbende als standpunt in (pagina 1):
‘Vertrekpunt is de naar onze mening correcte uitspraak van Rechtbank Noord-Holland.’
en op pagina 2:
‘Voor een uiteenzetting van wat wij begrijpen onder ‘ter beschikking staan’ verwijzen wij naar ons beroepschrift gericht aan de Rechtbank Noord-Holland, met name punt 1., eerste alineablok van onze motivering.’
In mijn pleidooi voor het Gerechtshof heb ik gesteld (pleitnota blad 1, derde alineablok):
‘Belanghebbende hanteert een specifieker begrip ‘ter beschikking staan’. Van meet af aan heeft belanghebbende betoogt dat van ter beschikking stellen pas sprake is als een personeelslid zelf de beschikkingsmacht krijgt over de auto — met uitsluiting van anderen — om zelf te bepalen of en zo ja welke rit dat personeelslid daarmee wil maken. Dat kan zelfs om uitsluitend zakelijke ritten gaan.’
Naar mijn mening kan er geen twijfel bestaan over het standpunt dat belanghebbende in deze procedure inneemt. Ik herhaal dat het onbegrijpelijk is dat het Gerechtshof een andersluidend standpunt aan belanghebbende heeft toegedicht.
Na de motiveringsgebreken in r.o. 4.4.2 en r.o. 4.4.3 vervolgt het Gerechtshof in r.o. 4.4.4:
‘Het hiervoor overwogene houdt in cursivering mijnerzijds) dat de inspecteur heeft kunnen volstaan met het aannemelijk maken dat de auto aan één of meer werknemers van belanghebbende ter beschikking is gesteld.’
Doordat het Gerechtshof tot haar in 4.4.4 opgenomen rechtsoverweging komt op grond van haar eerdere overwegingen, wordt — nu die eerdere overwegingen onbegrijpelijk zijn — ook r.o. 4.4.4 onbegrijpelijk. Dit geldt onverkort voor r.o. 4.4.5.
2. Het Gerechtshof heeft haar vaststelling dat de auto door [A] kon worden gebruikt voor zijn werkzaamheden onvoldoende gemotiveerd
2.1
Het Gerechtshof geeft niet aan waaruit blijkt dat het gebruiksrecht van [A] ‘niet in geschil is’ Het Gerechtshof overweegt in r.o. 4.4.4 verder dat:
‘… niet in geschil is dat de auto — onder meer — door [A] kon worden gebruikt ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden van belanghebbende en daarvoor ook werd gebruikt.’
Dat ‘niet in geschil is’ dat de auto ‘onder meer door [A]’ kon worden gebruikt is apert onjuist. Dit is nu juist wel in geschil. Ik verwijs naar mijn motivering in het beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar, welke hiervoor reeds is geciteerd (pagina 3, tweede citaat).
Het Gerechtshof geeft geen inzicht in de motivering van haar constatering, waaruit kan worden afgeleid dat het voorgaande ‘niet in geschil is’.
2.2
Het Gerechtshof motiveert onvoldoende waaruit blijkt dat [A] de auto kon gebruiken [A] heeft tijdens de zitting voor het Gerechtshof verklaard:
‘Op uw vraag wie gemachtigd was om over de sleutel van de auto te beschikken — welke sleutel op kantoor in een kluis lag — antwoord ik dat [C] een werknemer van een van de dochtermaatschappijen de meeste controle over de sleutel had. U verwijst naar mijn positie als bestuurder van belanghebbende. Als ik zou willen kon ik ook over de sleutel beschikken.’
Het Gerechtshof heeft uit de verklaring van [A] kennelijk begrepen dat de auto door hem kon worden. gebruikt ten behoeve van zijn werkzaamheden. Dit is echter zonder nadere motivering onbegrijpelijk en zal ik hierna toelichten.
Inhoudingsplichtige is degene die bepaalt aan welke werknemer voor welke zakelijke rit de auto mag worden gebruikt. Daarbij heeft [A] geen enkele prioriteit boven andere werknemers. Een van de uitgangspunten is daarbij namelijk dat als er relaties meerijden, inhoudingsplichtige opdracht geeft om de in dit geding bedoelde Mercedes daarvoor te gebruiken. De auto moest daarvoor ook altijd beschikbaar zijn. Ik verwijs u naar het proces verbaal van de zitting van Rechtbank Noord-Holland, waar belanghebbende verklaard heeft:
‘Om die reden is de auto aangeschaft; een Mercedes ML500 biedt comfort en is daarom uitermate geschikt om klanten in te vervoeren.’
