Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/26
26 Voorwaarden voor een enqueste valetudinair
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453401:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Merulæ 1705, p. 508 schrijft dat de rechter geen discretionaire bevoegdheid heeft als een verzoek aan de voorwaarden voldoet (“Welk versoek hem de Juge niet en behoort te ontzeggen”). Een parallel kan worden getrokken met het huidige Duitse recht, waarin het middel van selbständige Beweisverfahren alleen kan worden bevolen bij gevaar voor verlies van bewijs of gevaar voor de bemoeilijking van het verkrijgen of gebruiken van bewijs. De rechter heeft vanwege de onomkeerbare gevolgen (de getuige zal in de hoofdzaak waarschijnlijk geen verklaring kunnen afleggen) zeer weinig ruimte om een verzoek af te wijzen. Zie hierover nr. 48.
De eiser moest na de enqueste valetudinaire wel binnen een jaar nadat hij hiertoe in de gelegenheid was, zijn vordering in de hoofdzaak instellen, anders verloor de getuigenverklaring haar kracht. Merulæ 1705, p. 508; Huber 1742, p. 336-337.
Wielant 1573, p. 212-213; De Damhouder 1626, p. 421.
Merulæ 1705, p. 507-508.
Vromans 1722, p. 348.
Merulæ 1705, p. 508; Huber 1742, p. 337. Een uitzondering gold (behalve in geval van bepaalde excepties) als de eiser al met de voorbereidingen voor het instellen van zijn vordering was begonnen of als de eiser had aangegeven zijn vordering zonder uitstel te zullen indienen. In dat geval was immers “den Gedaagde van geen beter conditie, als den Eischer”. Vromans 1722, p. 349-350.
De Damhouder 1626, p. 421; Merulæ 1705, p. 508.
Een verzoek van de eiser tot het bevelen van een enqueste valetudinair moest worden toegestaan als aan twee voorwaarden was voldaan.1 Ten eerste mocht de eiser nog niet in de gelegenheid zijn om een procedure te beginnen, bijvoorbeeld omdat zijn recht nog niet was ontstaan.2 Ten tweede moest het gevaar bestaan dat de getuige door het verstrijken van de tijd geen verklaring naar waarheid meer zou kunnen afleggen. Dit gevaar bestond volgens de doctrine als de persoon van de getuige zou kunnen verdwijnen door overlijden (bijvoorbeeld door honger, armoede, ziekte of zwangerschap, in tijden van oorlog of als een besmettelijke ziekte heerste) of door het ondernemen van een verre en gevaarlijke reis.3 Enkele schrijvers meenden dat ook voldaan kon zijn aan de eis van gevaar voor verlies van bewijs als zich redenen voordeden die geen betrekking hadden op de persoon van de getuige, maar op het geheugen van de getuige. Zo betoogde Merulæ4 dat een “kranke memorie of lichtveerdigheyd” een reden was voor een voorlopig getuigenverhoor en meende ook Vromans5 dat het gevaar dat door het verstrijken van de tijd de waarheid van de zaak vergeten zou kunnen worden, voldoende reden opleverde om een enqueste valetudinair toe te staan. Een gedaagde was, in tegenstelling tot de eiser, altijd en zonder beperkingen bevoegd om getuigen te laten horen vóór de litiscontestatio. Dit onderscheid was gerechtvaardigd, omdat de gedaagde het niet in zijn macht had het proces te beginnen wanneer hij wilde en hij zich moest kunnen wapenen tegen een eventuele aanspraak.6
Als een in een enqueste valetudinair gehoorde getuige tijdens de hoofdzaak in staat was een verklaring af te leggen, moest hij nogmaals een getuigenis afleggen. Als de getuige hiertoe niet meer in staat was, werd aan het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor de bewijskracht toegekend die de wet aan het proces-verbaal van een reguliere getuigenverklaring toekende.7