De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.3.3
2.3.3 Verbintenissen met zakelijke werking
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS383602:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van Oostrom-Streep 2006, p. 10 over de invloed van de Code Civil op art. 1354 OBW en de negentiende-eeuwse rechtspraak.
Moltzer 1892, p. 125-126, onder verwijzing naar Van Boneval Faure 1882. De Reallast werd door Moltzer omschreven als ‘eene verbintenis, waarbij de persoon des verbondenen telkens bepaald wordt door den eigendom of het gebruik(srecht) van eenig onroerend goed. (…) De Reallast behoort dus tot het gebied der verbintenissen en niet tot het zakenrecht; zijne handhaving in recht zal tot een persoonlijke, niet tot een zakelijke rechtsvordering aanleiding geven. Reden tot verwarring bestaat natuurlijk in de omstandigheid, dat, evenals het zakelijk recht, ook de Reallast een juridische eigenschap is van het daarmee verbonden onroerend goed of het gebruiksrecht daarvan, elken opvolgende bezitter als zoodanig tot de nakoming van den last verplichtende’.
Art. 775 OBW: “De verpligting om de erfpacht te voldoen is onsplitsbaar, blijvende ieder gedeelte van den in erfpacht uitgegeven grond voor de geheele pacht aansprakelijk”.
Moltzer 1892, p. 126-128.
De ‘dubbele zekerheid’ voor de grondeigenaar vormde de kern van de door Scholten in 1913 aangedragen tussenoplossing voor de aard van de canonverplichting, Asser/Scholten 1913, p. 236. Daarnaast onderschreef raadsheer Eyssell de opvatting van Moltzer dat de erfpachtcanon als een Reallast, dat is als een verbintenis moest worden opgevat. De grondslag daarvoor lag niet in art. 775 OBW, maar was wel te vinden in andere bepalingen uit de erfpachttitel. Het karakter van de erfpachtcanon was een kwalitatieve verbintenis, zowel voor de erfpachter als voor de erfverpachter, Eyssell 1893, p. 88.
Land 1901, p. 6.
Land 1901, p. 6-7. Nadruk toegevoegd.
Land 1901, p. 8. Noot 3: “Is die persoon de eigenaar, dan blijft het toch eene verbintenis al is deze in rem scripta, d.i. al volgt zij het goed ook onder nieuwe eigenaars. (...) Wordt bij opstal eene uitkeering beloofd, dan blijft dit eene verbintenis; het wordt niet ‘zakelijk gevestigd op het recht van den opstaller’ (…).”
In de tweede helft van de negentiende eeuw deed onder invloed van buitenlands recht de idee van de kwalitatieve verbintenis zijn intrede in het Nederlands recht.1 Een kwalitatief werkende verbintenis is een gewone verbintenis die verbonden kan zijn aan een zakelijk recht en die met dat recht overgaat op rechtsopvolgers. De Amsterdamse rechtsgeleerde J.P. Moltzer stelde in zijn studie naar de toepassing van erfpacht ter verbetering van het landbouwbedrijf dat de canonverplichting van de erfpachter een persoonlijke verplichting was, te vergelijken met de Reallast uit het Duitse recht.2 Net als de erfpachter een persoonlijke schuldverplichting had jegens de erfverpachter tot betaling van de canon, had deze omgekeerd een persoonlijke schuldvordering jegens de erfpachter. Deze persoonlijke verplichtingen waren kwalitatief, uit de rechtsbetrekking tussen erfverpachter en erfpachter vloeide een zakelijk recht ten behoeve van de erfverpachter voort, dat inhield dat hij zich kon verhalen op het erfpachtrecht indien de erfpachter de canon niet betaalde. Moltzer baseerde dit recht op art. 775 OBW dat het hele erfpachtrecht aansprakelijk stelde voor canonbetaling.3 Bij voorkeur zou art. 775 OBW moeten worden aangevuld en verduidelijkt door het recht op parate executie van de grondeigenaar te herstellen.4 De verhandelbaarheid van grond zou toenemen indien zowel het recht van erfpacht als het recht van grondrente splitsbaar werden. Volgens Moltzer was de canonverplichting dus een kwalitatieve verbintenis van zowel erfpachter als erfverpachter, die voor de laatste was versterkt met de mogelijkheid van verhaal op het erfpachtrecht.
De studie van Moltzer had veel invloed.5 Aan het eind van de negentiende eeuw maakte de Groningse hoogleraar N.K.F. Land (1840-1903), opvolger van Diephuis, in zijn handboek melding van het nieuwe inzicht van een tussenvorm tussen zakelijke rechten en verbintenissen, namelijk de verbintenis met zakelijke werking.6 Deze verbintenissen kwamen bijvoorbeeld voor bij het recht van erfpacht:
“Doch er zijn ook verbintenissen, die in zoover het voorkomen hebben van zakelijke rechten, dat zij het goed volgen, ook wanneer dit op een nieuwen rechthebbende overgaat. Bij verscheidene overeenkomsten gaat de verbintenis over zoowel op den opvolger onder bijzonderen als op dien onder algemenen titel; bv. bij huur, art. 1612, bij verzekering, art. 263 Kh; zoo ook de verbintenissen bij erfpacht en bij hypotheek, art. 1251. (…) Men kan in dergelijke gevallen spreken van een recht, dat in rem scriptum is, het goed volgt evenals bij een zakelijk recht, maar het blijft toch in wezen eene verbintenis, eene rechtsbetrekking tusschen twee personen.”7
Land sprak hier over de zakelijke of absolute werking van verbintenissen uit erfpacht. Hij deelde de opvatting van Opzoomer dat uit een recht van erfpacht verbintenissen konden ontstaan, dit waren kwalitatieve verbintenissen (rem scriptum) waarop de regels van Boek 3 OBW van toepassing waren. Een voorbeeld van een dergelijke verbintenis vormde de opstalvergoeding ex art. 762 OBW.8 Een ander voorbeeld van een kwalitatieve verbintenis was de verplichting tot canonbetaling die op de erfpachter rustte. Kwalitatieve verbintenissen waren gewone verbintenissen waarop het verbintenissenrecht van toepassing was, maar zij waren onderdeel van een zakelijk recht en gingen als zodanig over op rechtsopvolgers. De inpassing van de verbintenissen in het stelsel van de wet geschiedde op deze wijze via de aanname van een nieuwe categorie van verbintenissen.