De gewraakte opmerking (‘als ik zou willen kon ik ook over de sleutel beschikken’) is door [A] gemaakt in zijn hoedanigheid van directeur, zowel als aandeelhouder. Vanuit die posities heeft [A] de algehele zeggenschap over belanghebbende. Uit dien hoofde zou hij dan ook, als hij dat zou willen, de bevoegdheid van [C] kunnen intrekken om vervolgens over de sleutel van de auto te kunnen beschikken. Louter als werknemer heeft [A] echter niet de beschikkingsmacht over de sleutel en kan hij slechts in opdracht van belanghebbende onderhavige Mercedes voor een specifieke rit gebruiken.
Vergelijken wij de positie van [A] met de positie van de directeur/enig certificaathouder in de procedure ECLI:NL:HR:2015:1360, dan constateren wij dat laatstgenoemde niet in een andere positie verkeerde dan [A] Ook hij kon als directeur van het concern — als hij dat gewild zou hebben — beschikken over de sleutels in het sleutelkastje. In r.o. 4.5 van de Hofuitspraak bij genoemd arrest (ECLI:NL:GHARL:2013:6629) staat:
‘Aan het onder 4.4. gegeven oordeel kan niet afdoen dat (…) er geen of ontoereikend toezicht op het gebruik van de sleutels van de auto's was doordat sleutelprocedures en een administratieve vastlegging van het sleutelgebruik ontbraken. Deze omstandigheden, wat daarvan ook zij, zijn naar het oordeel van het Hof niet van belang voor het antwoord op de vraag of de auto's aan de werknemers ter beschikking zijn gesteld.’
Dit kan niet anders betekenen dat ook deze directeur, als hij dit vanuit zijn positie van directeur gewild zou hebben, zijn werknemers zou kunnen hebben bewogen om hem desgewenst de sleutel van een van de auto's te overhandigen. Maar ook hier betekent dat niet dat de auto aan de directeur ter beschikking staat en past het niet om een denkbeeldige situatie als feitelijk te veronderstellen.
Nu het Gerechtshof heeft aangenomen dat de auto door [A] kon worden gebruikt heeft het Gerechtshof een oordeel gegeven dat niet volgt uit de verklaringen van [A], niet wordt gedragen door de feiten en daardoor zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
2.3
Het Gerechtshof motiveert onvoldoende waarom het gebruik van de auto ten behoeve van bezoeken aan voetbalwedstrijden bewijst dat over de auto wordt beschikt
Het Gerechtshof overweegt verder in r.o. 4.4.4:
‘Tot bewijs van het beschikken over de auto dient mede de verklaring van belanghebbende over het gebruik van de auto ten behoeve van bezoeken aan voetbalwedstrijden.’
Belanghebbende heeft voor het Gerechtshof hieromtrent herhaald wat hij gedurende de gehele bezwaar-en beroepsprocedure steeds heeft gesteld. Ik verwijs u naar het bezwaarschrift, bl. 3 onder punt 4.:
‘Inhoudingsplichtige heeft 4 business-seats en daarnaast nog een aantal hoofdtribunestoelen in [B] om met zakenrelaties wedstrijden te kunnen bezoeken. Eerst wordt dan de Mercedes op de [A-STRAAT] opgehaald. Vervolgens worden de relaties opgehaald met de Mercedes, wordt naar [B] gereden, geparkeerd onder [B] en worden vervolgens na afloop de relaties weer weggebracht. Vervolgens wordt de Mercedes weer op de [A-STRAAT] geparkeerd.’
Tijdens de zitting voor Rechtbank Noord-Holland heeft belanghebbende dit herhaald en heeft [A] toegevoegd (proces-verbaal zitting, blad 2, bovenaan) :
‘Mijn vrouw houdt niet van voetbal en mijn zoon woont in het buitenland.’
waarmee [A] tot uitdrukking heeft willen brengen dat hij geen privé-redenen heeft om de voetbalwedstrijden te bezoeken.
