NJB 2017/1661:Cassatieberoep door de benadeelde partij: art. 421 lid 4 Sv voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. Evenmin bevat de wet zo een regeling voor het geval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. De benadeelde partij kan ook aan het EVRM (waaronder art. 14 EVRM en art. 1 Twaalfde Protocol) of het Unierecht (waaronder art. 16 van de Richtlijn 2012/29/EU van 25 oktober 2012 inzake minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten) niet het recht ontlenen cassatieberoep in te stellen indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld