Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/III.5.4.1
III.5.4.1 Inleiding
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS583697:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Schlössels 2000, p. 11, nt. 100: ‘De rechter kan [...] niet ‘erga omnes’ vernietigen, hetgeen m.i. óók de civiele rechter gelet op de statelijke machtenscheiding zou moeten nalaten door de figuur van ‘onverbindendverklaring’ achterwege te laten.’ Paragraaf 3.4.4 bevat meer voorbeelden. Ook auteurs die niet tot de Maastrichtse School behoren zijn van oordeel dat onverbindende voorschriften niet kunnen herleven. Zie bijv. De Winter 1987, p. 244-245. Hij ziet in dat niet-herleven echter geen triasbezwaren.
Vgl. Van Maanen & De Lange 2005, p. 125, die (terecht) schrijven dat de civiele rechter nooit een wet ‘buiten werking’ kan stellen ‘in de zin van vernietigen [...]. Een civiele procedure is nu eenmaal geen vernietigingsberoep.’
Welke juridische status een onrechtmatig wettelijk voorschrift naar Nederlands recht heeft, is voorwerp van debat. Volgens enkele leden van de ‘Maastrichtse School’ staat onverbindendverklaring van een wettelijk voorschrift gelijk aan de vernietiging van dat voorschrift. Mede daarom zijn zij tegen onverbindendverklaring.1 Anderen, zoals Van Maanen en De Lange, bestrijden die opvatting: volgens hen kan de rechter een wettelijk voorschrift niet vernietigen.2 Welke van die opvattingen geeft het positieve recht juist weer?