Voor een herhaling van eerdere verklaringen verwijs ik u eveneens naar het proces verbaal van de zitting van 29 april van het Gerechtshof Amsterdam (blad 2, onderaan en blad 3).
Belanghebbende had de plaatsen in [B] uitsluitend om zakenrelaties te vergasten en juist voor hel vervoer van die relaties had belanghebbende de Mercedes aangeschaft.
Dat het Gerechtshof in het bezoeken van voetbalwedstrijden het bewijs van een terbeschikkingstelling aan [A] ziet, is daarom zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
3. Het Gerechtshof heeft [A] kennelijk met belanghebbende vereenzelvigd
Uit r.o. 4.4.4 van het Gerechtshof, met name:
‘… niet in geschil is dat de auto — onder meer — door [A] worden gebruikt ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden van belanghebbende en daarvoor ook werd gebruikt.’
zou gelezen kunnen worden dat het Gerechtshof veronderstelt dat [A] als werknemer voor het gebruik van de auto geen opdracht nodig heeft van belanghebbende, nu hij van belanghebbende immers zelf enig directeur en enig aandeelhouder is. Uit dien hoofde zou het gebruik door, in elk geval [A], rechtstreeks voortvloeien uit zijn dubbelrol. Daarmee vereenzelvigd het Gerechtshof dan [A] met belanghebbende. Deze vereenzelviging impliceert dat belanghebbende geen opdrachten kan geven aan zichzelf, dan wel dat geen opdrachten kan uitvoeren die hij aan zichzelf heeft gegeven. Alle zakelijke ritten zou [A] dan in de uitvoering van zijn reguliere werkzaamheden rijden.
Deze opvatting is echter onjuist en wordt niet ondersteund door de jurisprudentie. Het Gerechtshof Den Haag heeft in haar uitspraak van 5 februari 1968, nr. 67/1967 (NDFR, jurisprudentie bij art. 2 Wet LB 1964) reeds beslist:
‘De opvatting van belanghebbende berust op een identificatie van de n.v. met haar directeur-grootaandeelhouder.
(…)
Het staat vast dat zowel in het burgerlijk recht als in het belastingrecht deze gedachte niet wordt aanvaard. De n.v. en de directeur worden nu eenmaal gedacht als te onderscheiden rechtssubjecten, die met elkaar een overeenkomst kunnen aangaan, ook een arbeidsovereenkomst. Daarbij is het onverschillig of de directeur wellicht tevens groot-aandeelhouder is en uit dien hoofde in feite over alle macht in de n.v. beschikt. Deze omstandigheid leidt niet tot identificatie …’
Vereenzelviging van [A] met belanghebbende kan dus niet aan de orde zijn. Zou dit anders zijn dan zou dit een discriminatie inhouden van als werknemer ten opzichte van de overige werknemers. Niet [A] als werknemer, doch belanghebbende heeft bij voortduring de zeggenschap over de auto gehad en heeft ook voor wat betreft de door [A] gereden ritten steeds bepaald dat die specifieke ritten met de Mercedes gereden moesten worden. Dat was juist in het belang van belanghebbende.
4. Het Gerechtshof heeft de aan haar voorgelegde rechtsvraag onbeantwoord gelaten
Door de motiveringsgebreken als toegelicht in de punten 1. en/of 2. is het Gerechtshof niet toegekomen aan de eigenlijke rechtsvraag.
Het standpunt van belanghebbende heb ik onder punt 1. al uitgebreid uiteengezet. De Belastingdienst vat haar standpunt samen in haar pleitnota voor het Gerechtshof:
‘Wanneer is een auto ter beschikking gesteld. De rechtbank gaat er van uit dat de enkele constatering van zakelijk gebruik niet met zich meebrengt dat de auto ter beschikking is gesteld. Ik ben van mening dat hieruit juist blijkt dat een auto ter beschikking is gesteld.’
Inmiddels is deze rechtsvraag door uw college beantwoord in uw arrest van 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1360. De visie van de Belastingdienst is door uw Raad verworpen.
Conclusie
1.
Nu het Gerechtshof haar beslissing heeft gebaseerd op een standpunt dat door belanghebbende niet is ingenomen is de motivering van het Gerechtshof onbegrijpelijk. Om die reden verzoek ik uw Raad om de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam dd. 21 mei 2015, kenmerk 13/00734 tot en met 13/00738, te vernietigen, de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 21 oktober 2013, nr. AWB13/2274 tot en met AWB 13/2278 te bevestigen en de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie en in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende.
2.
Indien de toelichting onder punt 1. van het cassatiemiddel voor uw Raad niet voldoende is om de uitspraak van het Gerechtshof geheel te vernietigen, dan concludeer ik dat r.o. 4.4.4 van de uitspraak zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dan wel gebaseerd is op gronden die de beslissing niet kunnen dragen nu het Gerechtshof hieraan verklaringen van belanghebbende ten grondslag legt, waaraan het Gerechtshof zonder nadere motivering en derhalve ten onrechte de conclusie verbindt dat de auto aan — onder meer — [A] ter beschikking gesteld is. Uit dien hoofde verzoek ik u de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam dd. 21 mei 2015, kenmerk 13/00734 tot en met 13/00738 te vernietigen, de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 21 oktober 2013, nr. AWB 13/2274 tot en met AWB 13/2278 te bevestigen en de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie en in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende.
3.
Er van uitgaande dat het Gerechtshof in haar overwegingen, met name ten aanzien van de terbeschikkingstelling van de auto, is uitgegaan van een vereenzelviging van [A] met belanghebbende, heeft het Gerechtshof een uitspraak gedaan die in strijd is met het Nederlands recht. Uit dien hoofde verzoek ik u de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam dd. 21 mei 2015, kenmerk 13/00734 tot en met 13/00738 te vernietigen, de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 21 oktober 2013, nr. AWB 13/2274 tot en met AWB 13/2278 te bevestigen en de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie en in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende.
Uitspraak 22‑01‑2016
Inhoudsindicatie
Artikel 13bis, lid 1, Wet LB 1964. Terbeschikkingstelling van auto aan directeur omdat deze zelfstandig kon bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruik maakte
Partij(en)
22 januari 2016
nr. 15/02550
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2015, nrs. 13/00734 tot en met 13/00738, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. AWB 13/2274 tot en met AWB 13/2278) betreffende de aan belanghebbende over de tijdvakken 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
In de jaren 2007 tot en met 2011 stond op naam van belanghebbende onder meer een auto van het merk Mercedes, type ML500 (hierna: de auto) geregistreerd. De sleutel van de auto werd bewaard in een kluisje op het bedrijfsadres te [Z].
2.1.2.
Enig bestuurder van belanghebbende is [A] (hierna: [A] ). [A] had uit hoofde van die positie toegang tot het hiervoor bedoelde kluisje. [A] gebruikte de auto ten behoeve van de door belanghebbende ontplooide werkzaamheden, waaronder het bezoeken van voetbalwedstrijden met zakelijke relaties.
2.1.3.
Belanghebbende heeft geen loonheffing ingehouden en afgedragen ter zake van gebruik van de auto door [A] .
2.2.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende de auto gedurende de jaren 2007 tot en met 2011 aan [A] ook voor privédoeleinden ter beschikking heeft gesteld in de zin van artikel 13bis, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964).
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de auto gedurende de onderhavige jaren aan [A] ter beschikking is gesteld in voormelde zin. Daarvoor heeft het Hof onder meer redengevend geacht dat [A] kon beschikken over de sleutel van het kluisje, zodat hij van de auto gebruik kon maken, en voorts dat hij ook daadwerkelijk van de auto gebruik heeft gemaakt. Tegen voormeld oordeel richten zich het tweede en het derde middel.
2.3.
De middelen falen. In dit geding staat vast dat de auto daadwerkelijk door [A] is gebruikt. Van een terbeschikkingstelling in de zin van artikel 13bis, lid 1, Wet LB 1964 is in zodanig geval geen sprake indien [A] de auto slechts mocht besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van zijn werkgever om in diens belang personen of goederen te vervoeren (vgl. HR 29 mei 2015, nr. 13/04933, ECLI:NL:HR:2015:1360, BNB 2015/146). Kennelijk is het Hof ervan uitgegaan dat hier niet sprake is van een geval als in dat arrest is bedoeld. In ’s Hofs overwegingen ligt immers besloten het oordeel dat [A] als enig bestuurder van belanghebbende zelfstandig kon bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruik maakte. Daarmee heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
2.4.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2016.